HR 07-10-2005, NJ 2006, 351 Arres Coppes/Van de Kolk

HR 07-10-2005, NJ 2006, 351 Arres Coppes/Van de Kolk

NJ 2006 , 351
Hoge Raad (Civiele Kamer)
7 oktober 2005, nr. C04/204HR
(Mrs. J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, W.A.M. van Schendel; A-G Huydecoper)
m.nt. prof. mr. W.M. Kleijn
LJN: AU2555

m.nt. WMK
JOL 2005, 549
RVDW 2005, 112

Regeling

BW art. 3:86, 7:42

Essentie

Verkrijging tweedehands auto van beschikkingsonbevoegde; goede trouw verkrijger; maatstaf; onderzoek kentekenbewijs.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 april 1986, NJ 1986, 810, m.nt. WMK, waarin het ging om een geval van verduistering, geoordeeld dat de verkrijger van een tweedehandsauto — wil hij ten tijde van de verkrijging te goeder trouw zijn — ten minste de autopapieren (het kentekenbewijs en de kopie van deel Ⅲ van het kentekenbewijs) moet hebben onderzocht met het oog op de beschikkingsbevoegdheid van zijn voorman. Er bestaat geen grond deze regel (waarbij uiteraard de achtereenvolgende wijzigingen in art. 17 van het Kentekenreglement in aanmerking moeten worden genomen) te beperken tot het geval dat de eigenaar van de auto het bezit daarvan heeft verloren door diefstal dan wel verduistering. Deze regel geldt ook indien de eigenaar/verkoper zich op het recht van reclame beroept en de in art. 7:42 lid 1 BW bedoelde derde zich daartegen verweert met de stelling dat hij redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat dit recht zou worden uitgeoefend.
Verkrijging tweedehands auto van beschikkingsonbevoegde; goede trouw verkrijger; maatstaf; onderzoek kentekenbewijs.

Samenvatting

Thans eiseres tot cassatie heeft met het oogmerk van doorverkoop een auto verkocht aan een collega-autohandelaar, die de auto heeft doorverkocht aan en afgeleverd bij thans verweerder in cassatie, zonder aan eiseres de koopprijs te hebben betaald. Het kentekenbewijs is bij eiseres gebleven. Verweerder heeft de koopprijs voldaan (aan zijn verkoper). Eiseres heeft teruggave van de auto en schadevergoeding gevorderd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de levering van de auto aan de collega-autohandelaar is geschied onder opschortende voorwaarde van betaling van de koopprijs; daarnaast heeft zij zich beroepen op het recht van reclame. Het hof heeft het vonnis waarbij de vordering is afgewezen, bekrachtigd. Het heeft in dat verband geoordeeld dat verweerder op het moment van aflevering van de auto te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 en 7:42 BW, overwegende dat de door de Hoge Raad in zijn arrest van 4 april 1986, NJ 1986, 810, m.nt. WMK, geformuleerde regel omtrent het voor goede trouw vereiste onderzoek in het onderhavige geval niet van toepassing is aangezien die regel strekt tot bescherming van eigenaren die het bezit van hun auto door diefstal of verduistering hebben verloren, waarvan hier niet is gebleken. Hiertegen keert zich het cassatiemiddel.
Het cassatiemiddel klaagt terecht dat deze oordelen blijk geven van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in art. 3:86 BW. In het genoemde arrest van 4 april 1986 dat betrekking heeft op het geval dat A een hem in eigendom toebehorende auto, alsmede de autopapieren met uitzondering van de kopie van deel Ⅲ, vrijwillig meegeeft aan B. die de auto vervolgens verkoopt en levert aan C die op zijn beurt verkoopt en levert aan X., heeft de Hoge Raad geoordeeld dat — uitzonderingen daargelaten — de verkrijger van een tweedehands auto, wil hij ten tijde van zijn verkrijging te goeder trouw zijn, ten minste de autopapieren (het kentekenbewijs en de kopie van deel Ⅲ van het kentekenbewijs) moet hebben onderzocht met het oog op de beschikkingsbevoegdheid van zijn voorman. Er bestaat geen grond deze regel (waarbij uiteraard de achtereenvolgende wijzigingen in art. 17 van het Kentekenreglement in aanmerking te nemen zijn) te beperken tot het — zich naar het in cassatie onbestreden oordeel van het hof hier niet voordoende — geval dat de eigenaar van de auto het bezit daarvan heeft verloren door diefstal dan wel verduistering. De genoemde regel geldt ook indien, zoals hier subsidiair het geval is, de eigenaar/verkoper (eiseres) zich op het recht van reclame beroept en de in art. 7:42 lid 1 BW bedoelde derde (verweerder) zich daartegen verweert met de stelling dat hij redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat dit recht zou worden uitgeoefend: bij de verkrijging van een tweedehands auto is voor het slagen van dat verweer evenzeer vereist dat — uitzonderingen daargelaten — de derde ten minste de autopapieren heeft onderzocht met het oog op de beschikkingsbevoegdheid van zijn voorman.

Partijen

Autobedrijf Coppes B.V., te Bergharen, gemeente Wijchen, eiseres tot cassatie, adv. mr. M.J. Schenck,
tegen
A.H. van de Kolk, te Zetten, gemeente Valburg, verweerder in cassatie, adv. mr. D.Th.J. van der Klei.

