HR 17-06-1994, NJ 1994, 671 Arrest Gielkens/Gielkens
HR 17-06-1994, NJ 1994, 671 Arrest Gielkens/Gielkens
NJ 1994 , 671
HOGE RAAD
17 juni 1994, nr. 15386
(Mrs. Snijders, Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk, Swens-Donner; A-G Strikwerda)
Regeling
BW art. 3:109, 119
Essentie
Afgifte auto. Bruikleen of schenking. Bewijslast. Vermoeden van bezit en eigendom.
Afgifte auto / bruikleen of schenking / bewijslast / vermoeden van bezit en eigendom
Samenvatting
Voor de toepassing van art. 3:119 lid 1 BW — in casu ingevolge art. 68a Overgangswet NBW van toepassing — doet in beginsel niet ter zake of de gestelde verkrijging al dan niet om niet geschiedde.
Degene die een goed houdt, wordt vermoed dit goed voor zichzelf te houden en dus bezitter daarvan te zijn (art. 3:109 BW). Voorts wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende te zijn (art. 3:119 lid 1 BW). Het staat de feitenrechter echter vrij om op grond van wat over en weer is gesteld en de verdere omstandigheden van het geval te oordelen dat het vermoeden dat de bezitter eigenaar is, zodanig is weerlegd dat de bezitter zijn gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen (HR 8 mei 1987, NJ 1988, 700 en 26 februari 1988, NJ 1989, 488).
Partijen
Peter Jozef Gielkens, te Sittard, eiser tot cassatie, adv. mr. P.B. Kamminga,
tegen
Maria Catharina Agnes Gielkens, te Merkelbeek, verweerster in cassatie, adv. mr. E. van Staden ten Brink.
Tekst
Hof:
3
De gronden van het hoger beroep
De door appellant voorgedragen grieven luiden als volgt:
ten aanzien van het vonnis van 23 november 1989
I Op pagina 2 van dit vonnis heeft de Rechtbank ten onrechte overwogen dat op 28 januari 1988 geïntimeerde de litigieuze Opel in eigendom heeft verworven en dat sedert begin april 1988 appellant weigert geïntimeerde nog langer te vervoeren.
ten aanzien van het vonnis van 2 augustus 1990
I
Ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen: ‘Nu op grond van het ten processe door partijen over en weer gestelde en de verdere omstandigheden van het geval, met name de mogelijkheid van het besparen van kosten door het vervoer van de zoon van eiseres naar en van het ziekenhuis met eigen vervoer in plaats van met een taxi kort na het overlijden van de man van eiseres, naar het oordeel van de Rechtbank onaannemelijk is dat eiseres ten behoeve daarvan aan gedaagde een schenking van ƒ 20 000 heeft gedaan in plaats van de door haar gestelde, in die omstandigheden meer voor de hand liggende bruikleen van de auto, is het in art. 2014 eerste lid Burgerlijk Wetboek besloten vermoeden dat gedaagde eigenaar is van de auto zodanig weerlegd, dat gedaagde zijn gepretendeerde eigendomsrecht zal hebben te bewijzen, waartoe de Rechtbank hem zal toelaten’.
II
Ten onrechte heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 2 augustus 1990 appellant toegelaten door alle middelen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat hij eigenaar is van de personenauto, merk Opel type Corsa, met kenteken RZ-73-LV.
ten aanzien van het vonnis van 9 januari 1992
I
Ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen: ‘Naar het oordeel van de Rechtbank kan uit voormelde verklaringen van getuigen niet worden afgeleid dat de eiseres de auto aan gedaagde heeft geschonken nu deze over de reden van die beweerdelijke schenking niet eensluidend zijn en de Rechtbank aanleiding heeft om aan de betrouwbaarheid te twijfelen met name aan die over de gestelde berekening van de kosten. In de omstandigheden van het geval is het wel aannemelijk dat eiseres haar broer een auto ter vrije beschikking heeft gesteld om haar te vervoeren, maar bestond er voor eiseres geen reden die auto te schenken met het oog op de kosten van dat vervoer nu uit niets vaststaat dat het verblijf van haar zoon in Welterhof de uiteindelijke reden voor de aanschaf, voor de duur van deze lange periode te voorzien was dat daaruit de uitgave van een bedrag van ƒ 20 000 ineens, op een aannemelijke en inzichtelijke wijze was te berekenen. De Rechtbank acht gedaagde dan ook niet geslaagd in de bewijslevering’.
II
Ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen: ‘Nu het bewijs dat gedaagde door schenking eigenaar is van de auto niet is geleverd komt aan de orde de beoordeling van de door gedaagde subsidiair gestelde bruikleen. Als onweersproken staat vast, dat eiseres de bruikleen, die niet voor onbepaalde tijd kan worden overeengekomen, opgezegd heeft en gedaagde daardoor gehouden is de ten processe bedoelde auto, voor zover deze niet reeds in het bezit is van eiseres, aan haar terug te geven. Niet onaannemelijk is dat eiseres door de handelwijze van gedaagde schade kan hebben geleden zodat de Rechtbank eiseres zal toelaten tot de schadestaatprocedure. Het vorenstaande leidt ertoe dat de Rechtbank de vorderingen van eiseres, waaronder die tot vanwaardeverklaring van het beslag dat met inachtneming van de wettelijke formaliteiten en termijnen is gelegd, zal toewijzen. De Rechtbank zal gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten’.
III
Ten onrechte heeft de Rechtbank de vorderingen van geïntimeerde toegewezen.
4
De beoordeling
4.1
Geïntimeerde is een zuster van appellant. In oktober 1987 — kort na het overlijden van haar echtgenoot — heeft geïntimeerde een auto van het merk Opel type Kadett gekocht tegen betaling van Æ’ 9350 en in eigendom verworven. Zij heeft deze auto op 28 januari 1988 omgeruild tegen een Opel type Corsa (hierna ook te noemen ‘de auto’), onder bijbetaling van Æ’ 11 500. Beide auto’s zijn met toestemming van geïntimeerde in gebruik genomen door appellant, die — in tegenstelling tot zijn zuster — over een rijbewijs beschikt. In mei 1988 heeft geïntimeerde afgifte van de auto gevorderd. Appellant heeft geweigerd aan die vordering te voldoen op grond van het feit dat — naar hij gesteld heeft — de auto aan hem geschonken was. De Rechtbank heeft bij vonnis van 23 november 1989 een comparitie van partijen gelast en vervolgens bij vonnis van 2 augustus 1990 appellant toegelaten te bewijzen dat hij eigenaar is van de auto. Bij vonnis van 9 januari 1992 heeft de Rechtbank beslist dat appellant niet geslaagd is in de bewijslevering en de vordering van geïntimeerde tot afgifte toegewezen.
ten aanzien van het vonnis van 23 november 1989
4.2
Appellant beroept zich in deze procedure op het feit dat zijn zuster de auto aan hem (via schenking van hand tot hand) heeft geschonken. Daarmede is onverenigbaar dat — zoals door appellant wordt gesteld — de auto niet eerst in het bezit van zijn zuster is geweest.
