HR 18-01-1991, NJ 1992, 667 Arrest Centraal beheer/Gritter
HR 18-01-1991, NJ 1992, 667 Arrest Centraal beheer/Gritter
NJ 1992 , 667
HOGE RAAD
18 januari 1991, nr. 14137
(Mrs. Snijders, De Groot, Bloembergen, Roelvink, Heemskerk; A-G Biegman-Hartogh; m.nt. CJHB onder HR 17 mei 1991, NJ 1992, 668)
RvdW 1991, 37
m.nt. CJHB
Regeling
BW (oud) art. 2014 lid 2; NBW art. 3:86 lid 3
Essentie
Diefstal auto. Onachtzaamheid. Anticipatie NBW.
Samenvatting
Voor het recht tot terugvordering, bedoeld in het tweede lid van art. 2014 BW (oud), dat toekomt aan degene die het bezit van de zaak onvrijwillig heeft verloren, is niet vereist dat bij het bezitsverlies geen onachtzaamheid zijnerzijds in het spel is geweest.
Hiermee strookt dat ook het op 1 jan. 1992 van kracht wordende art. 3:86 lid 3 NBW niet het vereiste van onachtzaamheid stelt. De bijzondere bescherming van verkrijgers te goeder trouw van een gestolen zaak als bedoeld in art. 3:86 lid 3 onder a NBW leent zich niet voor anticipatie. (Zie ook Adv.bl. 1991/9, p. 256 (H.A.G. Fikkers); AA 1991/12, p. 1128 (J. Hijma); NBW Kw. 1991/2, p. 55 (O.K. Brahn); red.)
Partijen
Centraal Beheer Schadeverzekering NV, te Apeldoorn, eiseres tot cassatie, adv. Mr. J.W. Lely,
tegen
Roelof Gritter, te Zwolle, verweerder in cassatie, niet verschenen.
Tekst
Hof:
(…)
De grieven
Centraal Beheer voert tegen het vonnis de volgende grieven aan:
I
Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen als volgt:
Vooropgesteld dient te worden dat het bepaalde in art. 2014 lid 2 BW een uitzondering vormt op de algemene regel van art. 2014 lid 1 BW en ook gezien moet worden tegen de achtergrond van de in art. 2014 lid 1 BW neergelegde bescherming van een verkrijger te goeder trouw.
De ratio van het bepaalde in art. 2014 lid 1 BW is hierin gelegen dat wie te goeder trouw en onder bezwarende titel een roerende zaak heeft verkregen van een beschikkingsonbevoegde, beschermd dient te worden tegen de oorspronkelijke eigenaar, indien deze door zijn gedragingen de schijn van beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder in het leven heeft geroepen.
Die situatie zal zich in het algemeen voordoen indien de eigenaar de roerende zaak vrijwillig uit handen heeft gegeven. Hiervan kan echter evenzeer sprake zijn indien de oorspronkelijke eigenaar onvrijwillig het bezit van een roerende zaak heeft verloren doch dit verlies of de diefstal kan worden herleid tot oorzaken, waarvan deze eigenaar een verwijt kan worden gemaakt of waarvan hij, de oorspronkelijke eigenaar, althans het risico behoort te dragen, omdat zijn gedragingen geacht kunnen worden de schijn van beschikkingsbevoegdheid van de dief of vinder in het leven te hebben geroepen.
Dit betekent dat degeen, die onder die omstandigheden te goeder trouw en onder bezwarende titel op deze schijn is afgegaan, de bescherming van art. 2014 lid 1 BW toekomt, en dat de actie tot revindicatie op grond van het bepaalde in art. 2014 lid 2 BW van de oorspronkelijke eigenaar, die die schijn van beschikkingsbevoegdheid in het leven heeft geroepen, niet kan slagen.
II
Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen als volgt:
Thans dient de vraag beantwoord te worden of Gritter zich kan beroepen op de bescherming van art. 2014 lid 1 BW, nu Centraal Beheer heeft aangevoerd dat Gritter niet kan worden aangemerkt als bezitter te goeder trouw, dit baserende op de zijns inziens dubieuze omstandigheden, waaronder Gritter deze auto kocht. Met name wijst hij op de weinig vertrouwenwekkende informatie omtrent het garagebedrijf ‘Auto Emmenes’ te Hilversum, waar Gritter de Rover kocht.
