HR 26-06-1964, NJ 1965, 2 Arrest Willemse (Nieuwe algemene bedrijfsvereniging)

HR 26-06-1964, NJ 1965, 2 Arrest Willemse (Nieuwe algemene bedrijfsvereniging)

HOGE RAAD (Burg. Kamer), 26 Juni 1964. (Mrs. de Jong, Wiarda, Houwing, Petit en Beekhuis).

Regeling

wet R.O. art. 2; Ziektewet artt. 73 en 75; Kinderbijslagwet art. 38, 2e lid, zoals dit artikel luidde in 1961; Werkloosheidswet art. 43

Essentie

Gewone of administratieve rechter?

Samenvatting

De beoordeling van het dit geding beheersende geschilpunt tussen pp., of W., eiser tot cassatie, als werkgever is aangesloten bij de Nieuwe Algem. Bedrijfsver. voor ziekengeldverz., Kinderbijslagverz. en Wachtgeld- en Werkloosheidsverz., is opgedragen aan de administratieve rechter. Aangenomen moet worden dat het in de artt. 73 en 75 Ziektewet, 38, 2e lid, Kinderbijslagwet (zoals dit artikel in 1961 luidde) en 43 Werkloosheidswet toegekende recht van beroep ook omvat geschillen omtrent de grondslag van premien en voorschotpremien, en eveneens prejudiciele vragen, zoals in het onderhavige geding de vraag, of de beslissing van de Sociale Verzekeringsraad omtrent de aansluiting van W. als werkgever bij de opgemelde bedrijfsver. W. bindt. De vorenbedoelde opdracht aan de administratieve rechter heeft de betekenis dat deze bij uitsluiting bevoegd is het geschilpunt te beslechten waarom het in dit geding gaat.*
* Zie de noot onder dit arrest
* Zie noot onder het arrest. (Red.)

Partijen

I
Willemse, te Rotterdam, eiser tot cassatie van een arrest van 31 Okt. 1963, door het Hof te Amsterdam tussen partijen gewezen, adv. Mr. W. van der Meij
tegen
de rechtspersoon Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging voor Ziekengeldverzekering, Kinderbijslagverzekering en Wachtgeld en Werkloosheidsverzekering, te Amsterdam, verweerster, adv. Mr. S.E. Gratama.
De Hoge Raad, enz.;