Tekst

HOF:
4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep
4.1
Coppes heeft zich op het standpunt gesteld dat de levering van de Volvo aan X. is geschied onder de opschortende voorwaarde van betaling van de koopprijs, dus onder eigendomsvoorbehoud. Subsidiair heeft Coppes zich beroepen op het recht van reclame. Zowel volgens het primaire als het subsidiaire standpunt van Coppes is voor het lot van haar vorderingen bepalend of Van de Kolk ten tijde van de aflevering van de Volvo op 17 augustus 2001 te goeder trouw was, in het eerste geval in de zin van de bepaling van artikel 3:86 Burgerlijk Wetboek en in het laatste geval in de zin van artikel 7:42 Burgerlijk Wetboek.
4.2
Voor de vraag of Van de Kolk inderdaad te goeder trouw was, beroept Coppes zich op het arrest van de Hoge Raad van 4 april 1986, NJ 1986, 810, inzake Apon/Bisterbosch. De Hoge Raad heeft in dat arrest onder meer beslist:
Voor goede trouw, vereist voor een beroep op dit artikel [art. 2014 oud], is niet alleen nodig dat de verkrijger ten tijde van de levering de onbevoegdheid van zijn voorman niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. Met het oog op dit laatste dient hij naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek in te stellen, dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd. Dit brengt — behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen — mee dat de verkrijger van een tweedehands auto tenminste de autopapieren (het kentekenbewijs en de kopie van deel III van het kentekenbewijs) heeft onderzocht met het oog op deze bevoegdheid, wil hij ten tijde van zijn verkrijging te goeder trouw zijn.
4.3
De rechtbank heeft in het vonnis van 14 november 2002 overwogen dat deze jurisprudentie van de Hoge Raad ‘meer bedoeld [is] voor situaties waarin een tweedehands auto wordt gekocht van een particulier of als het type verkoopadres (automarkt of louche autobedrijfje) vereist dat de koper zich zeer uitvoerig vergewist van de beschikkingsbevoegd van de verkoper’ en heeft de vorderingen van Coppes afgewezen. Bedoelde opvatting van de rechtbank omtrent bedoelde jurisprudentie deelt het hof niet. In dit verband is van belang dat het hof in de zaak Apon/Bisterbosch ervan uit was gegaan dat Bisterbosch bij een als bonafide bekend staande autohandelaar had gekocht en dat de Hoge Raad tot vernietiging van het arrest van het hof is gekomen, zonder de klachten van het cassatiemiddel die tegen dat uitgangspunt waren geformuleerd, te behandelen.
4.4
Naar het oordeel van het hof is de door de Hoge Raad in de zaak Apon/Bisterbosch geformuleerde norm evenwel om een andere reden niet van toepassing. De strekking van bedoelde norm is de bescherming van eigenaren die het bezit van hun auto door diefstal of verduistering hebben verloren. Volgens het eigen standpunt van Coppes was geen sprake van (diefstal) of verduistering en mocht D — in zijn relatie tot Coppes — de Volvo aan iemand als Van de Kolk verkopen, dat wil zeggen zich verplichten tot levering van de onbezwaarde eigendom van die auto (conclusie van repliek onder 8). Dat Coppes aan Van de Kolk (herhaaldelijk) de feitelijke macht over de Volvo verschafte, had klaarblijkelijk ook als bedoeling om een zodanige verkoop te bevorderen.
4.5
Uit de omstandigheid dat D met toestemming van Coppes de Volvo onder zich had, met de bedoeling dat hij die auto aan iemand als Van de Kolk zou verkopen, volgt — uitgaande van een door Coppes tegenover X. bedongen eigendomsvoorbehoud — dat in het geval dat X. Van de Kolk juist en volledig zou hebben geïnformeerd over zijn rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes, voor de goede trouw van Van de Kolk zou hebben volstaan dat Van de Kolk geen reden had om te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van de koopovereenkomst tussen Coppes en X., anders gezegd dat Van de Kolk geen reden had om te betwijfelen dat X. aan Coppes de koopprijs van de Volvo zou voldoen. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1979, NJ 1980, 133, inzake Hoogovens/Matex. In het geval dat van een eigendomsvoorbehoud geen sprake is en de vorderingen van Coppes volgens zijn subsidiair standpunt op de grondslag van het recht van reclame dienen te worden beoordeeld, geldt in essentie dezelfde norm. In dat geval komt het er volgens artikel 7:42 Burgerlijk Wetboek immers op aan of Van de Kolk redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het recht van reclame zou worden uitgeoefend.
4.6
Van de Kolk heeft zich er op beroepen dat hij in bedoeld geval inderdaad te goeder trouw zou zijn geweest. Bij conclusie van antwoord onder 4.7 en 5.9 heeft Van de Kolk in dat verband aangevoerd dat hij per 13 augustus 2001 zelf aan X. een bedrag van Æ’ 57 750 had voldaan, zodat hij ervan kon uitgaan dat X. over voldoende liquide middelen beschikte om zijn schuld aan Coppes te voldoen. Voorts heeft Van de Kolk zich onder meer erop beroepen dat het bedrijf van X. als een bonafide garagebedrijf bekend stond en dat hij er meer dan twee weken over heeft gedaan om de auto te kopen en de Volvo al die tijd in de showroom van X. beschikbaar was.
4.7
Tegenover deze stellingen van Van de Kolk heeft Coppes onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat Van de Kolk — in het in onder 4.5 bedoelde geval — niet te goeder trouw zou zijn geweest. De omstandigheid dat Van de Kolk een groot deel van de koopprijs op aanwijzing van X. heeft overgemaakt op een bankrekening van diens vriend, doet — gelet op hetgeen Van de Kolk ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg onbetwist heeft aangevoerd over de achtergrond van die handelwijze, namelijk de mededeling van X. dat hij van Zetten naar Druten wilde verhuizen en dat hij in verband daarmee bezig was met het ‘overzetten van de bankrekeningen’ — niet af aan de goede trouw van Van de Kolk. Ook de hoogte van de koopprijs — die in ieder geval zodanig was, dat X. met de verkoop aan Van de Kolk een relevante winst realiseerde ten opzichte van de prijs die hij aan Coppes verschuldigd was — geeft geen aanleiding om aan de goede trouw van Van de Kolk te twijfelen. Ook ten aanzien van de reputatie van het bedrijf van X. heeft Coppes heeft concrete, voor Van de Kolk ten tijde van de levering van de Volvo kenbare, feiten of omstandigheden aangevoerd, die meebrengen dat van goede trouw geen sprake is.
4.8
De omstandigheid dat X. Van de Kolk — zoals uit diens stellingen volgt — niet juist en volledig heeft geïnformeerd over zijn, X.‘s, rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes, brengt niet mee dat Coppes zich alsnog op de door de Hoge Raad in de zaak Apon/Bisterbosch geformuleerde norm kan beroepen. Gelet op de strekking van die norm (hiervoor onder 4.4) is die norm hier immers niet van toepassing en kan Coppes zich dus ook niet op bedoelde omstandigheid beroepen.
4.9
Het hof passeert het bewijsaanbod van Coppes omdat het niet betrekking heeft op feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden dan hiervoor is gegeven.
4.10
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de grieven niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen kunnen leiden en dat die vonnissen, met verbetering van gronden, dienen te worden bekrachtigd.
(enz.)
Cassatiemiddel:
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Gerechtshof in zijn ten deze bestreden arrest op de daarin vermelde gronden heeft recht gedaan als in het dictum van dat arrest is aangegeven, zulks om de navolgende, zonodig in onderling verband en onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
I
Inleiding
1.0 Alvorens over te gaan tot de beoordeling van het geschil tussen partijen (in hoger beroep), geeft het Hof, in r.ov. 4.1 van zijn arrest, kort het standpunt van eiseres tot cassatie (‘Coppes’) weer, en wel als volgt:
Coppes heeft zich op het standpunt gesteld dat de levering van de Volvo aan D is geschied onder de opschortende voorwaarde van betaling van de koopprijs, dus onder eigendomsvoorbehoud. Subsidiair heeft Coppes zich beroepen op het recht van reclame (…)
Klacht
Met zijn hiervoor, onder 1.0, geciteerde weergave van het standpunt van Coppes heeft het Hof zijn arrest onvoldoende gemotiveerd, en/of is het Hof voorbijgegaan aan essentiële stellingen zijdens Coppes, althans heeft het Hof aan die stellingen een onbegrijpelijke uitleg gegeven, aangezien (de processtukken zijdens Coppes geen andere uitleg toelaten dan dat) Coppes niet alleen (primair) zich op het standpunt heeft gesteld dat levering van de Volvo had plaatsgevonden, zij het onder de (opschortende) voorwaarde van betaling van de koopprijs, en (subsidiair) uitgaande van onvoorwaardelijke overdracht, zich heeft beroepen op het recht van reclame, maar ook en in de eerste plaats heeft betoogd dat levering nog (in het geheel) niet had plaatsgevonden, en derhalve ook niet onder de opschortende voorwaarde van betaling, nu slechts sprake geweest zou zijn van ‘overdracht tot houderschap’ en aan X. nimmer meer bevoegdheden zouden zijn verschaft dan ‘als houder tot tijdelijk gebruik ter bezichtiging door een (door)koopgegadigde’, waarbij van een zakelijke overeenkomst tot levering en/of van aflevering en/of overgave geen sprake geweest zou zijn* [1] . Het Hof heeft deze stellingname van Coppes noch in r.ov. 4.1, noch elders in zijn arrest in zijn onderzoek en beoordeling betrokken en aldus evenmin overwogen of beslist, of, indien deze situatie zich in feite zou hebben voorgedaan, de maatstaf ter beoordeling van de goede trouw aan de zijde van verweerder in cassatie (‘Van de Kolk’) dezelfde geweest zou zijn, en zo niet, welke maatstaf voor die situatie dan wèl te gelden had.
II
Inleiding
2.0 Na overwogen te hebben (in r.ov. 4.1) dat zowel volgens het primaire standpunt van Coppes — te weten, in de visie van het Hof, dat de levering door Coppes aan X. zou zijn geschied onder eigendomsvoorbehoud — als volgens het subsidiaire standpunt — te weten dat een beroep gedaan wordt op het recht van reclame — voor het lot van de vorderingen van Coppes bepalend is of Van de Kolk ten tijde van de aflevering van de Volvo op 17 augustus 2001 te goeder trouw was (en wel: in de zin van art. 3:86 BW, resp. 7:42 BW), en na te hebben vastgesteld (in r.ovv. 4.2 + 4.3) dat Coppes zich in dat verband beroepen heeft op HR, NJ 1986, 810, doch dat de Rechtbank dit beroep heeft verworpen op de grond dat die jurisprudentie van de Hoge Raad meer bedoeld zou zijn voor situaties van koop van, kort gezegd, particulieren of op automarkten danwel van louche autobedrijfjes, overweegt het Hof, in r.ov. 4.4:
Naar het oordeel van het hof is de door de Hoge Raad in de zaak Apon/Bisterbosch geformuleerde norm evenwel om een andere reden niet van toepassing. De strekking van bedoelde norm is de bescherming van eigenaren die het bezit van hun auto door diefstal of verduistering hebben verloren (…)’,
welke situatie zich naar ’s Hofs vaststelling in het onderhavige, concrete geval niet voordoet.
Na vervolgens (in r.ovv. 4.5–4.7) in verband met de (ook volgens het Hof:) hypothetische situatie dat X. Van de Kolk juist en volledig zou hebben geïnformeerd over zijn rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes, te hebben beslist dat in dat geval Van de Kolk te goeder trouw geweest zou zijn, overweegt het Hof, in r.ov. 4.8:
De omstandigheid dat X. Van de Kolk — zoals uit diens stellingen volgt — niet juist en volledig heeft geïnformeerd over zijn, X.‘s, rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes, brengt niet mee dat Coppes zich alsnog op de door de Hoge Raad in de zaak Apon/Bisterbosch geformuleerde norm kan beroepen. Gelet op de strekking van die norm (hiervoor onder 4.4) is die norm hier immers niet van toepassing en kan Coppes zich dus ook niet op bedoelde omstandigheid beroepen.
Klachten
2.1
Door te overwegen als hiervoor, onder 2.0 is weergegeven en vervolgens op die grond de grieven zijdens Coppes (alle) te verwerpen, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de door de Hoge Raad in HR, NJ 1986, 810 ontwikkelde norm niet slechts geldt ingeval van diefstal of verduistering (‘onvrijwillig bezitsverlies’) — in welk geval veelal de bijzondere beschermingsbepaling van art. 3:86,3 BW van toepassing zal zijn zodat de goede trouw, bedoeld in art. 3:86,1 BW niet aan de orde komt — doch wel degelijk (mede) van toepassing is, indien de eigenaar willens en wetens het bezit van de litigieuze tweedehands auto uit handen gegeven heeft (‘vrijwillig bezitsverlies’), al dan niet tot tijdelijk gebruik ter bezichtiging door een (door)koopgegadigde, zoals in casu zijdens Coppes gesteld. In elk geval geldt zulks indien, zoals in casu, de eigenaar (in casu Coppes) de desbetreffende auto als zijn eigendom opvordert van een derde-verkrijger (in casu Van de Kolk).