Gritter voert tegen het vonnis de volgende grief aan:
‘Ten onrechte heeft de rechtbank bewijs opgedragen met betrekking tot de diefstal’, welke grief klaarblijkelijk gelezen moet worden als:
‘Ten onrechte heeft de rechtbank geen bewijs opgedragen met betrekking tot de diefstal.’, zoals deze grief door Centraal Beheer ook is opgevat blijkens haar memorie van antwoord in het voorwaardelijke incidentele appel.
(…)
Beoordeling van het principale appel
1
Na te hebben overwogen als geciteerd in grief I, heeft de rechtbank zich geplaatst gezien voor de vraag, of aan Savelkouls kan worden toegerekend dat de vervreemder zich als beschikkingsbevoegd heeft kunnen voordoen. Deze vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord. Daartoe heeft zij van doorslaggevend belang geacht, dat Savelkouls de kopie van deel III van het kentekenbewijs heeft achtergelaten in de auto, die hij gedurende langere tijd onbeheerd heeft geparkeerd op een algemeen toegankelijk parkeerterrein nabij een internationale luchthaven.
Aldus heeft de rechtbank de schijn van beschikkingsbevoegdheid die de dief of vinder tegenover een te goeder trouw zijnde derde-verkrijger heeft kunnen opwekken toegerekend aan Savelkouls, hoezeer ook het verlies van de auto en dat van de kopie van deel III op zichzelf als onvrijwillig zijn aan te merken.
2
Grief I werpt de vraag op of Centraal Beheer, als gesubrogeerd in de rechten van Savelkouls, zich tegenover Gritter met succes op haar eigendomsrecht kan beroepen.
Deze vraag beantwoordt het hof ontkennend, gelet op:
—
hetgeen onder de vaststaande feiten is vermeld,
—
alsmede de omstandigheid dat noch is gesteld noch is gebleken dat Savelkouls op de mededeling dat de gestolen auto gevonden was enige maatregel heeft genomen om weer in het bezit te komen van de auto of van het daartoe behorende kentekenbewijs.
Door de uit deze feiten blijkende onachtzaamheid heeft Savelkouls de verhandelbaarheid van de auto zo zeer vergemakkelijkt, dat hij zich ten opzichte van een te goeder trouw zijnde verkrijger in dezelfde positie heeft gebracht als degene die zijn bezit niet onvrijwillig heeft verloren.
Dit brengt mede dat ook Centraal Beheer zich tegenover Gritter niet met succes kan beroepen op art. 2014 lid 2 BW.
Deze grief is dan ook ongegrond.
3
Het hiervoor onder 2 overwogene brengt mede, dat voor de bescherming van art. 2014 lid 1 BW, die Gritter inroept, het antwoord op de vraag of hij ten tijde van de verkrijging van de litigieuze auto te goeder trouw was, van belang is. Grief II miskent dit en faalt daarom.
Beoordeling van het voorwaardelijke incidentele appel
4
Nu de beide grieven in het principale appel falen, is aan de voorwaarde waaronder Gritter incidenteel heeft geappelleerd niet voldaan. Diens grief moet derhalve onbesproken blijven.
Cassatiemiddelen:
I
Schending van het recht alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven omdat het hof op in zijn arrest vervatte en hier als overgenomen te beschouwen gronden heeft overwogen en beslist als in voormeld arrest omschreven, en wel om een of meer van de redenen die zijn vermeld in het navolgende.
1
In r.o. 2 overweegt het hof, dat CB (als gesubrogeerd in de rechten van Savelkouls) zich tegenover Gritter niet met succes op haar (CB’s) eigendomsrecht kan beroepen.
2
Dit oordeel doet het hof hierop steunen dat uit de onder 1, 2 en 4 sub factis geresumeerde feiten, alsmede uit de omstandigheid dat niet is gesteld noch is gebleken dat Savelkouls enige maatregel heeft genomen om weer in het bezit te komen van de auto of van het daartoe behorende kentekenbewijs, zou blijken van onachtzaamheid van Savelkouls.