De vonnissen van de Rechtbank worden niet gedragen door de overweging van de Rechtbank in het eerste tussenvonnis dat appellant sedert begin april 1988 weigert geïntimeerde met de auto te vervoeren.
De tegen dit vonnis aangevoerde grief faalt derhalve.
ten aanzien van het vonnis van 2 augustus 1990
4.3
De tegen dit vonnis aangevoerde grieven zullen gezamenlijk behandeld worden. Zij zijn gericht tegen de aan appellant verleende bewijsopdracht. Allereerst stelt appellant dat de Rechtbank ingevolge artikel 2014 Burgerlijk Wetboek (oud), respectievelijk artikel 3:119 van het thans geldende Burgerlijk Wetboek het adagium ‘bezit geldt als volkomen titel’ had moeten toepassen. Bovendien is er naar de mening van appellant in de onderhavige zaak sprake van een aantal argumenten, welke zijn stelling dat hij eigenaar is geworden van de auto sterk zouden ondersteunen. Appellant gaat daarbij echter voorbij aan het feit dat hij de auto — ook naar zijn eigen stellingen — niet onder bezwarende titel verworven heeft. Bovendien wettigen geen der door appellant aangevoerde argumenten, noch deze argumenten in samenhang beschouwd, de conclusie dat aannemelijk is dat van een zuivere schenking van de auto sprake is geweest, terwijl de stellingen van zijn zuster zoals deze door de Rechtbank zijn weergegeven het oordeel van de Rechtbank rechtvaardigen dat gedaagde zijn gepretendeerde eigendomsrecht had te bewijzen. Zulks is ook in overeenstemming met het in artikel 177 Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde. De tegen het vonnis van 2 augustus 1990 aangevoerde grieven zijn derhalve ongegrond.
ten aanzien van het vonnis van 9 januari 1992
4.4
Grief I is gericht tegen de beslissing van de Rechtbank dat appellant niet in de bewijslevering is geslaagd.
4.4.1
Met betrekking tot de vraag of de Opel Kadett geschonken werd zijn de volgende getuigenverklaringen afgelegd.
Door Sylvia Gielkens, dochter van appellant, werd verklaard:
De dag vóór mijn verjaardag, 20 oktober 1987, heeft mijn tante Nes, hier aanwezig, mij gezegd in de woning van mijn ouders: Ik heb een heel mooi kado voor jouw vader. Op mijn vraag wat dat dan wel was zei tante Nes een mooie auto. Mijn ex-vriend was daarbij. Zij heeft dat ook nog gezegd op weg naar de supermarkt tegen mij en mijn ex-vriend. Diezelfde dag is mijn tante Nes met mijn vader en moeder op de Rijksweg in Sittard naar auto’s gaan kijken. De dag daarna, op mijn verjaardag, heeft zij in het bijzijn van de hele familie herhaald dat zij mijn vader een auto kado zou doen. Op 22 oktober heeft mijn vader een blauwe Opel Kadett gekregen.
Door Janna Johanna de Gelder, echtgenote van appellant, werd verklaard:
Omdat het bezoek aan ons per taxi voor mijn schoonzuster te duur werd heeft zij een auto gekocht. Zij had geen rijbewijs. Die auto heeft zij aan mijn man geschonken. Ik heb gehoord op de verjaardag van mijn dochter, 21 oktober 1987, dat zij de auto aan mijn man heeft gegeven. Vantevoren toen ik met haar en mijn oudste dochter, die zojuist als getuige door U is gehoord, naar de supermarkt ben gegaan, heeft zij dat ook al gezegd. Ze zei toen: Je vader krijgt van mij een groter kado. Dit slaat op mijn idee dat was dat mijn man van haar iets voor zijn treinen, die hij als hobby heeft, zou krijgen. Mijn dochter vroeg toen wat dat dan wel was en toen zei zij een auto. Op de tweeëntwintigste oktober 1987 heeft mijn schoonzuster bij Mengelers te Sittard de Opel Kadett gekocht. Wij hebben die Kadett dezelfde dag opgehaald. Op wiens naam het kenteken-bewijs stond weet ik niet. Mijn schoonzuster heeft daarbij gezegd: Of ik nu de taxi betaal of ik hou de centen en geef je man een auto.
Door Peter Marie Eijkenboom, vriend van appellant, werd verklaard:
Ik weet dat hij een Opel Kadett heeft gehad.
4.4.2
Met betrekking tot de vraag of de Opel Corsa geschonken werd zijn de volgende getuigeverklaringen afgelegd.
Door de dochter van appellant:
Omdat die auto mankementen vertoonde heeft mijn tante aan mijn vader de Opel Corsa kado gedaan. Ook dat was geen nieuwe auto, maar wel vrij nieuw. Op Uw vraag waarom mijn tante mijn vader die auto kado deed, antwoord ik dat ik dat ook aan mijn tante heb gevraagd en dat zij heeft gezegd dat dat was als dank voor de hulp van mijn ouders bij het in orde maken van haar huis.
Door de echtgenote van appellant:
Toen de Kadett mankementen kreeg is mijn schoonzuster met mijn man bij Fermans naar een auto gaan kijken. Ik ben bij de koop wel aanwezig geweest. Mijn schoonzuster heeft gekocht en de auto op onze naam laten zetten.