Immers, ongeacht het antwoord op de vragen wat in het algemeen te gelden heeft ten aanzien van de bescherming van de derde-verkrijger ingeval van levering van (roerende) zaken (aan de vervreemder) onder eigendomsvoorbehoud, wat het verkeersbelang in dergelijke gevallen in het algemeen vereist, en of in dat verband van belang is of de verkrijger wist, althans rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat aan de vervreemder onder eigendomsvoorbehoud was geleverd, brengen de eisen van de rechtszekerheid mee, en/of vereist het (maatschappelijk) belang van de bestrijding van de rechtens ongeoorloofde handel in tweedehands auto’s, dat in een geval als het onderhavige waarin het gaat om de handel in tweedehands auto’s en waarin vaststaat dat de eigenaar (in casu Coppes) alle kentekenbewijzen (en de reservesleutels) welbewust heeft behouden* [2] , de verkrijger, wil hij te goeder trouw zijn, ten tijde van de levering aan hem ten minste alle autopapieren (het kentekenbewijs en (thans, sinds 1–1–1997) het Overschrijvingsbewijs (destijds de kopie van deel III van het kentekenbewijs)) dient te onderzoeken — waarin besloten ligt dat deze autopapieren alsdan voorhanden (dienen te) zijn — en dat hij, zolang onderzoek van de autopapieren (zelve) onmogelijk is wegens het (beweerd) vermist of afwezig zijn van het kentekenbewijs en het Overschrijvingsbewijs (respectievelijk destijds: de kopie deel III), althans van het Overschrijvingsbewijs (respectievelijk destijds: de kopie deel III), zijn medewerking onthoudt aan de levering van de auto aan hem op straffe dat hij bij de verkrijging geacht moet worden niet te goeder trouw te zijn geweest in de zin van art. 3:86 BW en derhalve genoodzaakt kan worden de auto terug te geven aan de eigenaar. Dit wordt niet anders indien de eigenaar zijn bezit uit handen gegeven heeft met de toestemming of de bedoeling dat degene aan wie het bezit uit handen gegeven is, voor de auto een gegadigde zoekt of met een gegadigde een (obligatoire) overeenkomst van (door)verkoop sluit.
2.2
Althans is, zolang onderzoek van de autopapieren, althans van het Overdrachtsbewijs (respectievelijk destijds de kopie deel III) onmogelijk is wegens het (beweerd) ontbreken daarvan, voor de goede trouw van de verkrijger vereist dat deze, indien de vervreemder hem een ‘verklaring’ geeft voor het ontbreken van de autopapieren — zoals in casu de mededeling die X. op 13 augustus 2001 aan Van de Kolk zou hebben gedaan dat de eerste eigenaar het kentekenbewijs kwijt was en daarom een nieuw kentekenbewijs bij de RWD (Houder van het kentekenregister) had aangevraagd, doch ten tijde van de mededeling met vakantie was* [3] — (ten minste) nader onderzoek doet, in dier voege dat hij zich er deugdelijk van vergewist of deze verklaring juist is, althans kan zijn, en wel in beginsel door terzake navraag te (laten) doen bij, althans direkt of indirekt de bevestiging en/of bewijsstukken te verkrijgen van, degene die door de vervreemder als de (oorspronkelijke) eigenaar en/of als degene te wiens naam het kentekenbewijs deel II (nog) zou zijn gesteld, wordt aangewezen en/of bij de Houder van het kentekenregister, welk nader onderzoek zonder veel moeite kan geschieden en geen, althans geen rechtens relevante belemmering van het handelsverkeer oplevert.
Hetzelfde zal hebben te gelden indien kentekenbewijs deel II wel voorhanden is, doch bij onderzoek blijkt dat dit niet ten name van de vervreemder is gesteld.
In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat dergelijke navraag is gedaan vóór of uiterlijk ten tijde van de levering van de auto aan Van de Kolk op 17 augustus 2001; Van de Kolk heeft terzake volstaan met de stelling dat X. op de dag van aflevering aan Van de Kolk, tevens het rijbewijs van Van de Kolk kwam ophalen om de auto op naam van Van de Kolk te stellen en dat dat hem, Van de Kolk ‘niet bevreemde’* [4] . Het Hof heeft hieromtrent (dan ook) niet méér vastgesteld dan (in r.ov. 3.7) dat X. de auto op 17 augustus 2001 bij Van de Kolk heeft afgeleverd en dat hij bij die gelegenheid het rijbewijs van Van de Kolk heeft meegenomen voor overschrijving van het kentekenbewijs.
2.3
Althans geldt het gestelde onder 2.1 en/of 2.2 indien, zoals in casu, de eigenaar zijn bezit uit handen gegeven heeft in de uitoefening van zijn bedrijf.
III
Inleiding
3.0 Na (in r.ov. 4.4) te hebben overwogen dat en waarom naar ’s Hofs oordeel de door de HR in NJ 1986, 810 geformuleerde norm in het onderhavige geval niet van toepassing is, overweegt het Hof, in r.ovv. 4.5–4.8:
4.5
Uit de omstandigheid dat X. met toestemming van Coppes de Volvo onder zich had, met de bedoeling dat hij die auto aan iemand als Van de Kolk zou verkopen, volgt — uitgaande van een door Coppes tegenover X. bedongen eigendomsvoorbehoud — dat in het geval dat X. Van de Kolk juist en volledig zou hebben geïnformeerd over zijn rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes, voor de goede trouw van Van de Kolk zou hebben volstaan dat Van de Kolk geen reden had om te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van de koopovereenkomst tussen Coppes en X., anders gezegd dat Van de Kolk geen reden had om te betwijfelen dat X. aan Coppes de koopprijs van de Volvo zou voldoen. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1979, NJ 1980, 133, inzake Hoogovens/Matex. In het geval dat van een eigendomsvoorbehoud geen sprake is en de vorderingen van Coppes volgens zijn subsidiair standpunt op de grondslag van het recht van reclame dienen te worden beoordeeld, geldt in essentie dezelfde norm. In dat geval komt het er volgens artikel 7:42 Burgerlijk Wetboek immers op aan of Van de Kolk redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het recht van reclame zou worden uitgeoefend.
4.6
Van de Kolk heeft zich er op beroepen dat hij in bedoeld geval inderdaad te goeder trouw zou zijn geweest. Bij conclusie van antwoord onder 4.7 en 5.9 heeft Van de Kolk in dat verband aangevoerd dat hij per 13 augustus 2001 zelf aan X. een bedrag van Æ’ 57 750 had voldaan, zodat hij ervan kon uitgaan dat X. over voldoende liquide middelen beschikte om zijn schuld aan Coppes te voldoen. Voorts heeft Van de Kolk zich onder meer erop beroepen dat het bedrijf van X. als een bonafide garagebedrijf bekend stond en dat hij er meer dan twee weken over heeft gedaan om de auto te kopen en de Volvo al die tijd in de showroom van X. beschikbaar was.
4.7
Tegenover deze stellingen van Van de Kolk heeft Coppes onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat Van de Kolk — in het in onder 4.5 bedoelde geval — niet te goeder trouw zou zijn geweest. De omstandigheid dat Van de Kolk een groot deel van de koopprijs op aanwijzing van X. heeft overgemaakt op een bankrekening van diens vriend, doet — gelet op hetgeen Van de Kolk ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg onbetwist heeft aangevoerd over de achtergrond van die handelwijze, namelijk de mededeling van X. dat hij van Zetten naar Druten wilde verhuizen en dat hij in verband daarmee bezig was met het ‘overzetten van de bankrekeningen’ — niet af aan de goede trouw van Van de Kolk. Ook de hoogte van de koopprijs — die in ieder geval zodanig was, dat X. met de verkoop aan Van de Kolk een relevante winst realiseerde ten opzichte van de prijs die hij aan Coppes verschuldigd was — geeft geen aanleiding om aan de goede trouw van Van de Kolk te twijfelen. Ook ten aanzien van de reputatie van het bedrijf van X. heeft Coppes heeft concrete, voor Van de Kolk ten tijde van de levering van de Volvo kenbare, feiten of omstandigheden aangevoerd, die meebrengen dat van goede trouw geen sprake is.
4.8
De omstandigheid dat X. Van de Kolk — zoals uit diens stellingen volgt — niet juist en volledig heeft geïnformeerd over zijn, X.‘s, rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes, brengt niet mee dat Coppes zich alsnog op de door de Hoge Raad in de zaak Apon/Bisterbosch geformuleerde norm kan beroepen. Gelet op de strekking van die norm (hiervoor onder 4.4) is die norm hier immers niet van toepassing en kan Coppes zich dus ook niet op bedoelde omstandigheid beroepen.
Klachten
3.1
’s Hofs hiervoor, onder 3.0 weergegeven overwegingen zijn rechtens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aangezien het Hof enerzijds in r.ovv. 4.5–4.7, in verband met de (hypothetische) situatie dat X. Van de Kolk juist zóu hebben geïnformeerd over zijn rechten op de de Volvo en zijn relatie tot Coppes — van welke situatie ook het Hof blijkens zijn r.ov. 4.8, eerste zin, aanneemt dat die zich in werkelijkheid (nu juist) níet voordoet — uitgaat van toepasselijkheid van de in HR, NJ 1980, 133 ontwikkelde maatstaf, terwijl het anderzijds, in r.ov. 4.8, in verband met de situatie zoals die zich in werkelijkheid (wèl) voordoet, te weten dat X. Van de Kolk niet juist en volledig heeft geïnformeerd, in feite volstaat met de overweging, kort samengevat, dat dat verschil tussen de hypothetische en de werkelijke situatie niet rechtvaardigt om op de wèrkelijke situatie (toch) de maatstaf neergelegd in HR, NJ 1986, 810 toepasselijk te achten, zodat het Hof per saldo verzuimt om aan te geven welke maatstaf het op de werkelijke situatie dan wèl van toepassing acht.
3.2
Voorzover het Hof bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat het, óók voor de werkelijke situatie — dat wil zeggen dat X. Van de Kolk níet juist of volledig heeft geïnformeerd — de norm toepasselijk acht die naar zijn oordeel gegolden zóu hebben in het hypothetische geval waarin X. Van de Kolk wèl juist en volledig zou hebben geïnformeerd, te weten de norm dat Van de Kolk geen reden had om te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van de koopovereenkomst tussen Coppes en X., zijn ’s Hofs overwegingen rechtens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aangezien de aldus door het Hof toepasselijk geachte norm — die het oog heeft op gerechtvaardigd vertrouwen op de goede afwikkeling van ‘de voorschakel’ — naar haar aard geen toepassing kan vinden in de situatie — zoals die zich in feite voordoet — dat de verkrijger (juist) niet bekend is (gemaakt) met het bestaan van enigerlei ‘voorschakel’, terwijl deze norm, wanneer dit element wordt weggedacht, zelfstandige betekenis mist.
3.3
Voorzover het Hof bedoeld heeft aan te geven dat, nu zèlfs indien de verkrijger juist en volledig is geïnformeerd door de vervreemder, niet is uitgesloten dat de verkrijger onder omstandigheden te goeder trouw wordt geacht, zulks a fortiori zal hebben te gelden in een geval als het onderhavige, waarin de verkrijger in feite (nu juist) niet (juist en volledig) is geïnformeerd, zijn ’s Hofs overwegingen (evenzeer) rechtens onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aangezien de verkrijger alsdan niet steeds de goeder trouw zal zijn en het Hof niet duidelijk maakt wannéér naar zijn oordeel — in de werkelijke situatie, waarin de verkrijger niet juist en volledig geïnformeerd is — van goede trouw van de verkrijger sprake is.
3.4
Althans geven ’s Hofs hiervoor onder 3.0 weergegeven overwegingen en met name zijn overwegingen in r.ovv. 4.5–4.7, ook indien tot uitgangspunt zou dienen te worden genomen dat voor de goede trouw van Van de Kolk zou volstaan dat Van de Kolk geen reden had om te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van de koopovereenkomst tussen Coppes en X., blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om de verkoop en levering van een tweedehands auto, (ook) in de (hypothetische) situatie dat X. Van de Kolk juist en volledig geïnformeerd zou hebben over zijn rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes, Van de Kolk, (uiterlijk) ten tijde van de levering van de auto aan hem, de autopapieren, althans over het Overschrijvingsbewijs (destijds: kopie deel III van het kentekenbewijs) diende te (kunnen) onderzoeken, althans hij naar de juistheid van de mededelingen omtrent de autopapieren die hem in dit — hypothetische — geval door X. gedaan zouden zijn, (nader) onderzoek had dienen in te stellen, in beginsel door navraag te doen bij Coppes en/of de Houder van het kentekenregister, bij gebreke waarvan Van de kolk geacht moet worden reden te hebben gehad (gehouden) om te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van de koopovereenkomst tussen Coppes en X., een en ander (in beginsel) ongeacht de verdere feiten en omstandigheden van het geval, en om mutatis mutandis dezelfde redenen als hiervoor, onder 2.1 en 2.2 zijn omschreven.
3.5