Door deze onachtzaamheid zou laatstgenoemde — aldus het hof — de verhandelbaarheid zo zeer vergemakkelijkt hebben dat hij zich ten opzichte van een te goeder trouw zijnde verkrijger in dezelfde positie heeft gebracht als degene die zijn bezit niet onvrijwillig heeft verloren.
3
Door op deze gronden het door CB uitgeoefende terugvorderingsrecht aan haar (CB) te ontzeggen, heeft het hof voorbijgezien dat voor de vraag of de eigenaar van een roerende zaak het in art. 2014 lid 2 BW omschreven terugvorderingsrecht kan uitoefenen, niet beslissend is of deze eigenaar zich al dan niet in dezelfde positie heeft gebracht als degene die zijn bezit onvrijwillig heeft verloren.
4
Door de rechtbank was in eerste aanleg vastgesteld, zonder dat zulks in hoger beroep onjuist is gebleken, dat de ten processe bedoelde auto aan Savelkouls werd ontstolen. Derhalve zal in cassatie kunnen worden aangenomen, dat sprake is van diefstal van deze auto.
5
Indien al het hof bedoeld mocht hebben dat in verband met de hierboven in onderdeel 2 van dit middel omschreven, door het hof bedoelde, omstandigheden niet kan worden gesproken van onvrijwillig bezitsverlies is zulks rechtens onjuist.
6
Dat in casu niet zou kunnen worden gesproken van zulk onvrijwillig bezitsverlies is voorts onbegrijpelijk nu vaststaat dat de auto is gestolen en aldus zich een onbegrijpelijke tegenstrijdigheid zou voordoen indien enerzijds het bezitsverlies niet onvrijwillig zou zijn en anderzijds aan de orde zou zijn diefstal van de auto. Derhalve is ook in zoverre ’s hofs arrest rechtens onjuist.
7
Indien al sprake is of zou zijn van onachtzaamheid van Savelkouls in verband met respectievelijk de omstandigheid, dat in de auto zich bevonden kenteken deel I, II en III alsmede een kopie van deel III en dat hij (Savelkouls) niet enige maatregel heeft genomen om weer in het bezit te komen van de auto of van het daartoe behorende kentekenbewijs, kan zulks niet met zich brengen dat Savelkouls en/of CB geen terugvorderingsrecht ingevolge art. 2014 lid 2 voormeld zouden kunnen uitoefenen. En dienaangaande evenmin van belang is, dat de verkrijger van de auto deze te goeder trouw zou hebben verkregen.
8
Voor het antwoord op de vraag, of Savelkouls en/of CB een terugvorderingsrecht als meer omschreven kunnen uitoefenen, heeft het hof ten onrechte beslissend of mede beslissend geacht, dat door Savelkouls verhandelbaarheid van de auto zou zijn vergemakkelijkt, aangezien de uitoefening van het door de wet aan de eigenaar van een roerende zaak toegekende terugvorderingsrecht niet verloren gaat of ontbreekt, indien hij (de eigenaar) verhandelbaarheid daarvan zou hebben vergemakkelijkt.
9
Even bedoeld criterium is reeds hierom onjuist, omdat in casu van enige verhandeling slechts sprake kan zijn nadat tevoren de auto was ontstolen aan de eigenaar en rechtens onaanvaardbaar is dat de juridieke gevolgen van diefstal voor de bestolen eigenaar afhankelijk zouden kunnen zijn van een eventuele vergemakkelijking van de ‘verhandelbaarheid’ door de dief en consorten.
10
Onduidelijk is hoe Savelkouls zich ten opzichte van een te goeder trouw zijnde verkrijger in enigerlei positie heeft gebracht als door het hof bedoeld, aangezien van enige rechtens relevante relatie tussen de bestolen eigenaar en een derde verkrijger na diefstal niet de rede kan zijn.
11
Ondoorzichtig is voorts, hoe het hof heeft kunnen oordelen dat van onachtzaamheid mede gesproken zou kunnen worden doordat niet is gesteld of gebleken dat Savelkouls op de in het arrest bedoelde mededeling van de politie van de gemeente Haarlemmermeer enige maatregel heeft genomen om weer in het bezit te komen van de auto of het kentekenbewijs.