Door de heer Eijkenboom:
Na die Opel Kadett had hij een rode Opel Corsa, die hij naar hij mij heeft gezegd van zijn zuster heeft gekregen, met dien verstande dat hij haar daarmee van haar huis naar Welterhof diende te rijden als hij daarvoor tijd had. In het najaar van 1988 heb ik die Opel Corsa op verzoek van Gielkens bestuurd tijdens een rit waarbij ook zijn zuster aanwezig was naar Maastricht. Gielkens wist de weg niet en vroeg mij daarom in zijn plaats te rijden. Tijdens die rit heeft zijn zuster hem gevraagd of het wel verantwoord was dat ik zijn auto bestuurde. Gielkens meende dat dat zo was. Na die rit zijn wij in het huis van zijn zuster in Merkelbeek doende geweest met schilder en behangwerk. Zijn zuster heeft mij toen gevraagd wat ik vond van die auto die zij voor haar broer had gekocht. Ik heb gezegd dat ik het een mooie auto vond’, alsmede ‘Ik heb begrepen dat de auto aan Gielkens is geschonken onder de voorwaarde dat hij haar naar Welterhof zou brengen als hij daarvoor tijd had. Zijn zuster heeft mij zelf verteld dat zij hadden berekend dat de schenking van de auto goedkoper was dan het reizen van haar per openbaar vervoer naar Welterhof. Ik heb geantwoord dat je per openbaar vervoer lang moet reizen om daar uit te komen. Mevrouw Corvers zei toen dat ze meestal per taxi ging en toen heb ik gezegd dat het ongeveer kon kloppen. Naar haar zeggen ging ze soms iedere dag en dan weer een paar keer per week al naar gelang zij daar behoefte aan had.
4.4.3
Daargelaten of op grond van de in overweging 4.4.1. aangehaalde verklaringen kan worden aangenomen dat de Opel Kadett door geïntimeerde aan haar broer geschonken is, is het Hof van oordeel dat appellant niet geslaagd is te voldoen aan het hem opgelegde bewijs dat de Opel Corsa aan hem geschonken is. Alleen door de dochter van appellant wordt zijn stelling dat van schenking van deze auto sprake was naar het lijkt bevestigd, doch naar de mening van het Hof is het zeer wel denkbaar dat zij een desbetreffende opmerking van haar tante over de redenen waarom de auto aan haar vader ter beschikking stond verkeerd heeft uitgelegd. Noch de echtgenote van appellant, noch de heer Eijkenboom verklaren uit eigen waarneming dat van schenking sprake is geweest. Reeds om deze reden dienen de tegen het eindvonnis van de Rechtbank aangevoerde grieven ongegrond verklaard te worden en dat vonnis bekrachtigd te worden. Daar komt bij dat, indien al aangenomen zou kunnen worden dat de Opel Kadett door geïntimeerde aan haar broer zou zijn geschonken, hetgeen in het licht van het in rechtsoverweging 4.4.4. overwogene niet op grond van de afgelegde getuigenverklaringen het geval is, daaruit niet mag worden afgeleid dat geïntimeerde ook beoogd heeft de Opel Corsa te schenken. Aan het feit dat het kenteken op naam van appellant gesteld is, terwijl hij ook kennelijk de overeenkomst van verzekering aanging en aangifte deed voor de motorrijtuigenbelasting, kent het Hof onvoldoende gewicht ten gunste van appellant toe. Een en ander is immers niet onbegrijpelijk tegen de achtergrond van het feit, dat geïntimeerde geen rijbewijs had, terwijl zulks met betrekking tot appellant wel het geval was en deze permanent het gebruik van de auto had voor zover hij zijn zuster niet incidenteel naar de Welterhof diende te vervoeren.
4.4.4
Ten overvloede zij nog opgemerkt dat de door de getuigen afgelegde verklaringen strijdigheden bevatten. De rechtbank heeft daarop reeds gewezen. Hieraan kan worden toegevoegd dat getuige Eijkenboom heeft verklaard dat hij tesamen met appellant en zijn zuster met de Opel Corsa naar Maastricht is gereden in het najaar van 1988; zulks is echter onmogelijk omdat die auto toentertijd gesequestreerd was en bovendien de moeilijkheden tussen appellante en zijn zuster toentertijd reeds maanden bestonden. Ook om die reden zal aan de bedoelde getuigenverklaringen geen groot gewicht behoeven te worden toegekend.
4.5
Het Hof verwerpt grief II. Het ligt voor de hand, dat de eigenares van een motorrijtuig, die daarover gedurende een niet te verwaarlozen periode de beschikking mist, daardoor schade lijdt al is het alleen maar doordat de auto in waarde vermindert.
4.6
Gelet op het hierboven overwogene wordt grief III ten onrechte voorgedragen.
4.7
Gezien het vorenstaande dienen de vonnissen van de Rechtbank te Maastricht onder aanvulling van de gronden te worden bekrachtigd. (…)
Cassatiemiddel:
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Gerechtshof heeft overwogen en beslist als is vervat in het ten deze bestreden arrest, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende, zonodig in onderlinge samenhang, te lezen redenen:
1
In r.o. 4.3 behandelt het Hof de grieven welke gericht zijn tegen de aan P.J. Gielkens (‘de broer’) verleende bewijsopdracht. De broer heeft gesteld, aldus het Hof:
dat de Rechtbank ingevolge artikel 2014 Burgerlijk Wetboek (oud), respectievelijk artikel 3:119 van het thans geldende Burgerlijk Wetboek het adagium ‘bezit geldt als volkomen titel’ had moeten toepassen.
maar het Hof verwerpt deze stelling met als motivering:
Appellant gaat daarbij echter voorbij aan het feit dat hij de auto — ook naar zijn eigen stellingen — niet onder bezwarende titel verworven heeft,
welke verwerping rechtens onjuist is, althans onvoldoende gemotiveerd. De broer beroept zich hier immers op de processuele bescherming welke aan het bezit verbonden is ingevolge de processuele functie van art. 2014 BW (oud), art. 3:119 BW. Voor het met succes inroepen van de regel: ‘De bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn’ is ingevolge de wet niet meer vereist dan dat de broer bezitter van de auto is (vlg. art. 3:108 e.v. BW). Dit bezit is in casu niet betwist en werd mede gestaafd door het feitelijk gebruik, de rijbewijskwestie, de tenaamstelling van de auto etc. Nu de broer bezitter is wordt hij vermoed eigenaar te zijn, zeker nu hij bovendien, in het licht van deze bewijsregel ten overvloede, heeft gesteld krachtens welke wijze van eigendomsverkrijging hij heeft verkregen (overdracht) en krachtens welke titel (schenking). De vraag of de broer al dan niet onder bezwarende titel heeft verkregen (al dan niet sprake is van een — zuivere — schenking) speelt geen enkele rol voor de processuele functie van art. 2014 BW (oud), 3:119 BW. De vraag of de verkrijger die het bezit heeft al dan niet onder bezwarende titel (art. 2014 BW oud)/anders dan om niet (3:86 BW) heeft verkregen speelt enkel bij de materieelrechtelijke functie van bezit. Deze laatste kwestie van derdenbescherming is hier echter in het geheel niet aan de orde, nu de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder vaststaat.