In elk geval geeft de toetsing die het Hof in r.ovv. 4.6 + 4.7 uitvoert aan de maatstaf die het in r.ov. 4.5 heeft geformuleerd — te weten dat Van de Kolk geen reden had om te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van de koopovereenkomst tussen Coppes en X. —, (ook) voor het (hypothetische) geval waarin ervan uitgegaan wordt dat X. Van de Kolk juist en volledig zou hebben geïnformeerd over zijn rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes, blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is zij onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aangezien het Hof ten onrechte niet (kenbaar) in zijn overwegingen heeft betrokken de omstandigheid dat niet (gesteld of gebleken is dat) navraag is gedaan als hiervoor, onder 3.4 bedoeld, ter verificatie van de mededelingen die in dit (hypothetische) geval door X. zouden zijn gedaan, althans het Hof niet duidelijk maakt waaróm het aan deze omstandigheid (kennelijk) geen gewicht heeft toegekend. Dit klemt temeer nu zojuist bedoelde omstandigheid, gevoegd bij de door het Hof (in r.ov. 4.7) wèl (kenbaar) in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, en dan in het bijzonder de omstandigheid dat Van de Kolk op aanwijzing van X. een groot deel van de koopprijs heeft overgemaakt op de bankrekening van de vriendin van X., het oordeel dat (toch) sprake geweest is van goede trouw aan de zijde van Van de Kolk, niet aanstonds begrijpelijk doet zijn.
3.6
Voorts, danwel althans is ’s Hofs oordeel in r.ov. 4.5, i.f., geciteerd hiervoor, onder 3.0, dat in essentie dezelfde norm geldt indien de vorderingen van Coppes volgens zijn subsidiaire standpunt op de grondslag van het recht van reclame worden beoordeeld, rechtens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, voorzover het Hof daarmee aan de maatstaf van art. 7:42 BW, te weten of Van de Kolk redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het recht van reclame zou worden uitgeoefend, een andere uitleg zou geven dan overeenkomt met hetgeen hiervoor, onder 2.1 + 2.2, en voorts onder 3.4 + 3.5 is verdedigd voor een geval als het onderhavige en mutatis mutandis ook geldt bij de invulling en toepassing van de norm, neergelegd in art. 7:42 BW. Immers, in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om de verkoop en levering van een tweedehands auto, kan niet geoordeeld worden dat de ‘derde’ (de verkrijger) redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het recht van reclame zou worden uitgeoefend, indien niet vaststaat dat de verkrijger heeft voldaan aan de voor hem geldende onderzoeksplicht, die inhoudt dat hij (uiterlijk) ten tijde van de levering (ten minste) de autopapieren heeft onderzocht en/of in voorkomend geval nader onderzoek heeft ingesteld, en wel in beginsel door navraag te doen bij degene te wiens naam het kentekenbewijs deel II zou zijn, of blijkt te zijn, gesteld en/of bij de Houder van het kentekenregister.
Dit klemt nog temeer, indien, zoals in casu, de vervreemder de tweedehands auto in het kader van de uitoefening van zijn bedrijf verkoopt, aangezien van algemene bekendheid is dat, anders dan het geval is bij particuliere verkopers van tweedehands auto’s, handelaren in tweedehands auto’s deze doorgaans korte tijd tevoren zelf hebben (in)gekocht, zodat de verkrijger (in algemene zin) steeds bedacht zal dienen te zijn op de mogelijkheid van uitoefening van het recht van reclame door de verkoper (‘voorschakel’ van de vervreemder).
HOGE RAAD:
1 Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie — verder te noemen: Coppes — heeft bij exploot van 7 september 2001 onder anderen verweerder in cassatie — verder te noemen: Van de Kolk — gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en na wijziging en vermeerdering van eis, voor zover in cassatie van belang gevorderd:
1
Van de Kolk te bevelen en te veroordelen om de personenauto merk Volvo, type S80, met kenteken ZL-VJ-59, met toebehoren (sleutels e.d.) ter vrije beschikking te stellen van Coppes opdat zij zich het bezit daarvan kan verschaffen, zulks onder bepaling dat Van de Kolk ten gunste van Coppes een dwangsom zal verbeuren van € 350 per dag (met een maximum van € 12 500) dat hij met de nakoming van dat bevel in gebreke blijft vanaf de derde dag nadat het vonnis aan hem zal zijn betekend;
2
Aan Coppes machtiging te verlenen om zich in het bezit te stellen van de meergenoemde Volvo, waar nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, indien blijkt dat Van de Kolk weigerachtig zal zijn aan het bevel uit het te dezen tegen hem te wijzen vonnis te voldoen;
3
Van de Kolk te veroordelen tot betaling van het verschil tussen de in het ATS-systeem geregistreerde waarde van de Volvo op 2 oktober 2001, € 32 626,80 (ƒ 71 900), en die op de datum van vrijgave van de Volvo door Van de Kolk, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 oktober 2001, de datum dat het betreffende nadeel door Coppes in haar vermogen werd geleden;
4
Van de Kolk te veroordelen in de kosten van het geding, die van de beslaglegging en de liquidabele kosten van rechtsbijstand daaronder begrepen.
Van de Kolk heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 28 maart 2002 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 30 mei 2002 Coppes tot bewijslevering toegelaten. Bij eindvonnis van 14 november 2002 heeft de rechtbank de vorderingen van Coppes afgewezen
Tegen de drie vermelde vonnissen heeft Coppes hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 30 maart 2004 heeft het hof de drie bestreden vonnissen bekrachtigd.
(…)
2 Het geding in cassatie
(…)
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging, met verdere beslissingen als gebruikelijk.
3 Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
i
Coppes heeft aan X., handelende onder de naam ‘A.’, een gebruikte personenauto, merk Volvo met kenteken ZL-VJ-59, verkocht voor een koopprijs van ƒ 61 499,99. Het ging hierbij om een ‘collegiale verkoop’, wat inhield dat de verkoop geschiedde onder de voorwaarde van totstandkoming van ‘doorverkoop’.
ii
Omstreeks eind juli 2001 heeft X. de Volvo bij Coppes opgehaald. Het kentekenbewijs van de Volvo bleef bij Coppes. Nadat X. de Volvo enkele dagen later had teruggebracht heeft hij hem in de loop van augustus 2001 opnieuw bij Coppes opgehaald. Ook toen bleef het kentekenbewijs bij Coppes.
iii
Op 10 augustus 2001 heeft Coppes aan X. een factuur gezonden voor de Volvo, vermeldende onder meer:
Omschrijving
voor verkoop en levering van: personenauto’.
iv
In een koopcontract van 6 augustus 2001 is vermeld dat Van de Kolk de Volvo van X. heeft gekocht voor Æ’ 65 000, onder inruiling van zijn Ford Scorpio tegen betaling door X. van een inruilwaarde van Æ’ 7250.
v
Op 17 augustus 2001 heeft X. de Volvo bij Van de Kolk afgeleverd. Bij die gelegenheid heeft X. het rijbewijs van Van de Kolk meegenomen, voor de overschrijving van het kentekenbewijs.
vi
Op een factuur van X. aan Van de Kolk van 24 augustus 2001 ten bedrage van Æ’ 57 750 is handgeschreven vermeld dat op 10 augustus 2001 een bedrag van Æ’ 10 000 per kas is voldaan, en op 13 augustus 2001 een bedrag van Æ’ 47 750, eveneens per kas. Laatstgenoemd bedrag is feitelijk niet per kas voldaan maar, op aanwijzing van X., door Van de Kolk gestort op een bankrekening van de vriendin van X.
vii
X. heeft de koopprijs van Æ’ 61 499,99 niet aan Coppes voldaan. Eind augustus 2001 is hij toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
3.2
Aan haar hiervoor onder 1 vermelde vorderingen — kort gezegd: teruggave van de Volvo en schadevergoeding — heeft Coppes primair ten grondslag gelegd dat het meegeven van de Volvo aan X. uitsluitend een overdracht tot houderschap, dan wel een voorwaardelijke levering onder opschortende voorwaarde van betaling van de koopsom was en dat X. wanprestatie heeft gepleegd door de koopsom niet te voldoen, zodat (enerzijds) de koopovereenkomst ontbonden is en (anderzijds) niet geleverd is. Subsidiair heeft zij zich beroepen op het haar toekomende recht van reclame. De rechtbank, onder meer van oordeel dat de in het arrest van de Hoge Raad van 4 april 1986, nr. 12605, NJ 1986, 810 aanvaarde regel, luidende dat de koper van een tweedehands auto, om de bescherming van art. 3:86 BW te kunnen genieten ten minste het kentekenbewijs en de kopie deel III van het kentekenbewijs heeft onderzocht, niet geldt in een geval waarin van een keurig autobedrijf wordt gekocht en er geen redenen zijn om aan de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper te twijfelen, heeft de vorderingen afgewezen.
3.3
In hoger beroep heeft het hof, dat het primaire standpunt van Coppes aldus samenvatte dat de levering van de Volvo aan X. is geschied onder de opschortende voorwaarde van betaling van de koopprijs, dus onder eigendomsvoorbehoud, en dat zij zich subsidiair beriep op het recht van reclame, de grieven van Coppes verworpen: volgens het hof was Van de Kolk ten tijde van de aflevering van de Volvo op 17 augustus 2001 te goeder trouw in de zin van zowel art. 3:86 als art. 7:42 BW. Hetgeen het hof daartoe heeft overwogen kan, voor zover thans van belang, als volgt worden samengevat. De door de Hoge Raad in zijn arrest van 4 april 1986, nr. 12605, NJ 1986, 810 geformuleerde norm is niet van toepassing. Deze norm strekt immers tot bescherming van eigenaren die het bezit van hun auto door diefstal of verduistering hebben verloren, en van het een noch het ander is hier sprake (rov. 4.4). Uit de omstandigheid dat X. met toestemming van Coppes de Volvo onder zich had met de bedoeling dat hij die auto aan iemand als Van de Kolk zou verkopen, volgt — uitgaande van een door Coppes tegenover X. bedongen eigendomsvoorbehoud — dat in het geval dat X. Van de Kolk juist en volledig zou hebben geïnformeerd over zijn rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes, voor de goede trouw van Van de Kolk zou hebben volstaan dat hij geen reden had te betwijfelen dat X. aan Coppes de koopprijs van de Volvo zou voldoen (rov. 4.5). Coppes heeft onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat Van de Kolk — in het in rov. 4.5 bedoelde geval — niet te goeder trouw zou zijn geweest (rov. 4.7). Dat X. Van de Kolk niet volledig heeft geïnformeerd over zijn rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes brengt niet mee dat Coppes zich alsnog op de in genoemd arrest geformuleerde norm kan beroepen (rov. 4.8).
3.4
Onderdeel 2.1, dat de Hoge Raad eerst zal behandelen, klaagt terecht dat deze oordelen blijk geven van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in art. 3:86 BW. In het hiervoor genoemde arrest van 4 april 1986, dat betrekking heeft op het geval dat A een hem in eigendom toebehorende auto, alsmede de autopapieren met uitzondering van de kopie van deel III, vrijwillig meegeeft aan B, die de auto vervolgens verkoopt en levert aan C, die op zijn beurt verkoopt en levert aan D, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat — uitzonderingen daargelaten — de verkrijger van een tweedehands auto, wil hij ten tijde van zijn verkrijging te goeder trouw zijn, ten minste de autopapieren (het kentekenbewijs en de kopie van deel III van het kentekenbewijs) moet hebben onderzocht met het oog op de beschikkingsbevoegdheid van zijn voorman. Er bestaat geen grond deze regel (waarbij uiteraard de achtereenvolgende wijzigingen in art. 17 van het Kentekenreglement in aanmerking te nemen zijn) te beperken tot het — zich naar het in cassatie onbestreden oordeel van het hof hier niet voordoende — geval dat de eigenaar van de auto het bezit daarvan heeft verloren door diefstal dan wel verduistering.
3.5
De in 3.4 genoemde regel geldt ook indien, zoals hier subsidiair het geval is, de eigenaar/verkoper (Coppes) zich op het recht van reclame beroept en de in art. 7:42 lid 1 BW bedoelde derde (Van de Kolk) zich daartegen verweert met de stelling dat hij redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat dit recht zou worden uitgeoefend: bij de verkrijging van een tweedehands auto is voor het slagen van dat verweer evenzeer vereist dat — uitzonderingen daargelaten — de derde ten minste de autopapieren heeft onderzocht met het oog op de beschikkingsbevoegdheid van zijn voorman. Ook het hierop gerichte onderdeel 3.6 treft derhalve doel.
3.6
De overige onderdelen behoeven geen behandeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 30 maart 2004;
verwijst het geding naar het gerechtshof te ’s Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Van de Kolk in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Coppes begroot op € 1131,58 aan verschotten en € 2600 voor salaris.