12
Dit is reeds hierom onbegrijpelijk omdat immers de auto op 6 nov. 1983 (strafrechtelijk) in beslag genomen werd onder ten processe bedoelde Holtjer, welk beslag eerst op 27 april 1984 is opgeheven, terwijl voorts hetgeen het hof in dit verband rubriceert als onachtzaamheid, deze kwalificatie juridiek noch feitelijk rechtvaardigt. Aldus heeft het hof door het niet nemen van een maatregel als even omschreven, tezamen met het onder 1 en 2 sub factis vermelde, als onachtzaamheid aan te merken ook ten deze niet zijn arrest naar de eis der wet met redenen omkleed en geoordeeld in strijd met het recht.
II
Schending van het recht alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven omdat het hof op in zijn arrest vervatte en hier als overgenomen te beschouwen gronden heeft overwogen en beslist als in voormeld arrest omschreven, en wel om een of meer van de redenen die zijn vermeld in het navolgende.
1
Ten onrechte overweegt het hof in r.o. 2 dat van belang is, of Gritter ten tijde van de verkrijging van de litigieuze auto te goeder trouw was, voor wat betreft de door hem ingeroepen bescherming van art. 2014 lid 1.
2
Het hof heeft, aldus oordelende, miskend dat aan Gritter niet de bescherming van art. 2014 lid 1 toekomt en dat voor de door hem ingeroepen bescherming niet van belang is of hij ten tijde van de verkrijging van de auto te goeder trouw was. ’s Hofs oordeel is voorts ook ten deze niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Hoge Raad:
1
Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie — verder te noemen Centraal Beheer — heeft bij exploit van 25 okt. 1984 verweerder in cassatie — verder te noemen Gritter — onder betekening aan hem van een revindicatoir beslag gedagvaard voor de Rb. Zwolle en gevorderd Gritter te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de personenauto, merk Rover, kenteken JF-01-ZH, met de bijbehorende papieren en sleutels ter beschikking van Centraal Beheer te stellen op straffe van een dwangsom van ƒ 1000 per dag en het gelegd beslag van waarde te verklaren.
Nadat Gritter tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 15 jan. 1986 Gritter toegelaten getuigenbewijs te leveren en een inlichtingencomparitie gelast.
Tegen dit vonnis heeft Centraal Beheer hoger beroep ingesteld bij het Hof Arnhem, waarna Gritter incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
Bij arrest van 14 maart 1989 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing op de hoofdzaak naar de rechtbank terugverwezen.
(…)
3
Beoordeling van de middelen
3.1
In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.
Op 26 okt. 1983 heeft W. Savelkouls, wonende te Den Dungen, bij de rijkswacht te Zaventem, Belgie, aangifte gedaan van diefstal van zijn personenauto van het merk Rover in de nacht van 25 op 26 okt. 1983 vanaf een parkeerplaats bij de luchthaven Zaventem. In de auto bevonden zich de delen I, II en III en de kopie van deel III van het kentekenbewijs. Savelkouls heeft niet overeenkomstig art. 17 van het Reglement Kentekenregistratie bij de directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer aangifte gedaan van de diefstal van de kopie van deel III van het kentekenbewijs. Centraal Beheer heeft ter zake van de diefstal Æ’ 59 950 aan Savelkouls uitgekeerd. De rechten van Savelkouls ter zake van de auto zijn op Centraal Beheer overgegaan.
Centraal Beheer heeft op 19 okt. 1984 revindicatoir beslag op de auto doen leggen onder Gritter. Deze had de auto op 28 mei 1984 gekocht van het garagebedrijf ‘Auto Eemnes’ te Hilversum. In het onderhavige geding vordert Centraal Beheer van Gritter afgifte van de auto met de bijbehorende papieren en sleutels en vanwaardeverklaring van het beslag.