2
Daarenboven is ’s Hofs beslissing, zo het in onderdeel 1 betoogde zou falen, onjuist althans in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk. De broer heeft, naar tussen partijen in confesso is, de auto in bezit verkregen anders dan om niet/onder bezwarende titel, nu de broer de auto (in bezit) verkregen heeft als beloning voor een aantal aan M.C.A. Gielkens (‘de zuster’) bewezen diensten, o.a. bestaande uit het opknappen van de woning van de zuster door de broer, het frequent verschaffen van onderdak aan de zuster en haar gehandicapte zoon en het veelvuldig (80x) vervoeren van de zuster door de broer naar Welterhof benevens de aldaar door de broer doorgebrachte wachttijd (vgl. de conclusie van antwoord in conventie en de slechts gedeeltelijke betwisting in de conclusie van repliek in conventie). Voornoemde omstandigheden brengen mede dat de broer dan wellicht van schenking heeft gesproken omdat geen directe financiële tegenprestatie is overeengekomen, doch van verkrijging anders dan om niet/onder bezwarende titel is wel degelijk sprake.
3
In het licht van het in de voorgaande onderdelen betoogde is voorts onbegrijpelijk wat het Hof in het algemeen bedoelt met de vaststelling in r.o. 4.3. waar het Hof het uitgangspunt van het Hof dat de broer niet onder bezwarende titel heeft verkregen nader uitwerkt:
Bovendien wettigen geen der door appellant aangevoerde argumenten, noch deze argumenten in samenhang beschouwd, de conclusie dat aannemelijk is dat van een zuivere schenking van de auto sprake is geweest.
nu niet alleen (1) onduidelijk is wat het Hof bedoelt met een zuivere schenking, maar bovendien (2) ’s Hofs vaststelling dat van zo’n zuivere schenking geen sprake is direct in strijd is met ’s Hofs eerdere vaststelling dat de broer niet onder bezwarende titel verworven heeft ofwel om niet heeft verworven. Indien van een zuivere schenking (om niet) geen sprake is, maar van een schenking tegen een contraprestatie is immers sprake van verkrijging onder bezwarende titel/anders dan om niet. In zoverre is ’s Hofs beslissing rechtens onjuist, innerlijk tegenstrijdig en zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
4
Indien het in het vorige onderdeel geciteerde aldus moet worden gelezen dat het Hof de stelling dat de broer niet onder bezwarende titel heeft verkregen nader uitwerkt en derhalve aanneemt dat ook bij een niet-zuivere schenking sprake is van verkrijging onder bezwarende titel/anders dan om niet is ’s Hofs beslissing rechtens onjuist althans onbegrijpelijk in verband met het in onderdeel 1 gestelde omtrent de eisen die gelden voor de processuele bescherming van bezit.
5
In r.o. 4.3 overweegt het Hof:
Bovendien is er naar de mening van appellant in de onderhavige zaak sprake van een aantal argumenten, welke zijn stelling dat hij eigenaar is geworden van de auto sterk zouden ondersteunen.
Het Hof weegt deze argumenten in het kader van de vraag of van een zuivere schenking — waarmede kennelijk bedoeld is: verkrijging om niet — sprake is en overweegt dan:
Bovendien wettigen geen der door appellant aangevoerde argumenten, noch deze argumenten in samenhang beschouwd, de conclusie dat aannemelijk is dat van een zuivere schenking van de auto sprake is geweest, terwijl de stellingen van zijn zuster zoals die door de Rechtbank zijn weergegeven het oordeel van de Rechtbank rechtvaardigen dat gedaagde zijn gepretendeerde eigendomsrecht had te bewijzen.
waarbij het Hof er echter ten onrechte aan voorbij gaat dat de ‘argumenten’ waar het hier om gaat geen rol spelen voor de vraag of de bewijslast dient te worden omgekeerd, doch de broer daarmede slechts voldoet aan zijn stelplicht. De broer voert deze ‘argumenten’ aan om te ondersteunen dat zijn bezit het vermoeden van eigendom rechtvaardigt. Het Hof kon deze argumenten waarmede de broer aan zijn stelplicht — in feite aan meer dan zijn stelplicht: hij hoeft slechts bezit te stellen, getoetst aan art. 3:108 e.v. BW — voldoet niet, althans niet zonder nadere motivering tegen de broer laten werken door — nog los van de kwestie rondom de al dan niet verkrijging onder bezwarende titel/anders dan om niet — de bewijslast op basis van die ‘argumenten’ om te keren, ook niet in het licht van de stellingen van de zuster. De broer heeft deze ‘argumenten’ slechts aangevoerd ter ondersteuning van de stelling dat zijn bezit een vermoeden van eigendom geeft en niet om te betogen dat hij eigenaar is. In het licht van de regels van stelplicht en bewijslast kon het Hof voornoemde ‘argumenten’ niet anders opvatten dan als hiervoor verwoord.
6
’s Hofs beslissing om tot een omkering van de bewijslast te komen als verwoord in r.o. 4.3 is rechtens onjuist althans onvoldoende gemotiveerd. Voor het maken van een uitzondering op het bewijsvermoeden van art. 2014 BW (oud), 3:119 BW is geen plaats indien het weinig aannemelijk is, dat degene die zich op het bezit beroept, krachtens de door hem gestelde titel (schenking) eigenaar is geworden. Weliswaar staat het de rechter die over de feiten oordeelt vrij om op grond van hetgeen over en weer gesteld is en de verdere omstandigheden van het geval te oordelen dat het vermoeden dat de bezitter eigenaar is, zodanig is weerlegd dat de bezitter zijn gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen, doch het Hof stelt zulks in het geheel niet vast, althans uit de door het Hof aangegeven omstandigheden kan zulk een omkering van de bewijslast niet volgen, ook niet onder verwijzing naar art. 177 Burgerlijke Rechtsvordering, nu art. 3:119 BW een daarvan afwijkende dwingende bewijsregel bevat.
