HR 04-03-1952, NJ 1952, 365 Arrest Emmense Baliekluivers

HR 04-03-1952, NJ 1952, 365 Arrest Emmense Baliekluivers
HOGE RAAD (Strafkamer)
4 maart 1952
(Mrs Fick, Feber, van Berckel, Westerouen van Meeteren, Haga;)
A-G Langemeijer

m.nt. BVAR

Regeling

A.P.V. Emmen, art. 14, Wegenverk.regl. art. 40.* [1]

Essentie

Plaatselijk verbod zonder noodzaak op bruggen te verblijven i.v.m. art. 40 Wegenverkeersreglement.

Samenvatting

De bepaling van art. 14 A.P.V. Emmen, verbiedende het zonder noodzaak blijven staan op over vaarwater gelegen bruggen, batten of vonders of daartoe behorende werken of wel daarop te zitten of daartegen aan te leunen strekt, ook blijkens de plaatsing van dit voorschrift in Hfdst. Ⅴ dier verordening, als opschrift voerende: ‘openbare orde, veiligheid en zedelijkheid’ kennelijk ter voorkoming van het doelloos verblijven op of in de onmiddellijke nabijheid der evenbedoelde bruggen en andere inrichtingen en ter kering van de uit dat verblijven voortvloeiende gevaren van baldadigheid.
Daartegenover beoogt art. 40 lid 4 Wegenverkeersregl., aan voetgangers verbiedende het blijven staan op of nabij kruisingen en splitsingen van wegen en op bruggen, indien daardoor het verkeer wordt belemmerd of in gevaar gebracht, slechts het tegengaan van gedragingen van voetgangers, waardoor de verkeersbelangen kunnen worden geschaad.
Mitsdien bestaat geen grond voor de opvatting als zou door het laatstgenoemd artikel zijn voorzien in een onderwerp, geregeld door het evenbedoeld voorschrift der A.P.V. Emmen, met gevolg dat dit voorschrift bij de inwerkingtreding van het Wegenverkeersregl. van rechtswege zou hebben opgehouden te gelden.