Conclusie

A G mr. Huydecoper
FEITEN* [5] EN PROCESVERLOOP
1
De eiseres tot cassatie, Coppes, heeft aan X., exploitant van een autobedrijf, een gebruikte personenauto van het merk Volvo verkocht voor een koopprijs van ƒ 61 499,99, incl. BTW en BPM. Het ging hierbij om een zgn. ‘collegiale verkoop’, wat inhield dat de verkoop geschiedde onder de voorwaarde van totstandkoming van ‘doorverkoop’.
Eind juli of begin augustus 2001, op een vrijdag, heeft X. de Volvo bij Coppes opgehaald. Alle kentekenbewijzen van de Volvo bleven bij Coppes. De maandag daarna heeft X. de Volvo aan Coppes geretourneerd. Enige tijd later in augustus 2001 heeft X. de Volvo opnieuw bij Coppes opgehaald. Alle kentekenbewijzen bleven wederom bij Coppes. Op 10 augustus 2001 heeft Coppes aan X. een factuur gezonden voor de Volvo, waarop — onder meer — is vermeld:
Omschrijving
Voor verkoop en levering van: personenauto’.
In een koopcontract van 6 augustus 2001 is vermeld dat de verweerder in cassatie, Van de Kolk, de Volvo van X. heeft gekocht voor een ‘rijklaarprijs’ van ƒ 65 000 onder inruiling van zijn Ford Scorpio, tegen betaling door X. van een inruilwaarde van ƒ 7250.
Volgens een op 10 augustus 2001 gedateerde kwitantie heeft X. van Van de Kolk een aanbetaling op de Volvo ontvangen van Æ’ 10 000.
Op 17 augustus 2001 heeft X. de Volvo bij Van de Kolk afgeleverd. Bij die gelegenheid heeft X. het rijbewijs van Van de Kolk meegenomen, voor de overschrijving van het kentekenbewijs.
Op een factuur van X. aan Van de Kolk van 24 augustus 2001 ten bedrage van Æ’ 57 750 (koopsom van Æ’ 65 000; inruilwaarde van Æ’ 7250) is handgeschreven vermeld dat op 10 augustus 2001 een bedrag van Æ’ 10 000 per kas is voldaan, en op 13 augustus 2001 een bedrag van Æ’ 47 750 eveneens per kas. Laatstgenoemd bedrag is feitelijk niet per kas voldaan, maar is op aanwijzing van X. door Van de Kolk gestort op een bankrekening van de vriendin van X.
In een brief van 27 augustus 2001 aan zowel X. als Van de Kolk, heeft de raadsman van Coppes beiden gesommeerd om binnen twee dagen het door Coppes aan X. gefactureerde bedrag van Æ’ 61 499,99 aan Coppes te voldoen, bij gebreke waarvan Coppes in rechte teruggave van de auto zou vorderen.
X
heeft de hiervoor genoemde koopprijs van Æ’ 61 499,99 nimmer aan Coppes voldaan. Eind augustus 2001 is X. toegelaten tot de WSNP-regeling.
2
Coppes heeft in september 2001 beslag op de Volvo laten leggen en Van de Kolk gedagvaard* [6] . Zij vorderde — daar komt het op neer — dat de Volvo haar zou worden teruggegeven, en dat haar schade zou worden vergoed. Zij beriep zich daarbij op haar eigendomsrecht (dat niet door de transacties met X. zou zijn ‘aangetast’), althans op het recht van reclame. Van de Kolk voerde verweer met een betoog dat er, voorzover in cassatie van belang, toe strekte dat hij bij de verkrijging van de Volvo te goeder trouw was, en dat hem dus een beroep toekwam op art. 3:86 lid 1 BW en/of art. 7:42 lid 1 BW.
3
Coppes vorderingen werden in de eerste aanleg afgewezen, na verwikkelingen die voor de beoordeling in cassatie niet terzake doen.
In het namens Coppes ingestelde appel honoreerde het hof het beroep van Van de Kolk op de bescherming van de art. 3:86 dan wel 7:42 BW, omdat het oordeelde dat Van de Kolk inderdaad als verkrijger te goeder trouw mocht worden aangemerkt. Ik geef de belangrijkste overwegingen van het hof hieronder weer:
4.4
Naar het oordeel van het hof is de door de Hoge Raad in de zaak Apon/Bisterbosch geformuleerde norm evenwel om een andere reden niet van toepassing. De strekking van bedoelde norm is de bescherming van eigenaren die het bezit van hun auto door diefstal of verduistering hebben verloren. Volgens het eigen standpunt van Coppes was geen sprake van (diefstal of) verduistering en mocht X. — in zijn relatie tot Coppes — de Volvo aan iemand als Van de Kolk verkopen, dat wil zeggen zich verplichten tot levering van de onbezwaarde eigendom van die auto (conclusie van repliek onder 8). Dat Coppes aan Van de Kolk (herhaaldelijk) de feitelijke macht over de Volvo verschafte, had klaarblijkelijk ook als bedoeling om een zodanige verkoop te bevorderen.
4.5
Uit de omstandigheid dat X. met toestemming van Coppes de Volvo onder zich had, met de bedoeling dat hij die auto aan iemand als Van de Kolk zou verkopen, volgt — uitgaande van een door Coppes tegenover X. bedongen eigendomsvoorbehoud — dat in het geval dat X. Van de Kolk juist en volledig zou hebben geïnformeerd over zijn rechten op de Volvo en zijn relatie tot Coppes, voor de goede trouw van Van de Kolk zou hebben volstaan dat Van de Kolk geen reden had om te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van een koopovereenkomst tussen Coppes en X., anders gezegd dat Van de Kolk geen reden had om te betwijfelen dat X. aan Coppes de koopprijs van de Volvo zou voldoen. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1979, NJ 1980, 133, inzake Hoogovens/Matex. In het geval dat van een eigendomsvoorbehoud geen sprake is en de vorderingen van Coppes volgens zijn subsidiair standpunt op de grondslag van het recht van reclame dienen te worden beoordeeld, geldt in essentie dezelfde norm. In dat geval komt het er volgens art. 7:42 Burgerlijk Wetboek immers op aan of Van de Kolk redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het recht van reclame zou worden uitgeoefend.
4
Namens Coppes is tijdig* [7] en regelmatig cassatieberoep ingesteld. Van de kant van Van de Kolk is geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk laten toelichten. Namens Van de Kolk is gedupliceerd.
IETS OVER DE TOEPASSELIJKE RECHTSLEER
5
Een centrale plaats in het debat (en de beoordeling) in de feitelijke instanties is weggelegd voor het leerstuk van de bescherming van verkrijgers te goeder trouw van roerende zaken, en dan speciaal: de beoordeling van het gegeven ‘goede trouw’ uit dat leerstuk. Ook in cassatie is dat het gegeven, waarop het debat zich concentreert.
Daarbij is — en ook dit geldt zowel voor de feitelijke instanties als voor het debat in cassatie — uitvoerig aan de orde geweest, hoe de Hoge Raad dit gegeven — de goede trouw van de verkrijger van, met name, een tweedehands auto — heeft beoordeeld in het arrest HR 4 april 1986, NJ 1986, 810 m.nt. WMK (Apon/Bisterbosch), rov. 3; en of de in dat arrest aan dit begrip gegeven uitleg ook voor de onderhavige zaak als richtinggevend mocht worden aangemerkt. Zoals uit de zojuist in alinea 3 aangehaalde overwegingen van het hof blijkt, heeft het hof aangenomen dat dat laatste niet het geval was, en dat voor de beoordeling van de goede trouw van Van de Kolk een minder stringente norm, overeenkomend met overwegingen uit het arrest HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133 m.nt. WMK (Hoogovens/Matex), voor toepassing in aanmerking kwam. Belangrijkste thema van het cassatiemiddel is, of het hof daarmee de juiste maatstaven heeft aangelegd (het middel betoogt, naar men zal begrijpen, dat dat niet zo is). Die vraag moet, denk ik, ook het zwaartepunt vormen van de in deze conclusie te geven beoordeling.
6
Als invalshoek voor de bespreking van die vraag kies ik het commentaar op het arrest Apon/Bisterbosch uit Ars Aequi* [8] . In dat commentaar slaat de schrijver, Nieuwenhuis, denk ik, de spijker op de kop: het gaat erom, een redelijk evenwicht te vinden tussen de twee (voornaamste) motieven die aan de regel van art. 3:86 BW ten grondslag liggen* [9] . Als zodanig identificeert Nieuwenhuis het verkeersbelang, dat zich verzet tegen tijdrovend en kostbaar onderzoek daar waar er op het eerste gezicht geen reden is om te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder, aan de ene kant; en het argument dat hij aanduidt met het trefwoord ‘misdaadbestrijding’* [10] , aan de andere kant.
7
Daarbij dekt, denk ik, het door Nieuwenhuis bedoelde ‘verkeersbelang’ de lading overigens maar ten dele.
Het gaat hier om één van de manifestaties van het verschijnsel dat de deelnemer aan het rechtsverkeer die te goeder trouw afging op een schijnbaar aanwezige rechtstoestand (en aan wie dus niet valt toe te rekenen dat hij niet heeft bemerkt dat de zaken in werkelijkheid anders waren), vaak verdient te worden beschermd in het vertrouwen dat hij daarbij aan de dag legde.
Dat dat — vaak — zo is, komt inderdaad voor een belangrijk deel omdat het verkeersbelang dat eist; maar voor een ander deel is dat zo, omdat de andere uitkomst niet met de billijkheid zou stroken. Dat (laatste) is dan met name het geval, wanneer het feit dat zich een misleidende schijn voordeed, eerder moet worden toegerekend aan de wederpartij van degeen die in vertrouwen op de schijn is afgegaan, dan aan die persoon zelf. Dát verklaart waarom aan de bescherming van degeen die in goed vertrouwen op een valse schijn afging, meestal een tweeledige voorwaarde wordt gesteld: aan de betrokkene moet zelf niets zijn te verwijten (oftewel: hij moet ‘te goeder trouw’ zijn); en aan de andere partij moet het feit dat er een valse schijn kon ontstaan wèl zijn te verwijten, of zijn toe te rekenen.
8
Op die twee pijlers berust de aansprakelijkheid van degene die een onjuist begrepen verklaring deed waarop een ander in goed vertrouwen is afgegaan (art. 3:35 en 3:36 BW), en van degene die de schijn in het leven heeft geroepen dat een ander met zijn volmacht handelde (art. 3:61 BW). De gebondenheid wordt dan zowel door het verkeersbelang aangedrongen, dat eist dat men zonder tot onevenredige naspeuring, bevestiging en controle gehouden te zijn, mag afgaan op wat men waarneemt en verneemt; alsook door de billijkheid, omdat de toerekeningsfactoren aandringen dat het (eventuele) nadeel niet bij de in vertrouwen handelende partij mag worden ‘geplaatst’, maar thuishoort bij de wederpartij aan wie toerekenbaar is, dat een valse schijn was ontstaan en/of is blijven bestaan.
9
Ook de bescherming van de verkrijger van een niet-registergoed uit handen van een beschikkingsonbevoegde berust op die tweeledige grondslag: aan de ene kant de eis van het verkeer, dat men van verkrijgers geen al te belastend onderzoek mag verlangen, en aan de andere kant het gegeven dat de bescherming waarin, in het bijzonder, art. 3:86 BW voorziet, vooral daar effect heeft waar de rechthebbende wiens belangen tegenover die van de derde-verkrijger staan, het goed in kwestie door eigen toedoen of nalaten in handen van een onbevoegde heeft laten raken. Waar dat niet het geval is — met name: wanneer het goed als gevolg van diefstal in handen van een onbevoegde is geraakt — vervalt de bescherming die art. 3:86 BW de bonafide verkrijger biedt, weer grotendeels.
10
Ofschoon de bescherming van de derde-te-goeder-trouw waarin de wet in een aantal varianten voorziet, telkens op de twee zojuist aangeduide pijlers berust, is de afweging tussen de in geding zijnde belangen niet steeds dezelfde. Men kan dat ook begrijpen: het verkeersbelang kan in sommige verhoudingen op méér voorrang aanspraak maken dan in andere, en de bescherming van de bonafide derde ten nadele van diens wederpartij is niet in elke rechtsverhouding in dezelfde mate te billijken.