7
’s Hofs redenering is voorts onjuist omdat het Hof stelplicht en bewijslast verwart. Vast staat dat de broer bezit van de auto heeft. Dat is voldoende voor processuele bescherming. De broer hoeft niet meer te stellen. Desondanks ondersteunt de broer de stelling, dat hij vermoed wordt eigenaar te zijn met diverse argumenten. Dit mag voor het Hof geen reden zijn om de bewijslast op de broer af te wentelen doch veeleer een reden om het aan zijn bezit verbonden vermoeden dat de broer eigenaar is, meer/eerder aannemelijk te achten dan in het geval dat de broer geen nadere argumenten heeft aangevoerd om zijn stelling te onderbouwen. Het Hof gebruikt echter de argumenten die de broer aanvoert — en welke verder gaan dan zijn stelplicht — om de bewijslast op de broer af te wentelen. Niet alleen geven (1) deze argumenten daartoe geen aanleiding, doch (2) ’s Hofs beslissing heeft tot gevolg dat de broer — of ruimer: de gedaagde die bezit claimt — in een juridische positie wordt gebracht waarin hij niet meer dient te stellen dan dat hij bezit heeft, omdat dat meerdere tegen hem gebruikt kan worden. Deze consequentie van ’s Hofs beslissing is in strijd met de tekst en strekking van art. 2014 BW (oud)/3:119 BW, met name met de daarin besloten regels van stelplicht en bewijslast.
8
Rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is ’s Hofs redenering in r.o. 4.2, alwaar het Hof overweegt:
Appellant beroept zich in deze procedure op het feit dat zijn zuster de auto aan hem (via schenking van hand tot hand) heeft geschonken. Daarmede is onverenigbaar dat — zoals door appellant wordt gesteld — de auto niet eerst in het bezit van zijn zuster is geweest.
Indien het Hof alhier (1) beoogt te betogen dat van een schenking van hand tot hand in onderhavig geval geen sprake kan zijn berust ’s Hofs uitleg van de grief op een in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijke uitleg van het begrip bezit zoals dit door de broer is gebruikt. De broer heeft betoogd (a) dat zijn zuster geen bezit van de auto heeft gehad, nu de auto door de garagehouder rechtstreeks aan hem (feitelijk) is afgeleverd. Tevens (b) heeft de broer echter gesteld dat de auto door zijn zuster gekocht is bij de garage en vervolgens aan hem is geschonken. Deze stellingname kan niet anders worden geïnterpreteerd dan dat volgens de broer de zuster weliswaar enig moment (samenval van rechtsmomenten) bezitter van de auto in juridische zin is geweest (door de eigendomsoverdracht aan de zuster en overdracht door de zuster aan de broer), doch van echt feitelijk bezit van de zuster (feitelijke macht, het onder zich hebben van de auto) niet gesproken kan worden. De broer heeft gesteld dat de zuster geen bezitter was op basis van de uiterlijke feiten danwel de verkeersopvatting als bedoeld in art. 3:108 BW (feitelijke bezit), doch ten onrechte legt het Hof deze stelling aldus uit dat de broer daarmede tevens gesteld heeft dat de zuster geen (niet naar buiten blijkend) bezit op basis van de ‘navolgende regels’ als bedoeld in art. 3:108 BW heeft gehad. In het licht van de door de broer geschetste feitelijke gang van zaken is dat uitgangspunt van het Hof onjuist. In de stellingname van de broer ligt immers opgesloten dat eerst de eigendom — en dus het bezit — aan de zuster is overgedragen en vervolgens de eigendom — en het bezit — aan de broer is overgedragen.
9
In direct verband met het vorige onderdeel staat dat ’s Hofs beslissing rechtens onjuist is, indien ’s Hofs beslissing aldus moet worden gelezen dat in de situatie dat (1) een zuster een auto koopt bij een garagehouder, deze auto (2) schenkt aan haar broer en (3) de garagehouder de auto rechtstreeks aflevert aan de broer van eigendomsoverdracht en levering aan de zuster geen sprake is, of kan zijn. Levering vindt plaats door bezitsverschaffing. In genoemde situatie is immers sprake van (feitelijke) aflevering aan de broer, doch van (juridische) levering aan de zuster en doorlevering aan de broer. Het betreft dan immers een combinatie van een levering constituto possessorio (art. 3:115a BW) door de garage aan de zuster gecombineerd met/gevolgd door — in een samenval van rechtsmomenten — een levering longa manu door de zuster aan de broer. De noodzakelijke mededeling bij deze laatste leveringsvorm door de zuster of de broer aan de garagehouder kan ook bij voorbaat zijn gedaan (art. 3:115c BW). De zuster is alsdan wel eigenaar en (juridisch, op basis van de navolgende regels als bedoeld in art. 3:108 BW) bezitter geweest en kon de met een schenking van hand tot hand gepaard gaande bezitsverschaffing, waarvoor alle mogelijke wijzen van bezitsverschaffing in aanmerking komen, wel degelijk doen geschieden. Bezitsverschaffing kan in geval van schenking van hand tot hand ook geschieden anders dan door feitelijke overgave. ’s Hofs uitgangspunt dat van schenking van hand tot hand geen sprake kan zijn geweest omdat de auto niet in het bezit is geweest van de zuster berust op een onjuiste hantering van het begrip bezit als zou dat gepaard gaan met (directe of onmiddellijke) feitelijke macht, doch ziet voorbij aan middellijke bezitsconstructies welke niet gepaard gaan met (directe of onmiddellijke) feitelijke macht. In zoverre is ’s Hofs beslissing rechtens onjuist.
10
Voor zover het in de vorige twee onderdelen betoogde onjuist zou zijn geldt dat het Hof er in r.o. 4.2 aan voorbij gaat dat in de geschetste situatie van koop en schenking de combinatie van deze twee titels een voldoende titel is voor (het oordeel dat sprake is van) rechtstreekse eigendomsoverdracht en levering van de verkoper (garagehouder) aan de begiftigde (de broer). De koper/schenker wordt derhalve geen eigenaar of bezitter. Zulks een rechtstreekse overdracht van de garagehouder aan de broer kan, al dan niet naar analogie, gebaseerd worden op de rechtstreekse eigendomsverkrijging door de derde van de principaal bij (onmiddellijke) vertegenwoordiging, in welk geval immers de tussenpersoon ook geen eigendom of bezit verwerft.