Tekst

Op het beroep van den Ambtenaar O.M. bij de Kantongerechten in het Arrondissement Assen, req. van cassatie tegen een vonnis van den Kantonr. te Emmen van 6 Sept. 1951, waarbij J.S. te N. bij verstek, is ontslagen van alle rechtsvervolging.
De Hoge Raad, enz.;
Gehoord het verslag van den Raadsheer Westerouen van Meeteren;
Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij schriftuur en luidende:
I.S., althans v.t. van de artt. 350, 351 en 352 Sv., 194 Gemeentewet, 14 en 134 A.P.V.-Emmen (nader te noemen A.P.V.) en de artt. 40, lid 4 en 124 Wegenverkeersregl., doordat het Kantonger. verd. heeft ontslagen van alle rechtsvervolging, overwegende dat in het onderwerp, waarin voorzien werd bij de artt. 14 j°. 134 van de genoemde A.P.V., nadien is voorzien door art. 40 lid 4 j°. 124 Wegenverkeersregl. en derhalve op grond van art. 194 Gemeentewet art. 14 dezer APV. van rechtswege heeft opgehouden te gelden; zulks ten onrechte, omdat art. 14 APV. niet voorkomt in Hfdst. VI dier Verordening, voerende als titel: ‘Het rijden en varen’ en bevattende de regelen ter beveiliging van het verkeer te land en te water, doch is opgenomen in Hfdst. V dier APV., dat tot titel heeft: ‘Openbare orde, veiligheid en zedelijkheid’ en derhalve kennelijk betreft de handhaving der openbare orde, immers strekt tot het tegengaan van het lanterfanten en werkeloos rondhangen op bruggen, en wel óók op die bruggen, welke niet voor het openbaar verkeer openstaan, doch op alle bruggen welke zijn gelegen over voor het publiek verkeer bestemde vaarten en kanalen (art. 2, sub b APV.). Art. 14 APV. en 40, lid 4 Wegenverkeersregl. hebben dus niet eenzelfde norm, noch hebben zij eenzelfde sociaal belang op het oog, buiten hetwelk geen ander belang meer mogelijk is.
II.S. althans v.t. van de artt. 350, 351 en 352 Sv., 6 Wegenverkeerswet, 40 lid 4 Wegenverkeersregl. en 14 A.P.V.-Emmen (nader te noemen APV.), doordat het Kantong. verd. heeft ontslagen van alle rechtsvervolging uit overweging dat in het onderwerp, waarin voorzien werd bij de artt. 14 j° 134 van genoemde APV. nadien is voorzien door de art. 40 lid 4 j°. 124 Wegenverkeersregl. en derhalve op grond van art. 194 Gemeentewet art. 14 dezer APV. van rechtswege heeft opgehouden te gelden; zulks ten onrechte, omdat, ook al zou art. 14 APV. mede betrekking hebben op de beveiliging van het verkeer, dit artikel in dat geval op grond van de artt. 38 en 44 der Wegenverkeersregeling (d.d. 16 Sept. 1941) buiten werking zou zijn getreden gedurende de gelding van die Wegenverkeersregeling, doch, — als zijnde overigens niet vervallen of ingetrokken — tegelijk met het tijdstip van in werking treding van de Wegenverkeerswet en het Wegenverkeersreglement uit zijn verstening zou zijn herleefd. Art. 14 zou dan dus kunnen worden beschouwd als een door de gemeente raad gestelde regel nopens het verkeer op de wegen, voor zoveel betreft een punt, waaromtrent in de Wegenverkeerswet, het Wegenverkeersreglement of in een provinciale verordening als bedoeld in art. 5 Wegenverkeerswet niet — en zeker niet nadien — is voorzien. Immers naast art. 40 lid 4 Wegenverkeersregl., dat voetgangers o. m. verbiedt te blijven staan op bruggen, indien daardoor het verkeer wordt belemmerd of in gevaar gebracht (krenkingsdelict), verbiedt art. 14 APV. het blijven staan op bruggen zonder noodzaak, dus zonder dat er van verkeer sprake behoeft te zijn (ingevaarbrengingsdelict);
Gehoord den A.-G. Langemeijer namens den P.-G. in zijn conclusie, enz.
O. enz., enz.;
O. t. a. v. het eerste middel:
dat de bepaling van art. 14 APV.-Emmen, verbiedende het zonder noodzaak blijven staan op over vaarwaters gelegen bruggen, batten of vonders of daartoe behorende werken of wel daarop te zitten of daartegen aan te leunen, ook blijkens de plaatsing van dit voorschrift in Hfdst. V dier Verordening, als opschrift voerende: ‘Openbare orde, veiligheid en zedelijkheid’, kennelijk strekt ter voorkoming van het doelloos verblijven op of in de onmiddellijke nabijheid der evenbedoelde bruggen en andere inrichtingen en ter kering van de uit dat verblijven voortvloeiende gevaren van baldadigheid;
dat daartegenover art. 40 lid 4 Wegenverkeersregl., aan voetgangers verbiedende het blijven staan op of nabij kruisingen en splitsingen van wegen en op bruggen, indien daardoor het verkeer wordt belemmerd of in gevaar gebracht, slechts beoogt het tegengaan van gedragingen van voetgangers, waardoor de verkeersbelangen kunnen worden geschaad;
dat mitsdien geen grond bestaat voor de opvatting als zou door het laatstgenoemd artikel zijn voorzien in een onderwerp, geregeld door het evenbedoeld voorschrift der A.P.V. Emmen, met gevolg dat dit voorschrift bij de inwerkingtreding van het Wegenverkeersregl. van rechtswege zou hebben opgehouden te gelden;
dat het middel derhalve gegrond is, zodat het bestreden vonnis niet kan worden gehandhaafd en het tweede middel geen onderzoek behoeft;
Vernietigt het bestreden vonnis doch alleen voor zover gereq. — waarvoor te lezen: het bewezenverklaarde feit — niet strafbaar is verklaard en voorzover gereq. van alle rechtsvervolging is ontslagen;
Rechtdoende krachtens art. 105 R.O. enz. (Volgt veroordeling tot een boete van Æ’ 1, subs. 1 dag tuchtschool, Red.).