Tekst

O. dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt:
dat eiser tot cassatie, hierna te noemen Willemse, de verweerster in cassatie, hierna te noemen de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, voor de Rb. te Amsterdam heeft gedaagd en heeft gevorderd, dat de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging worde veroordeeld om hem Æ’ 2000,60 met de wettelijke rente over dit bedrag te betalen;
dat Willemse daartoe heeft gesteld:
dat hij vanaf 1 Febr. 1961 personeel in dienst heeft en aldus werkgever is in de zin der sociale verzekeringswetgeving; dat hij mitsdien vanaf 1 Febr. 1961 terzake van de uitvoering der Ziektewet, Kinderbijslagwet en Werkloosheidswet van rechtswege is aangesloten bij de bedrijfsvereniging, welke haar werking uitstrekt over het onderdeel van het bedrijfs en beroepsleven, waartoe de werkzaamheden behoren welke hij doet verrichten, terwijl hij, indien hij werkzaamheden zou doen verrichten, welke tot verschillende onderdelen van de bedrijfs en beroepsleven behoren, ressorterende onder verschillende bedrijfsverenigingen, van rechtswege is aangesloten bij die bedrijfsvereniging, welke haar werking uitstrekt over het onderdeel van het bedrijfs en beroepsleven, waartoe de werkzaamheden behoren, waarvoor door hem in de regel het grootste bedrag aan loon wordt of vermoedelijk zal worden betaald; dat Willemse in zijn onderneming voert een copieerinrichting en verder administratieve werkzaamheden doet verrichten, wordende door hem voor de werkzaamheden, verricht in de copieerinrichting, het grootste bedrag aan lonen betaald; dat de werkzaamheden, verricht in de copieerinrichting, krachtens de Organisatiewet Sociale Verzekering en een daarop gebaseerde beschikking van de Staats-Secretaris van Sociale Zaken behoren tot de grafische industrie, zodat Willemse op voornoemde gronden van rechtswege is aangesloten bij de Grafische Bedrijfsvereniging, althans niet bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging; dat de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging zich echter op het standpunt heeft gesteld, dat Willemse van rechtswege bij haar is aangesloten; dat Willemse hiertegen bezwaren heeft ingebracht bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging en bij de Sociale Verzekeringsraad; dat de Sociale Verzekeringsraad daarop heeft beslist, dat Willemse zich bezighoudt met het uitlenen of bezorgen van arbeidskrachten in de zin der beschikking van deze Raad van 30 Mei 1958, no. 50996, Staatscourant van 24 Juni 1958, no. 119 (Beschikking bezorg en uitleenbedrijven) en mitsdien van rechtswege is aangesloten bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging; dat deze beslissing in strijd is met de wet en voornoemde beschikking, daar immers Willemse zich in het geheel niet bezighoudt met het uitlenen of bezorgen van arbeidskrachten, zodat mitsdien Willemse van rechtswege niet bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging is aangesloten; dat Willemse aan de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging wegens gevorderde voorschotpremies voor wachtgeld en werkloosheidsverzekering, kinderbijslagverzekering ziekengeldverzekering over het jaar 1961 heeft voldaan een totaalbedrag van Æ’ 2000,60, welke betaling echter blijkens het vorenstaande onverschuldigd is geschied; dat Willemse derhalve gerechtigd is voornoemd bedrag van Æ’ 2000,60 van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging terug te vorderen;
dat de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging bij conclusie van antwoord de onbevoegdheid van de Rb. tot kennisneming van deze vordering, althans de niet-ontvankelijkheid van Willemse in die vordering heeft ingeroepen, zulks op grond: dat geschillen over de krachtens de Ziektewet, de Kinderbijslagwet en de Werkloosheidswet verschuldigde premies ingevolge die wetten bij uitsluiting ter berechting zijn opgedragen aan de Raden van Beroep en de Centrale Raad van Beroep; dat de beslissing in een geschil over de aansluiting van een werkgever bij een bedrijfsvereniging volgens art. 8 van de Organisatiewet Sociale Verzekering berust bij de Sociale Verzekeringsraad; dat voorschotpremies ingevolge art. 11 der Coordinatiewet Sociale Verzekering juncto art. 9 e.v. van het Besluit van de Sociale Verzekeringsraad d.d. 31 Dec. 1953, No. 6895, slechts zijn verschuldigd als premie is verschuldigd; dat over de verschuldigdheid van voorschotpremies dus eerst kan worden beslist nadat uitspraak is gedaan over de verschuldigdheid van de premie; dat echter de burgerlijke rechter onbevoegd is te beslissen over de verschuldigdheid van premie; dat derhalve de vordering tot terugbetaling van beweerdelijk onverschuldigd betaalde voorschotpremies niet-ontvankelijk is, zolang de administratieve rechter geen uitspraak over de verschuldigdheid der premie heeft gedaan;
dat de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging voorts eveneens verweer ten gronde tegen de door Willemse tegen haar ingestelde vordering heeft gevoerd;
dat de Rb. na verder debat tussen pp. de door Willemse ingestelde vordering heeft toegewezen;
dat de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging van dit vonnis in hoger beroep is gekomen en daartegen o.m. de navolgende grieven heeft aangevoerd:
I
dat de Rb. zich ten onrechte bevoegd had verklaard van de vordering kennis te nemen;