Hoge Raad:
1
Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie — verder ook te noemen: de zuster — heeft bij exploit van 17 mei 1988 eiser tot cassatie — verder ook te noemen: de broer — gedagvaard voor de Rechtbank te Maastricht en gevorderd de broer te veroordelen om:
1
binnen twee maal 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis tot afgifte aan de zuster van de personenauto van het merk Opel, type Corsa, kenteken RZ-73-LV, over te gaan met bepaling dat de broer een dwangsom van Æ’ 500 zal verbeuren voor elke dag dat hij daarmee in gebreke blijft, ten belope tot maximaal een bedrag van Æ’ 19 500, zijnde de huidige waarde van deze auto;
2
aan de zuster de schade te vergoeden, welke is of zal worden geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met de wettelijke rente daarover met ingang van 10 mei 1986;
3
voorts van waarde te verklaren het te dezen betekende revindicatoir beslag.
Nadat de broer tegen de vorderingen verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 23 november 1989 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 2 augustus 1990 de broer tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 9 januari 1992 de vorderingen van de zuster toegewezen en het revindicatoire beslag van waarde verklaard.
Tegen de drie genoemde vonnissen heeft de broer hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch.
Bij arrest van 17 februari 1993 heeft het Hof de bestreden vonnissen onder aanvulling van de gronden bekrachtigd.
(…)
3
Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
Partijen hebben in oktober 1987 afgesproken dat P.J. Gielkens (de broer), M.C.A. Gielkens (de zuster), die geen rijbewijs heeft, op haar verzoek zou brengen en halen naar en van plaatsen welke zij zou willen bezoeken in het bijzonder naar en van Heerlen waar haar zoon werd verpleegd. Op 20 oktober 1987 heeft de zuster een Opel Kadett gekocht. Op 28 januari 1988 heeft zij die auto, met bijbetaling van Æ’ 11 500, ingeruild tegen een Opel Corsa. Deze auto heeft zij aan haar broer ter beschikking gesteld. Partijen zijn in maart/april 1988 in onmin geraakt. Begin mei 1988 heeft de zuster de afspraak opgezegd en aan haar broer verzocht de auto uiterlijk 8 mei 1988 aan haar af te geven. Op 11 mei 1988 is de auto in revindicatoir beslag genomen en onder een bewaarder gebracht.
De onderhavige vordering strekt tot afgifte van de auto, tot veroordeling van de broer tot vergoeding van schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede tot vanwaardeverklaring van het revindicatoir beslag. De Rechtbank heeft bij het eindvonnis de vorderingen van de zuster toegewezen. Het Hof heeft de vonnissen van de Rechtbank bekrachtigd. Daartegen is het middel gericht dat uit tien onderdelen bestaat.
3.2
De onderdelen 1 tot en met 7 komen met rechts en motiveringsklachten op tegen hetgeen het Hof in zijn rov. 4.3 heeft geoordeeld:
Appellant gaat … echter voorbij aan het feit dat hij de auto — ook naar eigen stellingen — niet onder bezwarende titel verworven heeft. Bovendien wettigen geen der door appellant aangevoerde argumenten, noch deze argumenten in samenhang beschouwd, de conclusie dat aannemelijk is dat van een zuivere schenking van de auto sprake is geweest, terwijl de stellingen van zijn zuster zoals deze door de Rechtbank zijn weergegeven het oordeel van de Rechtbank rechtvaardigen dat gedaagde zijn gepretendeerde eigendomsrecht had te bewijzen.
Onderdeel 1 klaagt, samengevat weergegeven, dat het Hof ten onrechte voor toepassing van de regel dat de bezitter van een goed vermoed wordt de rechthebbende te zijn, van belang heeft geacht of de bezitter dat goed om niet of anders dan om niet heeft verkregen.
Het Hof brengt in de bestreden rechtsoverweging klaarblijkelijk tot uitdrukking dat het aan de stelling van de broer, dat hij de auto om niet heeft verkregen, weinig overtuigende kracht toekent voor zijn standpunt dat de auto aan hem in eigendom is overgedragen. Dit volgt uit de zin die aan de hierboven geciteerde passage voorafgaat:
Bovendien is er naar mening van appellant in de onderhavige zaak sprake van een aantal argumenten, welke zijn stelling dat hij eigenaar is geworden van de auto sterk zouden ondersteunen.
Het Hof heeft derhalve niet miskend dat voor de toepassing van art. 3:119 lid 1 — welke bepaling ingevolge art. 68a Overgangswet in de onderhavige zaak van toepassing is — in beginsel niet ter zake doet of de gestelde verkrijging al dan niet om niet geschiedde. Een en ander leidt tot de conclusie dat onderdeel 1 uitgaat van een verkeerde lezing van ’s Hofs arrest en daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.
3.3
Onderdeel 2 bestrijdt met een motiveringsklacht ’s Hofs oordeel dat de broer naar zijn eigen stellingen de auto niet onder bezwarende titel heeft verkregen.
Het onderdeel faalt. Het aangevallen oordeel berust op een aan het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden uitleg van de gedingstukken. Het is ook niet onbegrijpelijk, de broer heeft in appel immers aangevoerd dat hij steeds heeft gesteld dat zijn zuster hem de auto heeft geschonken (memorie van grieven p. 2).
3.4
De onderdelen 3 en 4 komen met rechts en motiveringsklachten op tegen ’s Hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat van een ‘zuivere schenking’ van de auto sprake is.
Anders dan de onderdelen aanvoeren, heeft het Hof voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht wat het in de bestreden passage bedoelt. In die passage heeft het Hof niet het oog op de vraag of sprake was van een overdracht ten titel van schenking of anders dan om niet, maar op die of sprake was van aflevering in bruikleen, zoals de zuster betoogde, dan wel van overdracht ten titel van schenking, zoals de broer heeft aangevoerd. De onderdelen gaan derhalve uit van een onjuiste lezing van ’s Hofs arrest en kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
3.5
De onderdelen 5 tot en met 7 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij zijn gericht tegen ’s Hofs oordeel, samengevat weergegeven, dat de broer dient te bewijzen dat hij eigendom van de auto heeft verkregen.