Dat verklaart, denk ik, waarom bescherming van het vertrouwen op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van art. 3:61 lid 2 BW spoedig pleegt te worden aanvaard* [11] ; terwijl bescherming van (ook bona fide) derden-verkrijgers van gestolen goed niet wordt aanvaard, zelfs niet als de oorspronkelijke rechthebbende in min of meer ernstige mate schuld heeft aan het feit dat de goederen in kwestie gestolen konden worden* [12] . In het eerste geval — bescherming in geval van onbevoegde vertegenwoordiging — krijgen de factoren ‘verkeersbelang’ en billijkheid ten opzichte van de partij die op de gewekte schijn vertrouwde, licht de voorrang, vermoedelijk ook omdat in de hier te beoordelen verhoudingen vaak sprake is van min of meer zwaarwegende factoren die toerekening aan de ‘pseudo-principaal’ aandringen. (Uiteindelijk heeft de ‘pseudo-principaal’ immers in verreweg de meeste gevallen bewerkstelligd, of op zijn minst willens en wetens laten passeren, dat de onbevoegde vertegenwoordiger zich in een positie bevond waardoor schijn van bevoegdheid kon worden opgeroepen.)
In het tweede geval, (bona fide) verkrijging van gestolen goed, legt alleen al de andere door Nieuwenhuis genoemde factor — misdaadbestrijding — het nodige gewicht in de andere schaal.
11
Er is nog een tweede afweging die in dit verband de aandacht verdient: in het recht wordt voortdurend gezocht naar evenwicht tussen het hanteren van heldere, praktisch werkbare regels aan de ene kant, en het vinden van de oplossing die het best recht doet aan de altijd weer wisselende omstandigheden van het concrete geval, anderzijds.
De regels die in dit verband aan de orde komen, berusten niet zelden op een — in abstracto gemaakte — afweging van een aantal ieder voor zich legitieme, maar onderling onverenigbare belangen. De regel houdt dan in, dat een keuze wordt gemaakt voor honorering van het ene belang ten koste van het andere; en dat brengt als vanzelf mee dat de uitkomst waartoe de regel leidt als onbillijk wordt ervaren, wanneer men het belang dat niet werd gehonoreerd juist op de voorgrond plaatst. Men ziet dat natuurlijk vooral daar, waar de belangen aan weerszijden elkaar in een nagenoeg zuiver evenwicht hielden (en dus niet de belangen aan één kant duidelijk prevaleerden): juist dan komt men er licht toe, de afweging telkens weer ter discussie te stellen, of op z’n minst: onvrede te voelen vanwege het (toch ook legitieme en honorabele) belang dat telkens het onderspit delft.
12
Als van verschillende (vrijwel) gelijkwaardige en ieder voor zich honorabele, maar met elkaar onverenigbare belangen, ingevolge een door zo’n afweging verkregen regel het ene belang (telkens) moet worden gehonoreerd (en het andere dus niet), is de uitkomst ten opzichte van het belang dat géén voorrang krijgt, ook naar zijn aard onbevredigend. Vanwege de onvrede die het tekort doen aan het ‘verliezende’ belang, en de daardoor verkregen uitkomst in een bepaald concreet geval kan oproepen, bestaat er een begrijpelijke neiging om, in gevallen waarin er voor onvrede gereder aanleiding bestaat, te gaan zoeken naar (billijkheids)argumenten die afwijking van de regel (of ‘verbijzondering’ daarvan) kunnen rechtvaardigen.
Daarvoor kunnen goede gronden bestaan — maar meer dan eens ziet men toch dat langs deze weg in wezen een heroverweging wordt bepleit van de regel zelf — omdat men nu eenmaal over de afweging van belangen waarvan die regel de resultante is (gemakkelijk) verschillend kan denken. Daarmee geeft men dan de verworvenheid van een door zorgvuldige afweging verkregen ‘vaste’ regel voor een belangrijk deel prijs; en geeft men voorrang aan de optie van een van geval tot geval op de specifieke omstandigheden daarvan georiënteerde (maar daardoor ongewisse en onbetrouwbare* [13] ) beoordeling.
13
De rechtspraak betreffende verkrijging van auto’s van onbevoegde vervreemders illustreert wat ik zojuist besprak. Aan de ene kant staat dan een (particuliere) koper, die ernstig gedupeerd dreigt te worden doordat hij de auto die hij kocht van iemand die achteraf niet te vertrouwen blijkt (en onder omstandigheden die misschien menigeen ertoe zouden hebben gebracht, de ander ten onrechte vertrouwen te schenken), moet afgeven zonder noemenswaardige kans op het terugkrijgen van de reeds betaalde prijs. Daartegenover staat de eigenaar aan wie de auto onrechtmatig is ontnomen, óók onder omstandigheden waarvoor vaak geldt: dat zou iedereen kunnen overkomen.
Welke oplossing men in zulke gevallen ook kiest, één van de betrokkenen wordt ernstig gedupeerd — en voor beide geldt dat de manier waarop zij zich hebben gedragen of opgesteld, heel begrijpelijk is, en in maatschappelijk opzicht ook zeker niet ontoelaatbaar is. Hetzelfde zou, zoals ik al aanstipte, velen van ons in vergelijkbare omstandigheden ook (kunnen) overkomen.
14
Toch staat het recht voor de taak om in zulke gevallen de knoop door te hakken — en bij voorkeur om daarvoor een begrijpelijke én een praktisch hanteerbare regel te geven.
Voor het geval dat in deze zaak moet worden beoordeeld is dat, zoals de hierna aan te geven rechtsleer laat zien, ook daadwerkelijk gebeurd: er is afgewogen, en op begrijpelijke gronden gekozen voor honorering van het belang van de oorspronkelijke eigenaar van het onbevoegdelijk vervreemde goed — zelfs als die zich minder dan maximaal behoedzaam heeft gedragen* [14] — tenzij de verkrijger alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat hij onder invloed van een verkeerde voorstelling van zaken handelde* [15] .
Daarbij is er natuurlijk niet aan voorbij gezien dat deze keus ertoe leidt dat in sommige gevallen een (particuliere) koper die (weliswaar niet de maximale behoedzaamheid heeft betracht, maar die) zich op een begrijpelijke en in het maatschappelijk verkeer ook geenszins onaanvaardbare wijze heeft opgesteld en gedragen, ernstig wordt gedupeerd — dat was juist het belang dat in deze verhouding tegen het belang van de eigenaar moest worden afgewogen* [16] .
15
Voor het geval dat hier aan de orde is, namelijk vervreemding/verkrijging van een (gebruikte) auto, is de van de verkrijger te vergen zorg/behoedzaamheid in dit opzicht nader gepreciseerd, dat deze moet nagaan of de kentekendocumentatie bij de auto aanleiding geeft tot twijfel over de bevoegdheid van de wederpartij (en als dat het geval is, natuurlijk moet nagaan of die twijfel al-dan-niet gerechtvaardigd is). Deze precisering lijkt mij al daarom begrijpelijk, omdat de kentekendocumentatie bij een auto er mede op is gericht, het onbevoegdelijk beschikken over auto’s te bemoeilijken* [17] . Wie zich een auto verschaft en daarbij voorbij gaat aan de aanwijzingen die uit de kentekendocumentatie kunnen blijken, stelt zich daarmee bloot aan de risico’s, op het beperken waarvan deze documentatie nu juist (mede) is toegesneden. Hoezeer men ook begrip kan opbrengen voor wie zo handelt — en ik zei al: iets dergelijks kan menigeen overkomen —, dat handelen kan dan toch bezwaarlijk worden aangemerkt als strokend met de in de gegeven omstandigheden te vergen behoedzaamheid.
16
In de conclusie voor HR 11 oktober 2002, NJ 2003, 399 m.nt. WMK (in alinea’s 11–13) wordt een overzicht van de literatuur en rechtspraak over het onderwerp gegeven* [18] . Daaruit blijkt een grote mate van eenstemmigheid over de in de vorige alinea omschreven norm: de koper/verkrijger van een (gebruikte) auto die nalaat zich ervan te vergewissen of de kentekendocumentatie aanwijzingen inhoudt die twijfel aan de bevoegdheid van de vervreemder (kunnen) oproepen, betracht niet de zorgvuldigheid die verlangd mag worden, wil hij zich op goede trouw kunnen beroepen. In het licht van het hiervóór besprokene zal wel duidelijk zijn geworden dat ik mij bij die leer aansluit — het valt moeilijk in te zien hoe men anders zou kunnen menen* [19] .
17
Het hof heeft echter in deze zaak anders gemeend. Dat was intussen niet, omdat het hof de in alinea’s 14 en 15 besproken regels zelf afwees; maar het hof zag termen om die regels in de omstandigheden van deze zaak te ‘verbijzonderen’.
Ik begrijp de beslissing van het hof zo, dat ‘verbijzondering’ om twee in elkaars verlengde liggende redenen gerechtvaardigd was. In de eerste plaats zouden de te onderzoeken regels vooral zien op gevallen waarin de zaak (de auto) als gevolg van verduistering uit handen van de oorspronkelijke eigenaar was geraakt; en waar dat niet het geval is (en meer speciaal: waar de eigenaar de auto met het oog op verkoop daarvan aan een ander had afgestaan), zou de onderzoeksplicht ten aanzien van kentekenpapieren niet gelden, en zou voldoende zijn dat de verkrijger geen reden had om te betwijfelen dat de relatie tussen de verkoper en de eigenaar ordentelijk was afgewikkeld, of ordentelijk zou worden afgewikkeld* [20] .
18
Dat is in de voorafgaande beschouwingen al een beetje ‘doorgeschemerd’ — maar mij lijken dit niet voldoende klemmende gronden om op de eerder bedoelde ‘hoofdregel’ (die, zoals al aangegeven, op een aantal zeer begrijpelijke uitgangspunten berust) een uitzondering te aanvaarden. Ter nadere toelichting:
a
In de eerste plaats betreffen de regels van derdenbescherming bij verkrijging van een onbevoegde, die wij hier onderzoeken, gevallen waarin de oorspronkelijke eigenaar vrijwillig (het voorwerp van) zijn eigendom aan een ander heeft afgestaan (‘vrijwillig bezitsverlies’)* [21] . Die regels onderscheiden niet naar gelang vervolgens van verduistering (of van andere strafbare feiten) sprake is, of niet. Voor het maken van dat onderscheid zie ik ook geen goede grond: of een onbevoegde vervreemder (of diens ‘voorman’) zich nu schuldig maakt aan verduistering in de zin van art. 321 Sr of aan enig ander delict (men is in dit verband geneigd te denken aan delicten als bedrog en faillissementsfraude), dan wel of hij zich ‘slechts’ schuldig maakt aan (ernstige) contractbreuk ten nadele van zijn ‘voorman’, maakt geen (doorslaggevend) verschil. De aangeduide verschijnselen zijn in een (voldoende) vergelijkbare mate maatschappelijk ongewenst en laakbaar, om aan te nemen dat het recht de benadeelde daartegen met dezelfde norm in bescherming neemt. Voor de vraag of men aan de oorspronkelijke eigenaar zelf mag toerekenen dat (hij het aan zichzelf te wijten heeft dat) hij zijn bezit in handen van een niet te vertrouwen derde heeft laten raken (aangenomen dat die vraag terzake doet, wat men in het licht van de in voetnoot 9 genoemde rechtspraak kan betwijfelen), maakt het ook geen verschil of de trouweloze ‘tussenpersoon’ nu strafbaar of alleen maar anderszins laakbaar te werk gaat.
Daarom zie ik geen reden om aan te nemen dat voor de door Nieuwenhuis genoemde ‘misdaadbestrijding’ andere regels gelden dan voor de bestrijding van ander, maatschappelijk niet of nauwelijks minder afkeurenswaardig gedrag.
b
‘Spiegelbeeldig’ kan ik ook niet inzien waarom de zorgvuldigheid die men van een verkrijger mag verlangen wijziging zou ondergaan, al naar gelang het gedrag aan de kant van de onbevoegde vervreemder meer of minder laakbaar is. De mate van zorgvuldigheid die men als verkrijger van een (gebruikte) auto moet betrachten hangt wel af van de omstandigheden — maar het gaat dan om de omstandigheden die van betekenis zijn voor de mate waarin twijfel gerechtvaardigd of geboden is. Daartoe behoort de laakbaarheid van het gedrag van de onbevoegde vervreemder niet: de argeloze verkrijger realiseert zich naar de aard der dingen hoe dan ook niet, dat de onbevoegde vervreemder zijn boekje te buiten gaat, laat staan: in welk opzicht dat het geval is. Hij kan hoogstens aanwijzingen hebben dat er ‘iets’ niet klopt. Voor de vraag of de aanwijzingen (voldoende) reden voor twijfel opleveren lijkt mij irrelevant, wat de precieze aard van het onjuiste gedrag van de onbevoegde vervreemder uiteindelijk blijkt te zijn, en of dat al-dan-niet als strafbaar heeft te gelden.
c