II
dat de Rb. ten onrechte Willemse in zijn vordering ontvankelijk had verklaard;
dat het Hof in het bestreden arrest heeft beslist, dat vorenomschreven eerste grief geen doel trof en daarna omtrent vorengemelde tweede grief heeft overwogen:
‘dat, zodra de burgerlijke rechter bevoegdelijk van een vordering uit onverschuldigde betaling kennis neemt, de door de eiser gestelde grond van die onverschuldigdheid een rol gaat spelen in dier voege, dat — indien daarover geschil blijkt te bestaan (hetgeen uiteraard afhangt van het door de gedaagde — eventueel — gevoerde verweer) en wanneer dan voor de beslechting van dit geschilpunt bij uitsluiting een bijzondere rechtsgang (rechterlijk of administratief) is aangewezen — de gewone rechter die onverschuldigdheid niet mag beoordelen en hierop de vordering moet doen stranden;
‘dat mitsdien de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging in de tweede grief met recht de vraag aan de orde stelt, of de beoordeling van het tussen pp. bestaande geschil over de verschuldigdheid van de haar door Willemse betaalde premies in de desbetreffende wetten uitsluitend aan de Raden van Beroep en de Centrale Raad van Beroep als bijzondere rechter is opgedragen;
‘dat de verschuldigdheid van premie in vorenbedoelde wetten aan het oordeel van de Raden van Beroep en de Centrale Raad van Beroep is onderworpen in deze vorm, dat voor de werkgever beroep openstaat: volgens art. 73 der Ziektewet van de vaststelling der premien, volgens art. 38 der Kinderbijslagwet (naar de destijds geldende tekst) van de beslissing van een bedrijfsvereniging ten aanzien van de verschuldigde premie, en volgens art. 43 der Werkloosheidswet van een beslissing van het bestuur ener bedrijfsvereniging voorzover de beslissing betrekking heeft op de verschuldigde premie;
‘dat deze voorschriften in hun uiteenlopende bewoordingen het stilzwijgen bewaren over de voor dit geding — over voorschotpremies door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging geheven van Willemse als bij haar aangesloten werkgever — gewichtige vragen, of de aan voormelde administratieve rechter (kennelijk — en in art. 75 der Ziektewet uitdrukkelijk — bij uitsluiting) opgedragen berechting van geschillen over de verschuldigdheid van premie alleen het bedrag van de premie betreft dan wel ook andere grondslagen van de premieheffing (waaronder de aansluiting van de werkgever bij de bedrijfsvereniging) en of die berechting alleen op de eigenlijke premie dan wel ook op voorschotpremies betrekking heeft;
‘dat naar ’s Hofs oordeel de burgerlijke rechter, in een geding als het onderhavige bij uitzondering tot de beantwoording van deze vragen geroepen, zich bij de bepaling van de rechtsmacht van de administratieve rechter — mede ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen — dient te richten naar het eigen oordeel van die rechter in het hoogste ressort;
‘dat nu naar de uitlegging van vorengenoemde voorschriften door de Centrale Raad van Beroep, zoals die door het Hof wordt gelezen in de gepubliceerde (ook door partijen geciteerde) uitspraken van deze Raad — welke uitlegging ook volgens het Hof, naar het ten overvloede vaststelt, volledig beantwoordt aan een redelijke wetstoepassing —, de werkgever niet alleen het bedrag der van hem geheven premie, maar ook andere grondslagen van de premieheffing aan de Raad van Beroep mag onderwerpen (waarbij ook beslissingen van de Sociale Verzekeringsraad over de aansluiting van de werkgever bij een bepaalde bedrijfsvereniging — gelijk die in dit geding omstreden — niet aan elke toetsing ontkomen), en dit niet slechts ten aanzien van de eigenlijke premie, maar ook van voorschotpremies;
‘dat het Hof oordeelt tot staving hiervan te kunnen volstaan met een aanhaling uit de recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 2 Dec. 1960 (Administratieve en Rechterlijke Beslissingen 1961, 565, Rechtspraak Sociale Verzekering 1961, 1);
‘dat uit al het voorgaande volgt, dat het tussen pp. gerezen geschil over de verschuldigdheid van de voorschotpremies, door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging van Willemse als bij haar aangesloten werkgever gevorderd, in de desbetreffende wetten bij uitsluiting ter berechting is opgedragen aan de administratieve rechter en uit dien hoofde is onttrokken aan de beoordeling van de burgerlijke rechter ook in een geding, waarin dat geschilpunt ten grondslag ligt aan een vordering uit onverschuldigde betaling van die premies;
dat hierin geen verandering wordt gebracht door al hetgeen Willemse ter ondersteuning van zijn standpunt heeft aangevoerd;
dat het Hof op deze gronden voormelde tweede grief gegrond heeft verklaard, voorts heeft beslist dat de door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging opgeworpen derde grief dientengevolge niet aan de orde kon komen, het tussen partijen gewezen vonnis heeft vernietigd en Willemse niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering;
O. dat Willemse de navolgende middelen van cassatie tegen dit arrest heeft aangevoerd:
I