Bij beoordeling van deze onderdelen dient uitgangspunt te zijn dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit goed voor zichzelf te houden en dus bezitter daarvan te zijn (art. 3:109 BW), voorts dat de bezitter van een goed vermoed wordt de rechthebbende te zijn (art. 3:119 lid 1 BW). Het staat de rechter die over de feiten oordeelt echter vrij om op grond van hetgeen over en weer is gesteld en de verdere omstandigheden van het geval te oordelen dat het vermoeden dat de bezitter eigenaar is, zodanig is weerlegd dat de bezitter zijn gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen (HR 8 mei 1987, NJ 1988, 700 en 26 februari 1988, NJ 1989, 488). Het Hof heeft bij de vorming van zijn oordeel, zoals blijkt uit zijn hiervoor onder 3.2 weergegeven rechtsoverweging, van deze vrijheid gebruik gemaakt. Daarbij heeft het Hof verwezen naar de door de Rechtbank weergegeven stellingen van de zuster. Het bestreden oordeel van het Hof geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan overigens, als van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Daarop stuiten de hier besproken onderdelen af.
3.6
De onderdelen 8 tot en met 10 zijn gericht tegen een oordeel van het Hof dat zijn beslissing niet draagt. De onderdelen kunnen derhalve bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
4
Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt P.J. Gielkens in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van M.C.A. Gielkens begroot op Æ’ 3412,50, op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier.
Conclusie
AG mr. Strikwerda
1
In oktober 1987 — kort na het overlijden van haar echtgenoot — kocht verweerster in cassatie een Opel Kadett voor ƒ 9350. In januari 1988 ruilde zij deze auto, onder bijbetaling van ƒ 11 500, in tegen een Opel Corsa. De Opel Kadett en, na de inruil, de Opel Corsa werden gebruikt door eiser in cassatie, een broer van verweerster in cassatie. De zuster beschikt namelijk niet over een rijbewijs, de broer wel.
2
Partijen betwisten elkaar de eigendom van de Opel Corsa. Volgens de zuster heeft zij de Opel Corsa, evenals eerder de Opel Kadett, aan haar broer in bruikleen gegeven, onder de afspraak dat de broer haar op afroep met de auto zou vervoeren, onder meer naar Heerlen waar haar zoon werd verpleegd. Volgens de broer heeft zijn zuster hem de Opel Corsa, evenals eerder de Opel Kadett, geschonken in verband met de door hem aan zijn zuster, na het overlijden van haar echtgenoot, bewezen en nog te bewijzen diensten.
3
Nadat partijen in onmin waren geraakt over de vervoerafspraak, heeft de zuster begin mei 1988 haar broer verzocht de Opel Corsa terug te geven. De broer weigerde, waarop de zuster revindicatoir beslag op de auto heeft doen leggen en de broer tot afgifte van de auto heeft gedagvaard voor de Rechtbank te Maastricht.
4
De Rechtbank gelastte bij tussenvonnis van 23 november 1989 een comparitie van partijen en liet bij tussenvonnis van 2 augustus 1990 de broer toe tot bewijs van zijn stelling dat hij eigenaar van de auto is. Op grond van het ten processe door partijen over en weer gestelde en de verdere omstandigheden van het geval was de Rechtbank van oordeel dat het in art. 2014 lid 1 (oud) BW besloten vermoeden dat de broer eigenaar van de auto is, zodanig is weerlegd, dat de broer zijn gepretendeerde eigendomsrecht heeft te bewijzen. Bij eindvonnis van 9 januari 1992 achtte de Rechtbank de broer niet geslaagd in het hem opgedragen bewijs en wees de vordering van de zuster toe.
5
De broer is van deze vonnissen in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch, doch tevergeefs. Bij arrest van 17 februari 1993 bekrachtigde het Hof de beroepen vonnissen.
6
Tegen het arrest van het Hof is de broer (tijdig) in cassatie gekomen met een uit tien onderdelen opgebouwd middel, dat door de zuster is bestreden met conclusie tot verwerping van het beroep.
7
De onderdelen 1 t/m 7 van het middel keren zich met rechts en motiveringsklachten tegen r.o. 4.3 van het bestreden arrest. In deze rechtsoverweging bespreekt en verwerpt het Hof de grieven aangevoerd tegen de bij het tweede tussenvonnis door de Rechtbank aan de broer verleende bewijsopdracht. Het Hof overweegt onder meer:
Allereerst stelt appellant dat de Rechtbank ingevolge artikel 2014 Burgerlijk Wetboek (oud), respectievelijk artikel 3:119 van het thans geldende Burgerlijk Wetboek het adagium ‘bezit geldt als volkomen titel’ had moeten toepassen. Bovendien is er naar de mening van appellant in de onderhavige zaak sprake van een aantal argumenten, welke zijn stelling dat hij eigenaar is geworden van de auto sterk zouden ondersteunen. Appellant gaat daarbij echter voorbij aan het feit dat hij de auto — ook naar zijn eigen stellingen — niet onder bezwarende titel verworven heeft. Bovendien wettigen geen der door appellant aangevoerde argumenten, noch deze argumenten in samenhang beschouwd, de conclusie dat aannemelijk is dat van een zuivere schenking van de auto sprake is geweest, terwijl de stellingen van zijn zuster zoals deze door de Rechtbank zijn weergegeven het oordeel van de Rechtbank rechtvaardigen dat gedaagde zijn gepretendeerde eigendomsrecht had te bewijzen. Zulks is ook in overeenstemming met het in artikel 177 Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde. De tegen het vonnis van 2 augustus 1990 aangevoerde grieven zijn derhalve ongegrond.
8
Onderdeel 1 leest in de zin
Appellant gaat daarbij echter voorbij aan het feit dat hij de auto — ook naar zijn eigen stellingen — niet onder bezwarende titel verworven heeft,
als opvatting van het Hof dat aan de processuele (bewijsrechtelijke) functie van bezit als voorwaarde moet worden gesteld dat het bezit onder bezwarende titel is verkregen. Het onderdeel bestrijdt deze opvatting als onjuist.
9
Het onderdeel berust m.i. op een verkeerde lezing van bestreden arrest. Gezien de opbouw van de gewraakte rechtsoverweging, slaat de bedoelde zin niet terug op het door de broer ingeroepen adagium ‘bezit geldt als volkomen titel’, maar op de door de broer aangevoerde argumenten, welke zijn stelling dat hij eigenaar is geworden van de auto zouden ondersteunen. De strekking van de bedoelde zin is kennelijk geen andere dan dat, naar het oordeel van het Hof, het argument dat de broer de auto om niet zou hebben verkregen geen sterk argument is ter ondersteuning van de eigendomspretenties van de broer.
10
Onderdeel 2 acht ’s Hofs oordeel, dat de broer zou hebben gesteld dat hij de auto niet onder bezwarende titel verworven heeft, onjuist, althans onbegrijpelijk.