Tenslotte: ofschoon van minder gewicht dan de eerder besproken bedenkingen, meen ik dat ook de praktische hanteerbaarheid en de ‘werkbaarheid’ van de regel die men aanvaardt, van belang is/zijn. De nuancering die het hof in dit verband heeft aangebracht beantwoordt niet aan die desiderata. Moet er sprake zijn van ‘verduistering’ in strafrechtelijke zin, wil (volgens het hof) de regel uit het arrest Apon/Bisterbosch onverkort opgeld doen, of geldt dat ook als er andere strafbare feiten (hiervóór heb ik al op een aantal denkbare varianten gezinspeeld) hebben plaatsgevonden? Zo ja, moeten de strafbare feiten dan ten opzichte van de oorspronkelijke eigenaar zijn gepleegd, of kan dat ook de argeloze koper en/of een van de ‘tussenschakels’ zijn geweest? Welke regel geldt in het (voor de praktijk niet irrelevante) geval, dat achteraf niet precies kan worden vastgesteld welke onjuiste gedragswijze er in de ‘tussenschakels’ in praktijk is gebracht; en welke partij heeft in geval van meningsverschil hierover de stelplicht en bewijslast (ik merk in dit verband op dat als hoofdregel geldt dat de eiser — meestal: de oorspronkelijke eigenaar — moet stellen en bij betwisting bewijzen (feiten die meebrengen) dat de verkrijger niet te goeder trouw was* [22] )?
19
Bovendien denk ik dat tegen het tweede element dat ik in de gedachtegang van het hof aanwezig heb verondersteld, vergelijkbare bedenkingen moeten worden ingebracht.
Het gaat dan om de gedachte dat (aangenomen dat in die gevallen waarin de ‘tussenpersoon’ de bevoegdheid had te verkopen, en alleen diens bevoegdheid tot levering aan beperkingen was onderworpen, de leer uit het arrest Apon/Bisterbosch geen opgeld doet), voor het aannemen van goede trouw aan de kant van de verkrijger voldoende is dat deze geen reden had om te betwijfelen dat de rechtsverhouding tussen zijn wederpartij en diens voorman(nen) correct was afgewikkeld of (alsnog) zou worden afgewikkeld; én dat dat laatste in een geval als het onderhavige moet worden aangenomen.
20
Ik denk namelijk dat in dit verband, het feit dat de verkoper niet kan beschikken over deugdelijke kentekendocumentatie in dezelfde mate als hiervóór in ander verband besproken, moet worden opgevat als aanwijzing dat er reden voor twijfel is betreffende datgene waarop men (als bona fide verkrijger) mag vertrouwen.
Ik gaf hiervóór al aan dat de argeloze koper naar de aard der dingen nooit beseft dát er iets aan de beschikkingsbevoegdheid van zijn ‘leverancier’ schort, en dus al helemaal niet beseft wàt er in dat opzicht precies ontbreekt (ware dat anders, dan zou natuurlijk van goede trouw geen sprake zijn, maar zou de koper ook gewoonlijk (als hij geen heler is) van de transactie afzien).
Bij die stand van zaken zie ik niet in dat men wèl gehouden zou zijn zich van de deugdelijkheid van de kentekenpapieren te vergewissen als (achteraf) blijkt dat in de voorstadia strafbare feiten hebben plaatsgevonden; maar dat als — achteraf — blijkt dat er een niet-strafbare reden voor de onbevoegdheid van de leverancier was, het ontbreken van die papieren geen beletsel oplevert voor het mogen vertrouwen dat — daar komt het op neer — met die niet-strafbare reden geen rekening hoeft te worden gehouden.
Ook hier geldt dat er een onderscheid wordt gemaakt, waarvoor ik geen deugdelijke basis zie. Ook in de door het hof gevolgde hypothese dat de ‘tussenschakel’ X. Van de Kolk deugdelijk had ingelicht over zijn relatie tot Coppes, vormde het feit dat X. niet over de kentekenpapieren beschikte een aanwijzing dat niet zonder meer op zijn, X.‘s, bevoegdheid mocht worden vertrouwd. Volgens mij weegt die aanwijzing in dit verband niet wezenlijk minder, dan wanneer er achteraf andere oorzaken voor de onbevoegdheid van X. zouden zijn gebleken* [23] .
21
Het zojuist gezegde geldt, mutatis mutandis, ook voor het namens Coppes gedane beroep op het recht van reclame.
Ik aanvaard, dat de (particuliere) koper die een roerende zaak uit handen van een professionele verkoper ontvangt, in het algemeen geen rekening hoeft te houden met de mogelijkheid van uitoefening van het reclamerecht — maar als het om een (gebruikte) auto gaat en de kentekenpapieren niet getoond kunnen worden, valt niet in te zien dat de koper, als achteraf blijkt dat de vervreemder wel onbevoegd was maar dat daarbij geen verduistering in het spel was, staande kan houden dat hij (dan) niet op de mogelijkheid van de uitoefening van reclamerecht bedacht hoefde te zijn.
Ook hier geldt weer, dat de koper door het ontbreken van de kentekendocumentatie rechtens moest betwijfelen of alles wel in orde was. Aan zaken als de onderhavige is inherent dat de tot twijfel gehouden koper niet kan bevroeden wát er precies verkeerd zou (kunnen) zijn. Dan zie ik, ook in deze context, niet in dat het van de achteraf blijkende oorzaak van onbevoegdheid of ondeugdelijkheid van de transactie anderszins afhankelijk zou (kunnen) zijn, of de koper die moest twijfelen of alles wel in orde was, nu ten aanzien van de ene oorzaak wèl, maar ten aanzien van een (iets) andere oorzaak niet zou mogen worden aangemerkt als ‘niet-te-goeder-trouw’ — terwijl hij onmogelijk kan hebben vermoed, welke van de diverse denkbare oorzaken van onbevoegdheid e.a. achter de in het gegeven geval bestaande ruimte voor twijfel ‘schuil ging’.
22
De zojuist opgesomde bedenkingen brengen mij ertoe, te vermoeden dat het hof datgene heeft gedaan wat ik in alinea’s 11 en 12 hiervóór weergaf: onder de indruk van de pijnlijke consequenties die in een geval als het onderhavige voor de (particuliere) verkrijger voortvloeien uit de eerder beschreven rechtsleer betreffende de goede trouw van de verkrijger van een (gebruikte) auto, zoeken naar argumenten die ruimte voor ‘verbijzondering’ bieden — maar daarbij in wezen afdingen op de aan de hoofdregel ten grondslag liggende afweging. Men kan voor de rechters die zo te werk gaan zowel begrip als sympathie ervaren; maar de op zo’n manier verkregen uitkomst behoort toch niet te worden aanvaard.
BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL
23
Dat ik het cassatiemiddel als gegrond beoordeel, is een onvermijdelijke uitkomst van het voorafgaande. Niettemin een korte bespreking van de individuele klachten:
—
De eerste klacht, neergelegd in onderdeel 1.1, strekt ertoe dat het hof één van de varianten waarin Coppes zich erop had beroepen dat de eigendom van de Volvo bij haar, Coppes, was verbleven, niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Die klacht lijkt mij niet gegrond. Het hof is in rov. 4.5 — zie alinea 3 hiervóór — uitgegaan van een door Coppes bedongen eigendomsvoorbehoud. Ik begrijp dit zo, dat het hof daarmee de verschillende varianten heeft willen aanduiden waarmee Coppes haar beroep op de bij haar verbleven eigendom heeft onderbouwd, en ook de variant waarop het middelonderdeel doelt. Ten overvloede: ik denk bovendien dat het voor de inhoudelijke beoordeling geen verschil maakt, op welke manier Coppes zich de eigendom zou hebben voorbehouden; zodat, als het hof Coppes beroep op eigendom terecht zou blijken te hebben verworpen, Coppes geen belang heeft bij de klacht dat (andere) variaties op dit thema niet zijn onderzocht: ook die variaties zouden dan geen succes kunnen hebben.
—
Onderdeel 2 van het middel houdt in subonderdeel 2.1 de meest directe klacht in tegen de wijze waarop het hof aan de leer uit het arrest Apon/Bisterbosch toepassing heeft gegeven. Nu hiervóór uitgebreid is besproken dat ik de daar verdedigde zienswijze deel, (en waarom), zie ik hier van verder commentaar af.
Onderdeel 2.2, dat verschillende bijzondere varianten van de onderzoeksplicht van de verkrijger aandringt, behoeft dan geen bespreking; ik teken intussen aan dat de eerste daar genoemde variant (als de kentekendocumentatie, c.q. het ontbreken daarvan, tot twijfel aanleiding geeft is de verkrijger tot nader onderzoek gehouden) mij juist lijkt* [24] . De stelling van onderdeel 2.3, voorzover die ertoe strekt dat de in de uitoefening van een bedrijf handelende partij op sterkere bescherming (als eigenaar) aanspraak zou kunnen maken dan andere rechtsgenoten, lijkt mij niet aanvaardbaar — ik zou denken dat als vuistregel veeleer het omgekeerde geldt.
—
Van middelonderdeel 3 betreffen de subonderdelen 3.4–3.6 de in alinea’s 19–21 hiervóór besproken materie; en om de daar besproken redenen acht ik de centrale klacht van deze onderdelen gegrond. Kort gezegd: (ook) als een koper correct is geïnformeerd omtrent het feit dat hij koopt van een (professionele) handelaar die niet eigenaar is, c.q. jegens wie nog een beroep op het recht van reclame mogelijk is, geldt dat het feit dat er geen kentekendocumentatie kan worden getoond, die koper reden behoort te geven voor twijfel, en dat die daarom de beschikkingsbevoegdheid van de leverancier nader zal moeten onderzoeken.
De motiveringsklacht(en) van deze onderdelen behoeft/behoeven dan geen uitgebreid onderzoek; maar wat betreft subonderdeel 3.5 (slot): het feit dat X. Van de Kolk gevraagd zou hebben om het grootste deel van de koopprijs niet op de bankrekening van zijn, X.‘s, bedrijf te betalen maar op een rekening van zijn vriendin, is ook naar mijn mening een reden (te meer) om de beslissing van het hof als onhoudbaar te beoordelen: zeker als zich, naast het ontbreken van kentekendocumentatie, een dergelijke buitenissigheid voordoet, moet dat de koper aanleiding zijn voor twijfel en voor nadere recherche. Ook mij lijkt het (bij gebreke van overigens dragende gronden) onvoldoende begrijpelijk, dat dat anders zou kunnen worden beoordeeld.
—
De subonderdelen 3.1–3.3 hoeven, als de Hoge Raad mijn hiervóór verdedigde opvatting in een of meer opzichten zou delen, geen bespreking. Volledigheidshalve vermeld ik niettemin, dat ik meega in de gedachte dat er verschil zou moeten worden gemaakt tussen de onderzoeksplicht die op Van de Kolk rustte toen hij — na door X. leugenachtig te zijn ingelicht — kon constateren dat er geen kentekendocumentatie was, en de onderzoeksplicht die bestaan zou hebben als X. geen verkeerde voorstelling van zaken had gegeven. De vraag of er reden is voor twijfel is immers nauw met de (in werkelijkheid aanwezige) omstandigheden verknoopt. Daarom kan een waardering, gebaseerd op de hypothese dat er niet onjuist was voorgelicht niet, althans niet zonder nadere onderbouwing, grond opleveren voor het oordeel dat Van de Kolk ook in de situatie zoals die in werkelijkheid was geweest, aan de in die omstandigheden geldende onderzoeksplicht had voldaan.
24
Ik heb mij afgevraagd welke consequenties de hoger verdedigde stellingen hebben voor de afdoening van de zaak in cassatie. Het zal duidelijk zijn dat bij aanvaarding daarvan, de ruimte voor het aanvaarden van het beroep van Van de Kolk op zijn goede trouw tot een minimum, of zelfs tot verwaarloosbare proporties wordt teruggebracht.
Maar ook als men dat uitgangspunt aanvaardt, kan de zaak niet in deze instantie worden afgedaan, reeds omdat a) rekening moet worden gehouden met alle stellingen van Van de Kolk uit de eerste aanleg (die bij gegrondbevinding van een of meer van de grieven van Coppes als gevolg van de ‘devolutieve werking van het appel’ nogmaals onderzocht zouden moeten worden), en niet uitgesloten is dat die stellingen (waarvan de uitleg tot het werk van de feitelijke rechter en niet van de cassatierechter te rekenen is) toch nader licht werpen op de gegrondheid van Van de Kolks verweer; en b) omdat Coppes ook schadevergoeding heeft gevorderd, en het mij wenselijk lijkt dat in een feitelijk gremium wordt onderzocht hoe die vordering, indien in beginsel toewijsbaar, verder zou moeten worden behandeld.
Bij gegrondbevinding van (enig deel van) de cassatieklachten komt daarom verwijzing van de zaak in aanmerking.
CONCLUSIE
Ik concludeer tot vernietiging, met verdere beslissingen als gebruikelijk.