Conclusie

A G Mr Langemeijer.
Ten laste van de gereq. is bewezenverklaard:
dat hij op 2 Juni 1951 te 23.25 u. ongeveer te N., althans in de gemeente E., zonder noodzaak is blijven staan op een over het voor het publiek verkeer bestemde, Weerdingerkanaal gelegen brug .
Niet omstreden is dat voor toepassing op dit bewezenverklaarde als enige strafbepaling in aanmerking komt art. 14 A.P.V.-Emmen, dat luidt:
Het is verboden zonder noodzaak te blijven staan op over vaarwaters gelegen bruggen, batten of vonders of daartoe behorende werken of wel daarop te zitten of daartegen aan te leunen .
De Kantonr. heeft nu verd. ontslagen van rechtsvervolging en ter motivering daarvan overwogen:
O. dat in het onderwerp, waarin voorzien werd bij voormelde bepalingen van de A.P.V.-Emmen, nadien is voorzien door art. 40 lid 4 j°. art. 124 Wegenverkeersregl. van 28 Aug. 1950, hetwelk beoogt de verkeersveiligheid te bevorderen, terwijl art. 14 A.P.V.-Emmen voorkomt in een Hoofdstuk, dat mede als titel voert: ‘Openbare — veiligheid —’ en, vóór de inwerkingtreding van het voormeld Wegenverkeersregl., in hetzelfde onderwerp voorzag als thans dit Wegenverkeersregl.;
O. dat voormelde bepaling van de voormelde plaatselijke verordening deswege van rechtswege heeft opgehouden te gelden .
De Heer req. bestrijdt deze beslissing met twee middelen. Het eerste hiervan is het meest principiële; het betoogt nl. dat art. 14 een geheel ander onderwerp regelt dan art. 40 Wegenverkeersregl., nl. in het belang van de openbare orde het lanterfanten op bruggen, zijnde plaatsen waar dit meer dan elders geschiedt, wil tegengaan.
Mij komt dit betoog wel juist voor, althans in zijn negatieve bestanddeel, nl. dat in ieder geval het artikel niet dwingt tot de conclusie, dat men daarmede een voorschrift ten behoeve van het verkeer heeft willen geven. Behalve dat de ratio, welke de Heer req. naar voren brengt, zich althans als die van het art. laat denken, pleit tegen het aannemen van de bedoeling om uitsluitend het verkeer te dienen ook de vermelding van vonders, waarbij dit doel zich moeilijk denken laat. Of nu de ratio werkelijk die is, welke de Heer req. suggereert, en of die ratio er een zou zijn welke met art. 168 Gemeentewet in overeenstemming is te brengen, behoeft hier niet te worden beoordeeld. Opgemerkt zij daaromtrent slechts, dat in deze zaak m.i. geen voldoende gronden naar voren komen om aan te nemen, dat het voorschrift niet het belang der openbare orde, zedelijkheid of gezondheid zou kunnen dienen of anderszins de huishouding der gemeente zou kunnen raken. Voor het slagen van het middel schijnt mij voldoende dat art. 14 niet klaarblijkelijk uitsluitend het onderwerp van art. 40 Wegenverkeersregl. betreft.
Het tweede middel is kennelijk voorgesteld voor het geval het eerste onjuist zou worden bevonden. Het stelt dat, al zou art. 14 wel uitsluitend aan verkeersbelangen dienstbaar zijn en al zou daarom het artikel tijdens de gelding van de Wegenverkeersregeling ingevolge art. 38 dier Regeling buiten werking zijn geweest, het dan toch onder de heerschappij van het Wegenverkeersreglement zonder beletsel zou gelden. Immers, aldus het middel, art. 40 Wegenverkeersregl. schept met betrekking tot de verkeersveiligheid op bruggen een krenkingsdelict, art. 14 van de verordening daarentegen in ingevaarbrengingsdelict. Dit is tot zover volkomen juist — wanneer men eenmaal aanneemt dat art. 14 verkeersbelangen behartigt. Wat ik echter niet met de Heer req. eens kan zijn is dat bij een onderwerp als het onderhavige en bij de vraag van toepasselijkheid van art. 194 Gemeentewet, waarom het hier gaat, een ingevaarbrengingsdelict niet hetzelfde onderwerp zou betreffen als een krenkingsdelict. M.i. zal men moeten oordelen, dat de Rijkswetgever door het krenkingsdelict in het leven te roepen tevens de beslissing heeft getroffen, dat daardoor voor behartiging van de daarbij betrokken belangen voldoende is gewaakt, tenminste voorzover dit met strafrechtelijke middelen mogelijk is. Wellicht zou zich daarnaast een verordeningsbepaling laten denken voor bepaalde bruggen of b.v. voor bruggen van minder dan een bepaalde breedte, maar een voorschrift als het onderhavige zou neerkomen op een verdergaande voorziening in hetzelfde belang, dat is dus een afwijkende regeling van hetzelfde onderwerp, als door de wetgever reeds is geregeld.
Op grond van het i.v.m. middel I betoogde echter meen ik te moeten concluderen tot vernietiging van het vonnis overeenkomstig art. 105 R.O. Ik stel een zeer geringe straf voor, nu het hier overtreding betreft van een voorschrift, waarvan de reden van bestaan blijkbaar zelfs voor plaatselijke autoriteiten niet evident is. Mitsdien concludeer ik, dat Uw Raad het vonnis waarvan beroep vernietige en rechtdoende ten principale het bewezenverklaarde en de gereq. deswege strafbaar verklare, het feit qualificere als ‘te Emmen zonder noodzaak blijven staan op een over een vaarwater gelegen brug’ en de gereq. deswege veroordele tot betaling van een geldboete van een gulden, subs. één dag hechtenis.