S. van het recht, en met name v. t. of s. van de artt. 170 Gw., 165 Gw. (van 1815), 2 en 20 RO, 5, 11 en 12 AB, 1395 t/m 1398, 1417 en 1422 BW, 48 en 59 Rv., 1, 73 en 75 van de Wet van 15 Juni 1913, Stb. 204 (Ziektewet), 2 en 43 Werkloosheidswet, 2. 38 en 40 Kinderbijslagwet, 20 van het tweede Uitvoeringsbesluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken ingevolge het Ziekenfondsbesluit van 16 Okt. 1941, Stb. S 809, 11, 15 en 16a van de Coordenatiewet Sociale Verzekering, 2, 3, 7, 8 en 47 van de Organisatiewet Sociale Verzekering, alsmede I, II en III van de beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 8 Dec. 1952, no. 6888, Stcrt. 1952, no. 242, doordat het Hof, overwegende dat art. 2 RO, de kennisneming van alle geschillen o.a. over schuldvorderingen bij uitsluiting opdragende aan de rechterlijke macht, deze uitsluitende bevoegdheid afhankelijk stelt van het recht, waarvan Willemse blijkens de door hem gestelde rechtsverhouding bescherming verlangt; dat daarom, nu Willemse blijkens zijn stellingen bescherming vraagt van zijn recht van terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald, zijn vordering — ongeacht de door hem gestelde grond van die onverschuldigdheid — betrekking heeft op een geschil over schuldvorderingen, als in art. 2 RO bedoeld, en uit dien hoofde bij uitsluiting behoort tot de bevoegdheid van de gewone rechter, maar dat nochtans, zodra de burgerlijke rechter aldus bevoegdelijk van een vordering uit onverschuldigde betaling kennis neemt, de door Willemse gestelde grond van die onverschuldigdheid wel een rol gaat spelen in dier voege, dat — indien daarover geschil blijkt te bestaan en wanneer dan voor de beslechting van dit geschilpunt bij uitsluiting een bijzondere rechtsgang (rechterlijk of administratief) is aangewezen — de gewone rechter die onverschuldigdheid niet mag beoordelen en hierop de vordering moet doen stranden, en voorts overwegende, dat de artt. 73 van de Ziektewet, 38 van de Kinderbijslagwet en 43 van de Werkloosheidswet het stilzwijgen bewaren over de vragen of aan de administratieve rechter (kennelijk bij uitsluiting) is opgedragen de berechting van geschillen over de grondslag van de premieheffing, waaronder aansluiting van de werkgever bij de bedrijfsvereniging en of die berechting alleen op de eigenlijke premie dan wel ook op de voorschotpremies betrekking heeft, ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgerlijke rechter, bij uitzondering geroepen om deze vragen te beantwoorden, zich naar het eigen oordeel van de administratieve rechter in hoogste ressort dient te richten bij bepaling van de rechtsmacht van die administratieve rechter, omdat het Hof daardoor heeft voorbijgezien, dat het nu juist gaat om de vraag tot wiens rechtsmacht de betrokken geschilpunten behoren, welke vraag de gewone rechter noopt te onderzoeken, of zij behoren tot de rechtsmacht van de gewone rechter, een onderzoek dat het Hof ten onrechte geacht heeft te hebben verricht door na te gaan welk oordeel de administratieve rechter over zijn rechtsmacht heeft, hebbende het Hof daardoor immers de van hem verlangde beslissing afgeschoven op de administratieve rechter en ten onrechte het oordeel van de administratieve rechter voor de gewone rechter in casu bindend geacht, zonder naar de gestelde vragen een zelfstandig onderzoek in te stellen, welk onderzoek het Hof in dit geval juist daarom had moeten instellen, omdat het Hof zelf overweegt, dat de Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de werkgever ook andere grondslagen van de premieheffing aan de Raad van Beroep mag onderwerpen, niet dat de Raad van Beroep bij uitsluiting tot dit oordeel bevoegd zou zijn;
II
Schending van het recht en met name van de onder I reeds genoemde wetsartikelen, doordat het Hof heeft geoordeeld, dat het tussen pp. gerezen geschil over de verschuldigdheid van de voorschotpremies, door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging van Willemse als bij haar aangesloten werkgever gevorderd, in de desbetreffende wetten bij uitsluiting is opgedragen aan de administratieve rechter, ten onrechte,
a
aangezien partijen immers niet verdeeld zijn ten aanzien van de vraag of de verschuldigdheid van voorschotpremies, door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging van Willemse als bij haar aangesloten werkgever gevorderd, ter beoordeling staat van de administratieve rechter, doch over de vraag, of, indien betaalde voorschotpremies als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd, welke actie ook volgens ’s Hofs oordeel ter beoordeling staat van de gewone burgerlijke rechter, de burgerlijke rechter dan tevens mag beoordelen de grondslag van die terugvorderingsactie — het niet van rechtswege aangesloten zijn van Willemse bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging —;
b
doordat het Hof, oordelende als voormeld, ten onrechte is uitgegaan van de aansluiting van Willemse als werkgever bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, zijnde deze vraag nu juist in discussie en door het Hof niet, of althans niet voldoende gemotiveerd, beslist, hoewel het Hof daarover wel een beslissing had moeten nemen;
III