De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, geoordeeld: a. dat de door de diefstal ontstane schijn van beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder kan worden herleid tot oorzaken die Savelkouls verweten kunnen worden of waarvan hij het risico behoort te dragen, nu hij de auto met alle daarbij behorende papieren, waaronder de kopie van deel III, gedurende langere tijd onbeheerd heeft achtergelaten op een algemeen toegankelijk parkeerterrein nabij een internationale luchthaven; b. dat mitsdien Savelkouls — en derhalve ook Centraal Beheer — geen beroep toekomt op art. 2014 tweede lid BW tegenover degeen die te goeder trouw onder bezwarende titel heeft verkregen; c. dat Gritter zijn goede trouw bij de verkrijging van de auto — nodig voor zijn bescherming ex art. 2014 eerste lid — dient te bewijzen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Met betrekking tot grief I, die zich richtte tegen het hierboven onder a. weergegeven oordeel van de rechtbank, oordeelde het dat Savelkouls door de uit de feiten blijkende onachtzaamheid de verhandelbaarheid van de auto zozeer heeft vergemakkelijkt, dat hij zich ten opzichte van een verkrijger te goeder trouw in dezelfde positie heeft gebracht als degene die zijn bezit niet onvrijwillig heeft verloren, en dat dit meebrengt dat ook Centraal Beheer zich tegenover Gritter niet met vrucht op art. 2014 tweede lid kan beroepen.
3.2
Middel I keert zich tegenover evenvermeld oordeel van het hof.
De in het middel aangevoerde rechtsklachten zijn gegrond; de overige klachten behoeven geen behandeling. Voor het recht tot terugvordering, bedoeld in het tweede lid van art. 2014, dat toekomt aan degene die het bezit van de zaak onvrijwillig heeft verloren, is niet vereist dat bij het bezitsverlies geen onachtzaamheid zijnerzijds in het spel is geweest. Het hof heeft dit miskend en ten onrechte geoordeeld dat een rechthebbende die door onachtzaamheid — als in dit geval door het hof vastgesteld — de verhandelbaarheid van de zaak vergemakkelijkt, voor de toepassing van voormelde bepaling gelijk moet worden gesteld met degene die het bezit van zijn zaak niet onvrijwillig heeft verloren.
Met het voorgaande strookt dat ook het op 1 jan. 1992 van kracht wordende art. 3:86 lid 3 NBW niet het vereiste van onachtzaamheid stelt. Zulks blijkt uit de tekst van het artikellid en vindt bevestiging in zijn geschiedenis (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1216–1227), waarin steeds wordt gesproken over een tweetal uitzonderingen op de opeisingsregel betreffende gestolen zaken — de uitzonderingen die onder a en b in het artikellid zijn genoemd —, maar niet over een uitzondering voor het geval van onachtzaamheid van de eigenaar. De eis van onachtzaamheid kwam wel voor in eerdere versies — art. 3.4.2.3 van het Ontwerp Meijers en art. 3.4.2.3a van het regeringsontwerp dat tenslotte heeft geleid tot de vaststellingswet (Wet van 9 mei 1980, Stb. 430 — maar is reeds voor de totstandkoming van laatstgenoemde wet prijsgegeven (Parl. Gesch. Boek 3, p. 33 e.v.).
Opmerking verdient nog dat de bijzondere bescherming van verkrijgers te goeder trouw van een gestolen zaak als bedoeld in art. 3:86 lid 3 onder a NBW zich niet leent voor anticipatie.
3.3
Uit het vorenoverwogene volgt dat indien Savelkouls de auto door diefstal heeft verloren, die enkele omstandigheid de auto vatbaar maakt voor terugvordering op de voet van art. 2014 tweede lid ten laste van Gritter, en dat dit geldt onverschillig of deze bij de verkrijging van de auto te goeder trouw is geweest. Uit dit laatste volgt dat ook middel II gegrond is.
3.4
De gegrondheid van de middelen leidt tot de hierna te vermelden beslissing. Na verwijzing moet alsnog de grief in het incidenteel appel worden behandeld.
4
Beslissing
De HR:
vernietigt het arrest van het Hof Arnhem van 14 maart 1989;
verwijst het geding naar het Hof Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Gritter in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van Centraal Beheer begroot op Æ’ 1449 aan verschotten en Æ’ 3000 voor salaris.