Noot

Het is steeds weer een moeilijkheid, uit te maken of een plaatselijke verordening al dan niet voorziet in hetzelfde onderwerp als de hogere regeling. De H.R. heeft nu beslist, dat art. 14 A.P.V. Emmen, verbiedend het zonder noodzaak blijven staan op over vaarwater gelegen bruggen, batten of vonders of daartoe behorende werken of wel daarop te zitten of daartegen aan te leunen, een ander onderwerp regelt als art. 40 lid 4 Wegenverkeersreglement. Dit laatste bedoelt zonder twijfel regelen te geven in verband met de veiligheid van het verkeer. Uit het in de A.P.V. opgenomen verblijfsverbod o.a. op vonders blijkt reeds dat overwegingen van verkeersveiligheid zeker niet de enige motieven zijn geweest. Ook de plaatsing in Hfdst. V ‘Openbare orde, veiligheid en zedelijkheid’ duidt daarop. De genoemde veiligheid behoeft daarbij allerminst te zien op verkeersveiligheid. Zo concludeert de H.R. dat het genoemde artikel van de A.P.V. strekt tot kering van het doelloos verblijven op de aangeduide plaatsen en ter kering van de uit dat verblijven voortvloeiende gevaren van baldadigheid. Nu het motief, de doelstelling, de strekking van het verbod verschilt, verschilt het onderwerp. Dat hier de lagere wetgever de mogelijkheid wordt gegeven, door het noemen van een bepaald motief onaantastbaar te treden op verboden terrein is duidelijk. Ook elders doet zich hetzelfde voor. Men verg. het arr. H.R. 27 Febr. 1951 no. 472 in zake het uitgeven van strooibiljetten, met mijn noot.
Door het eerste middel gegrond te achten kwam de H.R. niet toe aan het tweede. Daarin werd gesteld, dat, aangenomen dat art. 14 A.P.V. Emmen verkeersbelangen zou behartigen, het artikel zou kunnen bestaan naast art. 40 Wegenverkeersreglement, daar het laatste een krenkingsdelict, art. 14 der verordening slechts een ingevaarbrengingsdelict zou scheppen. De A.-G. keerde zich tegen de stelling, dat een ingevaarbrengingsdelict niet hetzelfde onderwerp zou betreffen als een krenkingsdelict, als zij beide strekken tot het bereiken van eenzelfde goed, met name de veiligheid van het verkeer. ‘Men zal moeten oordelen’, zo stelt de A.-G., ‘dat de Rijkswetgever door het krenkingsdelict in het leven te roepen tevens de beslissing heeft getroffen, dat daardoor voor behartiging van de daarbij betrokken belangen voldoende is gewaakt, tenminste voorzover dit met strafrechtelijke middelen mogelijk is’. Mogelijk lijkt de A.-G. een bijzondere regeling voor bepaalde bruggen of bruggen van bepaalde aard. Maar hoe dan, kan men vragen, als nu alle bruggen in een bepaalde gemeente daaraan voldoen, als met name de bijzondere locale situatie dus locale bijzondere voorziening gewenst maakt? Dan ware de verdergaande voorziening betreffende hetzelfde belang alleszins redelijk. Men zou kunnen stellen, dat ‘het ontwerp’ van bepaalde regeling ziet op regeling van een bepaald belang met het oog op bepaalde omstandigheden, zodat regeling van datzelfde belang met het oog op bepaalde bijzondere (locale) omstandigheden als regeling van een ander onderwerp zou kunnen worden beschouwd. Dit zou aansluiten aan de praktijk van de Kroon, waar deze op grond van art. 193 Gem. Wet de neiging toont aanvullende regelingen toe te laten. Men verg. van der Pot, Handboek van het Ned. Staatsrecht 4e druk, Zwolle 1950 blz. 574, en de jurisprudentie t.a.v. het verschil in ‘onderwerp’ en ‘punt’ in art. 6 M.R.W. (nu artt. 2, 5 en 6 Wegenverkeerswet), bv. arr. H.R. 11 Dec. 1939, 1940 no. 319, m.o. W.P.