Schending van het recht en met name van de onder I reeds genoemde wetsartikelen, doordat het Hof in deze zaak terzake van een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling — waarin Willemse van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, stellende, dat hij op de gronden, in de inleidende dagvaarding genoemd, niet van rechtswege bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging is aangesloten en dat de beslissing van de Sociale Verzekeringsraad, waarbij beslist werd, dat Willemse wel van rechtswege bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging is aangesloten, in strijd is met de wet en mitsdien onverbindend, als onverschuldigd betaald heeft teruggevorderd een door hem aan de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging wegens gevorderde voorschotpremies voor wachtgeld en werkloosheidsverzekering, kinderbijslagverzekering, ziekengeldverzekering en ziekenfondsverzekering over het jaar 1961 voldaan totaalbedrag van Æ’ 2000,60 ten onrechte heeft vernietigd het vonnis der Rb., waarbij deze die vordering heeft toegewezen, nadat de Rb. o.m. het beroep van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging op de niet-ontvankelijkheid van Willemse had verworpen, zulks op grond, dat de Bevoegdheid van de Bedrijfsverenigingen desgewenst ter nadere verrekening een voorschotpremie te heffen een actie als de onderhavige tot terugvordering van hetgeen onverschuldigd als voorschotpremie is betaald niet in de weg staat, nu de strijdvraag, die partijen verdeeld houdt, niet betreft de hoogte der premie (welke vraag door de Raad van Beroep resp. de Centrale Raad van Beroep beslist zou moeten worden), doch de vraag, of Willemse terecht bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging is ingeschreven, overwegende het Hof daarbij ten onrechte, dat, nu de artt. 73 van de Ziektewet, 38 van de Kinderbijslagwet en 43 van de Werkloosheidswet in hun uiteenlopende bewoordingen het stilzwijgen bewaren over de voor dit geding belangrijke vraag, of de bij voormelde artikelen aan genoemde administratieve rechter opgedragen berechting van geschillen over de verschuldigdheid van premie alleen het bedrag van de premie betreft dan wel ook andere grondslagen van de premieheffing (w.o. de aansluiting van de werkgever bij de bedrijfsvereniging), naar ’s Hofs oordeel de burgerlijke rechter, in een geding als het onderhavige bij uitzondering tot beantwoording van deze vragen geroepen, zich bij de bepaling van de rechtsmacht van de administratieve rechter — mede ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen — dient te richten naar het eigen oordeel van die rechter in het hoogste ressort, reden waarom, nu naar de uitlegging van vorengenoemde voorschriften door de Centrale Raad van Beroep, zoals die door het Hof wordt gelezen in de gepubliceerde (ook door partijen geciteerde) uitspraken van deze Raad — welke uitlegging volgens het Hof, naar het ten overvloede vaststelt, volledig beantwoordt aan een redelijke wetstoepassing —, de werkgever niet alleen het bedrag der van hem geheven premie, maar ook andere grondslagen van de premieheffing aan de Raad van Beroep mag onderwerpen (waarbij ook beslissingen van de Sociale Verzekeringsraad over de aansluiting van werkgevers bij een bepaalde bedrijfsvereniging — gelijk die in dit geding omstreden — niet aan elke toetsing ontkomen), en dit niet slechts ten aanzien van de eigenlijke premie, maar ook van voorschotpremies, het Hof het tussen partijen terzake van de door Willemse ingestelde vordering — waarvan de kennisneming, ook naar het Hof, uitsluitend behoort tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter — bestaande geschilpunt over de aansluiting van Willemse bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging en over de verbindendheid van de eerder vermelde beslissing van de Sociale Verzekeringsraad kennelijk beoordeelt te zijn een geschil over de verschuldigdheid van de voorschotpremies, in de desbetreffende wetten (bij uitsluiting) ter berechting opgedragen aan de administratieve rechter en uit dien hoofde onttrokken aan de beoordeling van de burgerlijke rechter, althans in ieder geval te zijn een onderwerp, dat, omdat de Centrale Raad van Beroep oordeelt, dat de werkgever ook aan de Raad van Beroep mag onderwerpen geschillen, geschilpunten of onderwerpen, in de zin en met de strekking gelijk het Hof overweegt, aan het oordeel van de burgerlijke rechter onttrokken is, op welke grond Willemse in zijn vordering niet-ontvankelijk werd verklaard, zulks ten onrechte, omdat het geschil over de aansluiting (het van rechtswege aangesloten zijn) van Willemse bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging en over de verbindendheid van de beslissing van de Sociale Verzekeringsraad niet is een geschil over de vaststelling der premien, als genoemd in art. 73 van de Ziektewet, over de beslissing van een bedrijfsvereniging t.a.v. de verschuldigde premie, als genoemd in art. 38 van de Kinderbijslagwet, en over de beslissing van het bestuur ener bedrijfsvereniging, voor zover de beslissing betrekking heeft op de verschuldigde premie, over welke geschillen ingevolge voornoemde wetten wordt geoordeeld door de Raden van Beroep en de Centrale Raad van Beroep, zodat meergemeld geschilpunt mitsdien niet is een onderwerp, uit hoofde als vorenvermeld onttrokken aan de kennisneming en beslissing der rechterlijke macht, haar bij art. 2 Wet RO bij uitsluiting opgedragen, van alle geschillen over schuldvorderingen en van het onderhavige geding over de vordering van Willemse — waarbij deze voorschotpremies als ten onrechte aan de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging betaald van haar terugvordert —, welke wettelijke opdracht niet beperkt wordt en kan worden door het oordeel van de Centrale Raad van Beroep over de bepaling van zijn eigen rechtsmacht, gelijk die eigen rechtsmacht niet door dit oordeel met kracht van wet kan worden uitgebreid, aangezien alleen de wet de door haar aan de rechterlijke macht gegeven opdracht kan beperken, kennende dus het Hof aan de Centrale Raad van Beroep aldus een macht toe, die deze niet heeft, gelijk het Hof de macht dier toekenning en van het aldus scheppen van een rechtsregel niet heeft;’