11
Ook dit onderdeel is m.i. tevergeefs voorgesteld. Het oordeel van het Hof berust op uitleg van de gedingstukken, is dus feitelijk van aard, en kan daarom in cassatie op juistheid niet worden onderzocht. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. De stellingen van de broer met betrekking tot de diensten welke hij zijn zuster zou hebben bewezen, heeft het Hof kennelijk opgevat als een verklaring voor de door de broer gestelde vrijgevigheid van zijn zuster, doch niet als een tegenprestatie voor de overdracht van de auto. Waar de broer de bewezen diensten ‘beweegredenen’ van de schenking heeft genoemd (zie mem. van grieven, p. 2, 3e al.), is dat niet onbegrijpelijk.
12
Onderdeel 3 klaagt erover dat onduidelijk is wat het Hof in de volgende zin bedoelt met ‘zuivere schenking’ en dat ’s Hofs vaststelling dat van een zuivere schenking geen sprake is in strijd is met de eerdere vaststelling dat de broer niet onder bezwarende titel heeft verkregen.
13
Het onderdeel zal moeten falen. Het Hof stelt in deze zin de stellingen van de broer (de auto is geschonken) tegenover de stellingen van de zuster (de auto is slechts in bruikleen gegeven). Als het Hof in dit verband spreekt van ‘zuivere schenking’, heeft het dus kennelijk niet het oog op de vraag of tegenover de schenking van de auto een tegenprestatie stond, maar op de vraag of het ter beschikking stellen van de auto aan de broer meer inhield dan het enkel ten gebruike geven. Van de door het onderdeel bedoelde onduidelijkheid en tegenstrijdigheid is m.i. geen sprake.
14
Onderdeel 4, dat uitgaat van de veronderstelling dat het Hof in de door het vorige onderdeel bedoelde zin een uitwerking geeft aan de stelling dat de broer niet onder bezwarende titel heeft verkregen, berust, zo volgt uit het vorenstaande, op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.
15
Onderdeel 5 verwijt het Hof de argumenten die de broer had aangevoerd ter ondersteuning van zijn stelling dat zijn bezit het vermoeden van eigendom rechtvaardigt, ‘tegen de broer te laten werken’ door de bewijslast op grond van die argumenten om te keren. Aldus zou het Hof hebben miskend dat die argumenten geen rol spelen voor de vraag of de bewijslast dient te worden omgekeerd, doch slechts voor de vraag of de broer aan zijn stelplicht heeft voldaan.
16
Het onderdeel berust kennelijk op de opvatting dat de bezitter, die tegenover degene die zich op een beter recht beroept, nader en gemotiveerd stelt op grond waarvan hij meent rechthebbende te zijn, niet met het bewijs van zijn gepretendeerde eigendomsrecht kan worden belast. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Zij miskent dat het de rechter vrijstaat om, ook al heeft de bezitter aan zijn (nadere) stelplicht voldaan, op grond van hetgeen over en weer is gesteld en de verder gebleken omstandigheden van het geval, te oordelen dat het vermoeden van art. 2014 (oud)/3:119 BW, dat de bezitter eigenaar is, zodanig is weerlegd dat de bezitter zijn gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen. Zie HR 8 mei 1987, NJ 1988, 700 nt. WMK en HR 26 februari 1988, NJ 1989, 488 nt. WMK. Zie voorts Parlementaire Geschiedenis NBW, Boek 3, p. 446 (MvA II), en Asser-Mijnssen-De Haan, nr. 230. Het Hof heeft kennelijk van deze vrijheid gebruik gemaakt en de door de broer aangevoerde argumenten weinig aannemelijk geoordeeld tegenover de stellingen van de zuster. Zulks betekent niet dat het Hof de door de broer aangevoerde argumenten ‘tegen hem heeft laten werken’, maar te licht heeft bevonden.
17
Onderdeel 6 klaagt dat ’s Hofs beslissing om tot een omkering van de bewijslast te komen onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is, aangezien uit de door het Hof genoemde omstandigheden die omkering niet kan volgen.
18
Ook dit onderdeel lijkt mij tot falen gedoemd. Het stond het Hof vrij om op grond van zijn waardering van hetgeen over en weer is gesteld en de verder gebleken omstandigheden van het geval te oordelen dat de broer zijn gepretendeerde recht alsnog nader had moeten staven. Zie de reeds genoemde rechtspraak. De door het Hof aan zijn oordeel meegegeven motivering acht ik niet onbegrijpelijk of onvoldoende.
19
Onderdeel 7 berust op dezelfde (onjuiste) opvatting als onderdeel 5 en zal het lot daarvan moeten delen. Voor zover het onderdeel voorts de stelling verdedigt dat de broer kon volstaan met het stellen van zijn bezit van de auto en niet meer behoefde te stellen, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. De stelplicht van de bezitter houdt in dat hij tegenover degene die zich op een beter recht beroept, nader dient aan te geven op grond waarvan hij meent rechthebbende te zijn. Zie HR 24 november 1967, NJ 1968, 74 nt. HD en HR 12 januari 1968, NJ 1968, 274 nt. HD.
20
De onderdelen 8 t/m 10 zijn gericht tegen r.o. 4.2 van het bestreden arrest. In deze rechtsoverweging verwerpt het Hof de door de broer tegen het eerste tussenvonnis van de Rechtbank aangevoerde grief, voor zover thans van belang luidende:
Op pagina 2 van dit vonnis heeft de Rechtbank ten onrechte overwogen dat op 28 januari 1988 geïntimeerde de litigieuze Opel in eigendom heeft verworven (…).
Het Hof overweegt onder meer:
Appellant beroept zich in deze procedure op het feit dat zijn zuster de auto aan hem (via schenking van hand tot hand) heeft geschonken. Daarmede is onverenigbaar dat — zoals door appellant wordt gesteld — de auto niet eerst in het bezit van zijn zuster is geweest.
21
De in de onderdelen 8 t/m 10 tegen dit oordeel aangevoerde klachten zullen reeds wegens gebrek aan belang moeten falen. Uit het bestreden arrest blijkt immers niet dat het Hof aan de gewraakte overweging de conclusie heeft verbonden dat de — ook in cassatie gehandhaafde — stelling van de broer, dat hij het bezit van de auto, op welke wijze dan ook, van zijn zuster heeft verkregen, niet opgaat.
22
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.