Conclusie
A G mr. Biegman-Hartogh
1.1
Eiseres tot cassatie, Centraal Beheer, heeft aan haar verzekerde Savelkouls wegens diefstal van diens auto, merk Rover, een bedrag van bijna Æ’ 60 000 uitgekeerd; zij is ex art. 284K in de rechten van Savelkouls gesubrogeerd. Een jaar na de diefstal heeft Centraal Beheer op de auto revindicatoir beslag gelegd onder verweerder in cassatie, Gritter; zij heeft tegen hem een vordering ingesteld, gegrond op art. 2014 lid 2 BW, tevens betogend dat hij geen bezitter te goeder trouw was.
1.2
Gritter heeft ten verweer o.m. aangevoerd dat hij wel te goeder trouw was en dat aan Savelkouls, en dus ook aan Centraal Beheer, in de gegeven omstandigheden de bescherming van art. 2014 lid 2 niet toekomt. Die omstandigheden waren, naar het hof in het arrest a quo, p. 3, als vaststaand heeft aangemerkt (verkort weergegeven):
—
De Rover is eind oktober 1983 gestolen vanaf een parkeerplaats bij de luchthaven Zaventem; in de auto bevonden zich toen het kenteken deel I, II en III, alsmede de kopie deel III;
—
Savelkouls heeft, in strijd met art. 17 Reglement Kentekenregistratie, van de diefstal van de auto en van de kopie deel III geen aangifte gedaan bij de directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer;
—
Op 5 nov. 1983 heeft de politie van Haarlemmermeer aan Savelkouls laten weten dat de gestolen Rover was gevonden;
—
Echter is gesteld noch gebleken (zie p. 5 sub 2 van ’s hofs arrest), dat Savelkouls daarop enige maatregel heeft genomen om weer in het bezit te komen van de auto of van het kentekenbewijs.
1.3
De rechtbank was van oordeel (zie r.o. 6.2) dat de door de diefstal van de Rover ontstane schijn van beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder kan worden herleid tot oorzaken die aan Savelkouls verweten kunnen worden, of waarvan hij het risico behoort te dragen omdat hij door zijn gedragingen die schijn in het leven heeft geroepen, en dat derhalve aan Savelkouls, en dus ook aan Centraal Beheer, tegenover een bezitter te goeder trouw geen beroep toekomt op art. 2014 lid 2 BW. En de rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 jan. 1986 Gritter toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat hij bezitter te goeder trouw is van de Rover.
1.4
Nadat Gritter en zijn broer een verklaring hadden afgelegd, maar nog voordat getuigen in contra-enquete waren gehoord, heeft Centraal Beheer hoger beroep ingesteld tegen genoemd tussenvonnis van de rechtbank.
1.5
Het hof heeft bij het thans bestreden arrest van 14 maart 1989 het beroepen vonnis bekrachtigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen.
1.6
Tegen ’s hofs arrest heeft Centraal Beheer zich van beroep in cassatie voorzien. Er zijn twee middelen aangevoerd, waarvan het eerste twaalf en het tweede twee onderdelen telt. Gritter is in cassatie niet verschenen.
2
Het hof heeft zich naar aanleiding van grief I van Centraal Beheer de vraag gesteld of deze, als gesubrogeerd in de rechten van Savelkouls, zich tegenover Gritter met succes op art. 2014 lid 2 BW kan beroepen. Deze vraag heeft het hof, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval (zie boven sub 1.2), ontkennend beantwoord, met als motivering (zie r.o. 2 op p. 5):
Door de uit deze feiten blijkende onachtzaamheid heeft Savelkouls de verhandelbaarheid van de auto zo zeer vergemakkelijkt, dat hij zich ten opzichte van een te goeder trouw zijnde verkrijger in dezelfde positie heeft gebracht als degene die zijn bezit niet onvrijwillig heeft verloren. Dit brengt mee dat ook Centraal Beheer zich tegenover Gritter niet met succes kan beroepen op art. 2014 lid 2 BW.