O. met betrekking tot het derde middel, hetwelk de Hoge Raad het eerst zal behandelen:
dat dit middel berust op de stelling, dat de beoordeling van het dit geding beheersende geschilpunt tussen pp., of Willemse als werkgever is aangesloten bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, niet krachtens de sociale verzekeringswetten aan de Raden van Beroep en den Centralen Raad van Beroep is opgedragen en dus niet aan den gewonen — burgerlijken — rechter is onttrokken, ongeacht hoe de Centrale Raad van Beroep omtrent den omvang van zijn eigen rechtsmacht oordeelt;
dat de bewoordingen van de te dezen in aanmerking komende artt. 73 en 75 van de Ziektewet, 38, lid 2, van de Kinderbijslagwet, zoals dit artikel in 1961 luidde, en 43 van de Werkloosheidswet niet duidelijk aangeven hoe ver de aan de Raden van Beroep opgedragen rechtsmacht t.a.v. geschillen over aan een bedrijfsvereniging verschuldigde pren reikt, maar blijkens de geschiedenis van de sociale verzekeringswetgeving de wetgever den administratieven rechter met betrekking tot de hem bij de sociale wetten ter berechting opgedragen geschillen een ruime bevoegdheid heeft willen geven;
dat immers reeds bij de totstandkoming van de Beroepswet er in de Mem. v. Toel. op werd gewezen, dat met het oog op een uniforme toepassing en constante jurisprudentie er voor was gewaakt dat aan den administratieven rechter geen belemmeringen t.a.v. zijn bevoegdheid in den weg zouden worden gelegd, terwijl niet blijkt dat de wetgever in latere wetten waarin aan belanghebbenden beroep op den administratieven rechter werd toegekend, ooit de ruime bevoegdheid van dezen rechter heeft willen beperken;
dat op grond hiervan de vorenbedoelde bepalingen van de Ziektewet, de Kinderbijslagwet en de Werkloosheidswet ruim moeten worden uitgelegd en moet worden aangenomen, dat het in die bepalingen toegekende recht van beroep ook omvat geschillen omtrent den grondslag van premien en voorschotpremien, en eveneens prejudiciele vragen, zoals in het onderhavige geding de vraag, of de beslissing van den Socialen Verzekeringsraad omtrent de aansluiting van Willemse als werkgever bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging Willemse bindt;
dat een interpretatie van genoemde wetsbepalingen in bovengemelde zin temeer in de rede ligt, omdat alleen op deze wijze een duidelijke begrenzing tussen de bevoegdheid van den burgerlijken rechter en die van den administratieven rechter is vast te stellen;
dat de vorenbedoelde opdracht aan den administratieven rechter, gelijk ook uit art. 3 van de Beroepswet volgt, de betekenis heeft, dat deze bij uitsluiting bevoegd is het geschilpunt waarom het in dit geding gaat te beslechten;
dat derhalve juist is ’s Hofs beslissing, dat het geschil hetwelk het onderhavige geding beheerst, aan het oordeel van den burgerlijken rechter is onttrokken, en dat deze rechter op dien grond de door Willemse ingestelde vordering niet kan ontvangen zolang dit geschil niet door den administratieven rechter is beslecht;
dat het derde middel mitsdien geen doel treft;
O. thans t.a.v. het tweede middel:
dat dit middel berust op de navolgende stellingen:
a
dat, nu de onderhavige vordering tot terugbetaling van hetgeen onverschuldigd is betaald ter kennisneming van den burgerlijken rechter staat, deze tevens den grondslag van die vordering — het niet van rechtswege aangesloten zijn van Willemse als werkgever bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging — mocht en moest beoordelen;
b
dat het Hof ten onrechte is uitgegaan van het aangesloten zijn van Willemse als werkgever bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, hoewel dit juist in discussie was en mitsdien hieromtrent door het Hof had moeten worden beslist;
dat de onder a vermelde stelling reeds haar beantwoording vindt in het omtrent het derde middel overwogene en daaraan niet afdoet, dat de burgerlijke rechter bevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen;
dat de onder b vermelde stelling feitelijke grondslag mist, vermits het Hof niet is ‘uitgegaan’ van het aangesloten zijn van Willemse als werkgever bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, maar slechts — en zulks terecht — heeft beslist, dat het dit geschilpunt niet mag beoordelen;
dat het tweede middel mitsdien ongegrond is;
O. tenslotte t.a.v. het eerste middel:
dat het omtrent het derde middel overwogene reeds medebrengt, dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden, zodat Willemse bij dit middel geen belang heeft;
O. dat mitsdien het cassatieberoep wegens het falen van alle middelen moet worden verworpen;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt eiser tot cassatie in de op het beroep gevallen kosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerster in cassatie begroot op Æ’ 50 aan verschotten en Æ’ 1000 voor salaris.