Noot

1
De casus: Coppes (C) verkocht aan X. (X), exploitant van een autobedrijf een gebruikte Volvo-personenauto, welke verkoop geschiedde onder voorwaarde van het totstandkomen van een doorverkoop door X aan een derde. Na een mislukte doorverkooppoging van X haalde X ten tweedemale de Volvo bij C op, waarbij alle kentekenbewijzen bij C bleven.
Blijkens een koopcontract d.d. 6 augustus 2001 verkocht X vervolgens de Volvo aan Van de Kolk (K) tegen inruil van een Ford Scorpio. K betaalde de restant koopsom na omruil deels voor Æ’ 10 000 in contanten aan X en deels voor Æ’ 47 750 door storting op een rekening van de vriendin van X.
Op 10 augustus stuurt C aan X een factuur voor de verkoop van de Volvo; deze is noch door X noch door K voldaan. X werd eind augustus toegelaten tot een WSNP-regeling.
In september legde C beslag op de Volvo onder K en vorderde C van K teruggave van de Volvo en vergoeding van schade.
2
De juridische grondslagen van de procedure tussen C en K. C beriep zich tegenover K op:
a
C’s eigendomsrecht, dat niet door de transactie met X zou zijn aangetast
b
C’s beroep op het recht van reclame.
K beriep zich op zijn verkrijging te goeder trouw, in de zin van art. 3:86 en art. 7:42.
Het Hof was van oordeel, dat K zich kon beroepen op de aanwezigheid van goede trouw in de zin van art. 3:86 en 7:42, hoewel K blijkens het vorenstaande geen inzage had kunnen nemen van de kentekenbewijzen behorende bij de Volvo; in dit verband had K aan X zijn rijbewijs gegeven omdat X daarmede voor de overschrijving van het kentekenbewijs zou zorgen.
Zoals de A G duidelijk in zijn conclusie uiteenzet wordt de keuze tussen al of niet toepassing van de artikelen 3:86 en 7:42 BW voornamelijk bepaald door afweging van de belangen enerzijds van de eigenaar die de roerende zaak uit handen geeft en anderzijds van degeen die de zaak in het normale rechtsverkeer van een onbevoegde tussenpersoon heeft verkregen.
Wat art. 3:86 BW betreft staat centraal dat het moet gaan om een eigenaar, die de zaak niet door diefstal heeft verloren; daarvoor geldt een speciale beperking in lid 3 van art. 3:86 BW en de daar behandelde situatie doet zich hier niet voor.
Men spreekt dan van een vrijwillig bezitsverlies in casu door C. C schiep door de afgifte van de Volvo een risico dat een derde-verkrijger zou optreden die een beroep zou doen op art. 3:86 lid l BW. Toch kan niet ontkend worden, dat C de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen door de kentekenbewijzen niet mee te geven aan X.
K van zijn kant heeft de auto in bezit gekregen en genomen, maar zonder een onderzoek te doen naar de reden, waarom hij geen kentekenbewijs mee geleverd kreeg. Integendeel K gaf zijn rijbewijs aan X; kennelijk met de bedoeling een overschrijving van de Volvo op zijn naam te bewerkstelligen.
Juist op het punt, waarop C zich voorzichtig opstelde door geen kentekenbewijzen aan X af te geven, faalde K zijnerzijds betreffende de vraag of X wel bevoegd was over de Volvo te beschikken door geen conclusies omtrent zijn onderzoeksplicht te trekken uit het ontbreken bij X van kentekenbewijzen.
Bij dit alles staat niet centraal of C de Volvo nu in consignatie of in eigendom heeft overgedragen. Immers als er wel eigendomsoverdracht door C aan X heeft plaatsgehad, kon C een beroep doen op zijn reclamerecht van art. 7:39 e.v. BW en in dat geval ontleent de derde verkrijger (in casu K) bescherming aan zijn bezitsverkrijging indien hij redelijkerwijs niet behoefde te verwachten, dat het reclamerecht zou worden uitgeoefend (art. 7:42 lid 1 BW). Het is niet duidelijk uit de gegevens af te leiden wat X aan K medegedeeld heeft omtrent de eigen positie van X ten aanzien van de Volvo. Uit rov. 4.7 van het Hof blijkt dat C onvoldoende elementen heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat K t.a.v. het reclamerecht niet te goeder trouw zou zijn geweest (zie rov. 3.3. van de Hoge Raad).
Uit een en ander volgt dat het voornamelijk draait om de uitleg van art. 3:86 en het daar gebruikte begrip ‘goeder trouw’, zoals dit ook volgt uit art. 3:11 BW.
3
Hoe verhouden het standaardarrest en de uitspraken in de feitelijke instanties zich in deze kwestie?:
In eerste instantie wees de Rechtbank de eis van C tegen K af, onder meer omdat de koper K geen onderzoeksplicht had naar aanleiding van het ontbreken bij X van de kentekenbewijzen nu het in dit geval om een verkoop van een keurig autobedrijf ging en er daarom geen redenen waren aan de beschikkingsbevoegdheid te twijfelen.
Hiermede week de Rechtbank af van de regel door de Hoge Raad in het arrest Apon/Bisterbosch HR 4 april 1986 (NJ 1986, 810 m.nt. WMK) aanvaard.
Deze regel luidt, dat de koper van een tweedehands auto om de bescherming van art. 3:86 BW te kunnen genieten ten minste het kentekenbewijs en de kopie deel III moet hebben onderzocht.
Ook het Hof oordeelde dat K in het licht van art. 3:86 en art. 7:42 BW als te goeder trouw moet worden beschouwd, eveneens omdat het de regel van Apon/Bisterbosch in casu niet toepasselijk achtte.
Het hof meende dat deze door de Hoge Raad geformuleerde regel slechts strekte tot bescherming van eigenaren die het bezit van hun auto door diefstal of verduistering hebben verloren. Volgens het Hof was hiervan in casu geen sprake. Tevens past het Hof (rov. 4.5) hier vooral het criterium toe dat in 7:42 BW is gegeven en dat raakvlakken heeft met het arrest Matex-Hoogovens (HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133 m.nt. WMK) en de daar door de Hoge Raad geformuleerde regel (zie voor dit alles rov. 3.3 van de Hoge Raad).
Of het Hof terecht meende dat hier niet sprake was van verduistering kan in het midden blijven, nu de Hoge Raad in zijn rov. 3.4 uitdrukkelijk heeft uitgemaakt, dat er geen grond is de regel uit Apon/Bisterbosch te beperken tot de gevallen van verlies door diefstal dan wel verduistering.
De Hoge Raad wijst er hier overigens terecht op dat voor de vraag om welke autopapieren het gaat de wijzigingen in art. 17 van het Kentekenregelement in acht moeten worden genomen. Hoe dit zij in rov. 3.5 hanteert de hoge Raad dezelfde norm ook als het gaat om de derdenbescherming als bedoeld in art. 7:42 lid 1 BW.
Rijst tenslotte de verhouding met het Chrysler-arrest van de hier wederom door de Hoge Raad aanvaarde norm; men zie over deze norm zelf de nagenoeg eenstemmige literatuur en rechtspraak, te vinden in de conclusie over dit Chrysler-arrest (HR 11 oktober 2002, NJ 2003, 199 m.nt. WMK) alinea 11–13 en de conclusie onder het onderhavige arrest noot 16 in onderdeel 16.
4
Hoe verhoudt zich bovenstaande norm met het Chrysler-arrest van 2002?:
Het ging hier om een vordering van een lessor tegen de koper, die een tweedehands auto had gekocht van de lessee die niet alle kentekenpapieren kon overleggen omdat deze (deels) door de lessor waren achtergehouden. De koper, een autobedrijf, had de auto intussen — nadat het hem gelukt was nieuwe autopapieren te krijgen — doorverkocht aan een koper te goeder trouw, die op de nieuwe papieren vertrouwde en kennelijk mocht vertrouwen.
De lessor moest zich daarom richten op de autohandelaar en kon ter zake dus niet met enige kans op succes een revindicatie instellen. De lessor vorderde dus schadevergoeding uit onrechtmatige daad van de autohandelaar.
In dit verband besliste de Hoge Raad dat deze autohandelaar geen onrechtmatig handelen kon worden verweten op de grondslag dat hij ondanks de gebrekkige kentekendocumentatie (de auto stond op naam van een ander dan de lessee-verkoper) de auto had gekocht en doorverkocht.
Het ging daar dus niet om de goede trouw in de zin van art. 3:86 BW, maar om de zorgvuldigheid van de autohandelaar bij bovengenoemde transactie. Geen wonder dat de Hoge Raad dr belang hechtte aan de gewoonte ter zake in de autobranche.
Kort samengevat: het Chrysler-arrest gaat over het omgaan met de kentekendocumentatie in het kader van de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer en niet om de goede trouw van art. 3:86 BW, zoals in de arresten Apon-Bisterbosch en het onderhavige arrest Coppes-van de Kolk.
Vooralsnog is kennelijk de norm van de Hoge Raad van beide laatstgenoemde arresten niet doorbroken door het Chrysler-arrest van 2002.
De koper van een tweedehands auto zij dus nog steeds gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet nauwkeurig raadplegen van de kentekenbewijzen.