3.1
Het huidige recht leest in art. 2014 lid 1 BW een bescherming van degene die te goeder trouw om baat bezit verkreeg van een beschikkingsonbevoegde. De ratio van de bepaling is vooral bescherming van het handelsverkeer. De uitzondering, neergelegd in het tweede lid van art. 2014 BW, berust op een belangenafweging: het werd billijk geacht aan de eigenaar die zijn zaak onvrijwillig, door diefstal of verlies, is kwijtgeraakt, nog gedurende drie jaar een sterker recht te geven dan de bezitter te goeder trouw van lid 1. Dit recht komt echter niet toe aan een eigenaar die vrijwillig de macht over zijn zaak uit handen heeft gegeven, aangezien in dat geval de eigenaar zelf ertoe heeft bijgedragen dat de vervreemder in staat was de schijn van beschikkingsbevoegdheid te wekken waarop de bezitter te goeder trouw is afgegaan.
3.2
Deze belangenafweging wordt nog verfijnd in Asser-Beekhuis-Mijnssen-De Haan 3–I, 1985, nr. 540; verdedigd wordt dat indien de diefstal of het verlies kan worden ‘herleid tot oorzaken, waarvan de eigenaar een verwijt kan worden gemaakt, of waarvan hij althans het risico behoort te dragen’, ook in dat geval het gedrag van de eigenaar de schijn van beschikkingsbevoegdheid van de dief of de vinder in het leven heeft geroepen, zodat hem tegenover de bezitter te goeder trouw geen revindicatie toekomt. Ter ondersteuning van deze stelling wordt nog verwezen naar art. 3.4.2.3 lid 4 van het Ontwerp Meijers en art. 3.4.2.3a lid 2 van het regeringsontwerp, waar de revindicatie was uitgesloten zowel bij vrijwillig bezitsverlies als bij een onvrijwillig bezitsverlies dat het gevolg was van onachtzaamheid. In het gewijzigd ontwerp echter is het verschil tussen vrijwillig en onvrijwillig bezitsverlies opgeheven.
3.3
Art. 3:86 (3.4.2.3a) NBW is nog enkele malen gewijzigd alvorens het in de wet van 3 juli 1989, Stb. 289, tot vaststelling van de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 (vierde gedeelte) zijn huidige vorm kreeg. Behelsde het ontwerp van deze invoeringswet (kamerstukken 17496, nr. 2) nog een zekere bescherming van de oorspronkelijke eigenaar van de zaak in de vorm van een terugkooprecht, toen dit recht bij nota van wijziging d.d. 3 okt. 1983, nr. 6, p. 11 was geschrapt, werd de verkrijger te goeder trouw ‘integraal’ beschermd, ongeacht of de eigenaar was bestolen, dan wel of hij de zaak door eigen onachtzaamheid was kwijtgeraakt. Na kritiek (zie het VV, nr. 9, p. 14–16) is het derde lid van art. 3:86 NBW, zoals dit thans luidt, toegevoegd om ‘tegemoet te komen aan de bezwaren die uit een oogpunt van misdaadbestrijding aan een algehele bescherming van verkrijgers te goeder trouw ook van gestolen zaken zijn verbonden’, zie nr. 12, derde nota van wijziging d.d. 4 juli 1985 met toelichting, p. 1–3, en voorts nr. 13, verslag mondeling overleg, p. 1/2 met op p. 3 het antwoord van de minister, waarin wordt herhaald dat revindicatie door de bestolene mogelijk moet zijn met het oog op misdaadbestrijding, welk aspect bij verloren zaken ontbreekt.
3.4
Zie omtrent een en ander Asser-Mijnssen, a.w., nrs. 510, 511 en 539–543, Schut-Rodenburg, Bescherming van de verkrijger van roerende zaken volgens BW en NBW, 1986, p. 23–25 en 62–68, Brahn, Ons allernieuwste 2014, WPNR 5739 (1985) en Pitlo-Brahn, 1987, p. 197/198.