Conclusie

Proc.-Gen. Mr. Langemeijer
De actie, waarom het hier gaat, is een tot teruggave van volgens de eiser, thans eiser tot cassatie, onverschuldigd betaalde premie ingevolge de Ziektewet, de Kinderbijslagwet en de Werkloosheidswet. De onverschuldigdheid zou volgens de stellingen van eiser tot cassatie uitsluitend hierin haar grond vinden, dat de heffing geschiedde door een andere bedrijfsvereniging dan waarbij eiser meende volgens de toepasselijke wettelijke voorschriften van rechtswege aangesloten te zijn. Eiser had deze mening voorgelegd aan de Sociale Verzekeringsraad, die echter eisers bezwaar verwierp. Het Hof heeft eiser niet ontvankelijk verklaard op deze grond, dat voor het geschilpunt, dat voor het al dan niet onverschuldigde der betaling beslissend was, bij de wet een bijzondere rechter, namelijk de Raden van Beroep en de Centrale Raad van Beroep, is aangewezen. Het Hof heeft hieromtrent overwogen: (zie het arrest, Red.).
Tegen dit oordeel heeft eiser tot cassatie de volgende drie middelen gericht: (zie het arrest, Red.).
Het is duidelijk, dat van deze drie middelen het derde opzichzelf beslissend kan zijn. Immers, zou dit moeten worden verworpen, omdat de beslissing, waartoe het Hof kwam, afgezien van de daarvoor gegeven gronden, in ieder geval juist zijn, dan komen de beide andere middelen niet meer aan de orde.
Ik houd nu het middel voor ongegrond. Daarvoor pleiten in de eerste plaats de uitingen van bij de wetgeving medewerkende organen bij verschillende momenten van de overigens wel zeer wisselvallige geschiedenis onzer sociale-verzekering-wetgeving. De daarbij ter toelichting gebruikte formuleringen zijn steeds ruim, bevatten nimmer enig blijk van een bedoeling om tussen verschillende rechtsvragen, die alle voor de verschuldigdheid van premie van belang kunnen zijn, onderscheid te maken. Bepaald duidelijk in de richting van opdracht aan de sociale-verzekering-rechter wijst de passage uit de geschiedenis van de Beroepswet (Romeyn, Ongevallenwetgeving, Deel II, blz. 99), waar met zoveel woorden het geval van een condictio indebiti is voorzien. Naast deze argumenten, die door de geeerde pleiter voor verweerster uitvoerig zijn ontwikkeld, maar waarvan men zal moeten toegeven, dat zij onze vraag slechts vrij indirect betreffen, zou ik menen dat nog twee andere zich laten aanvoeren. Het eerste en naar mijn mening gewichtigste is, dat een onderscheiding tussen de verschillende gronden, waarop men tegen premieheffing bezwaar kan hebben, zich niet met redelijke scherpte laat maken. Immers, tussen de figuren: dat een regeling van onbetwiste inhoud onjuist op de feiten is toegepast, dat de interpretatie van de toegepaste regeling twijfelachtig is en dat enige tot de heffing leidende regeling of beslissing van onverbindendheid kan worden beschuldigd, zijn de overgangen volkomen vloeiend. Een verdeling van deze vragen over verschillende rechters aan te nemen ware al een zeer onredelijke uitkomst. Ook dit zou ik nog willen opmerken, dat de omstandigheid, dat de verschillende wettelijke formules, die het Hof aanhaalt, en haar toelichting niet ondubbelzinnig een rechtsvraag gelijk hier zich voordoet omvatten, als argument tegen een ruime uitlegging bijzonder weinig zegt. Het ligt uit de aard der zaak weinig in de lijn van een wetgever om het geval van onbevoegdelijk gegeven of onverbindende uitvoeringsregelingen dan wel van met de wet strijdige beslissingen van daartoe, zonder beroep, formeel bevoegde instanties, gelijk in casu aan de Sociale Verzekeringsraad wordt verweten, uitdrukkelijk te voorzien.