4.1
Wat betreft het terugvorderingsrecht van de eigenaar die zijn zaak door diefstal is kwijtgeraakt, is er m.i. dus, behoudens de thans niet ter zake zijnde uitzondering van de consumentenbescherming, geen verschil tussen de regel van art. 2014 lid 2 en die van art. 3:86 lid 3 NBW; alleen is de ratio ervan een andere geworden. Dit verschil in ratio is terug te vinden in de motivering die resp. door de rechtbank en door het hof zijn gegeven: spreekt de rechtbank begin 1986 in r.o. 6.1 nog van het door de eigenaar in het leven roepen van de schijn van beschikkingsbevoegdheid van de dief of vinder, het hof motiveert zijn beslissing met het door de eigenaar vergemakkelijken van de verhandelbaarheid van de auto.
4.2
Beschouwd tegen deze achtergrond en gezien de omstandigheden van het onderhavige geval — het in de auto laten liggen van de papieren, inclusief de kopie deel III, het nalaten aangifte van de diefstal te doen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer, het niet reageren toen de politie de auto had gevonden — meen ik dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting, noch omtrent het huidige art. 2014 BW, noch omtrent art. 3:86 NBW, door te oordelen dat het doen en laten van Savelkouls zo weinig aan misdaadbestrijding heeft bijgedragen, dat hij zich tegenover een bezitter te goeder trouw in dezelfde positie heeft gebracht als een eigenaar die zijn bezit niet onvrijwillig heeft verloren, of anders gezegd: dat er uit een oogpunt van misdaadbestrijding geen reden was hem de bescherming van art. 2014 lid 2 BW, resp. art. 3:86 lid 3 NBW te verlenen.
5.1
Thans wat betreft de twaalf onderdelen van middel I. Voor zover deze onderdelen rechtsklachten bevatten, stuiten zij, naar ik meen, af op het boven sub 4 vermelde; en voor zover de motiveringsklachten al feitelijke grondslag bezitten, falen zij, aangezien het hof zijn beslissing m.i. toereikend en begrijpelijk heeft gemotiveerd.
5.2
Een aantal onderdelen mist feitelijke grondslag, omdat zij berusten op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest; miskend wordt:
a
dat het hof in casu de regel van art. 2014 lid 2 BW (art. 3:86 lid 3 NBW) juist niet heeft toegepast, maar in dit bijzondere geval daarop een uitzondering aanwezig heeft geacht;
b
dat niet elk van de genoemde omstandigheden afzonderlijk het hof tot deze beslissing heeft gebracht, maar alle omstandigheden tezamen genomen.
5.3
De onderdelen 1, 2 en 4 bevatten geen klacht. Onderdeel 3 stuit af op het sub 5.2 onder a vermelde. De onderdelen 5 en 6 missen feitelijke grondslag: het hof heeft het onvrijwillig bezitsverlies geenszins ontkend (zie r.o. 1 in fine), maar het heeft overwogen dat Savelkouls zich in dezelfde positie heeft gebracht als iemand die zijn bezit niet onvrijwillig heeft verloren. De onderdelen 7, 8, 9 en 11 falen m.i. op grond van het sub 5.2 sub b vermelde.
5.4
Onderdeel 10 jo. 7 in fine ziet eraan voorbij dat het hof slechts aan een verkrijger te goeder trouw in de omstandigheden van dit geval een beter recht heeft toegekend dan de eigenaar heeft; tegenover de bezitter, die geen beroep kan doen op art. 2014 lid 1 BW (art. 3:86 lid 1 NBW), heeft Savelkouls zijn revindicatierecht behouden.
5.5
Onderdeel 12 tenslotte faalt omdat het hof met het woord ‘onachtzaamheid’ — dat overigens geen specifiek juridische betekenis heeft, het hof had ook van ‘slordigheid’ of ‘laksheid’ kunnen spreken — klaarblijkelijk te kennen heeft willen geven dat Savelkouls te weinig acht heeft geslagen op door hem te nemen maatregelen tot het behouden en later tot het terugkrijgen van zijn eigendom.
5.6
Middel II, gericht tegen r.o. 2 (lees: r.o. 3) faalt eveneens, aangezien ook hier wordt voorbijgegaan aan het boven sub 5.2 onder a vermelde; zie ook boven sub 5.4.
6
Aangezien ik de aangevoerde middelen ongegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep met veroordeling van Centraal Beheer in de kosten.