Ook kan ik niet de mening delen van de geachte pleiter voor eiser, waar deze replicerende opmerkte, dat de Centrale Raad van Beroep enkel beslist zou hebben, dat hij over vragen als de onderhavige mag, niet dat hij daarover moet oordelen. In de redenering van de Raad, in het bijzonder in de aangehaalde beslissing, is de exclusieve bevoegdheid daartoe opgesloten in de onbetwist uitsluitende bevoegdheid, die de wet aan de raden van beroep voor de ondubbelzinnig vermelde onderwerpen verleent.
Argumenten ten gunste van eisers uitlegging, die de hiervoor genoemde daartegen zouden tenietdoen, heb ik in de toelichting van de middelen niet kunnen beluisteren. Mijn indruk was, dat de geachte pleiter vooral steun zocht bij de verhouding van bevoegdheid van de gewone rechter tot die van andere als regel en uitzondering, een argument dat m.i. tegenover een uitzondering met sterke ratio, gelijk hier, niet de kracht heeft om tot een enge uitlegging te nopen.
Ik houd dus middel III voor ongegrond en acht dus het arrest van het Hof, geheel afgezien van de motivering, in ieder geval voor juist, waarmee de beide andere middelen hun betekenis verliezen.
Zou men om enigerlei reden toch aan die middelen toekomen, dan zou middel I naar mijn mening een juiste juridische stelling inhouden, indien het feitelijke grondslag had. Het Hof zou inderdaad niet onvoorwaardelijk zijn oordeel van dat van de Centrale Raad afhankelijk hebben mogen stellen. Het Hof echter heeft dit ook niet gedaan. Reeds zijn beroep op de redelijkheid van de aldus aanvaarde uitlegging bewijst dit. Het heeft niet meer uitgesproken, dan dat bij een vraag, waarop argumenten voor verschillende antwoorden zijn aan te voeren, onder de in aanmerking komende argumenten het standpunt van een voor de materie waarom het gaat als geheel (daargelaten haar precieze omgrenzing) bijzonderlijk bevoegde instantie van groot gewicht is.
Middel II, dat niet afzonderlijk is toegelicht behelst in onderdeel I een stelling, die zeker niet juist is. Wanneer men zijn bezwaren tegen een bepaalde heffing rechtstreeks uitsluitend aan een bepaald orgaan ter beoordeling had kunnen voorleggen, dan kan men niet de gewone rechter bevoegd maken door de omweg te volgen van een vordering uit onverschuldigde betaling. Dit volgt uit de rijke rechtspraak van Uw Raad betreffende de niet ontvankelijkheid van vorderingen bij de gewone rechter in gevallen waarin een bijzondere instantie ter beschikking staat of heeft gestaan. Het meest overeenkomstig het onderhavige geval schijnt mij Uw arrest van 7 febr. 1919, W. 10033.
Onder b klaagt het middel, dat het Hof ten onrechte zou zijn uitgegaan van de aansluiting van eiser bij verweerster, hetgeen toch, aldus eiser, juist het geschilpunt is. Het is dunkt me duidelijk, dat het Hof met de blijkbaar bedoelde woorden: ‘door de appellante van geintimeerde als bij haar aangesloten werkgever gevorderd’ (op 2 na laatste overweging in rechte) slechts de door verweerster, terecht of ten onrechte, aan haar vordering gegeven grondslag aanduidt.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep onder veroordeling van eiser tot cassatie in de daarop gevallen kosten.

Noot

1
Ter voorkoming van misverstand is het wenselijk te onderscheiden tussen formele en materiele onbevoegdheid van de burgerlijke rechter.
Formeel onbevoegd is de burgerlijke rechter als 1e de ingestelde vordering niet valt binnen de grenzen van art. 2 RO of 2e hoewel zij daaronder wel valt, de bevoegdheid in een speciaal geval aan de burgerlijke rechter is ontnomen. Voorbeelden van deze laatste rubriek:
HR 13 nov. 1941 NJ 1942, 172 betreffende de vordering van een termijn van een ambtelijk pensioen beweerdelijk aan een foute persoon uitbetaald;
HR 24 maart 1950, 662 t.a.v. een vordering van een ondernemer jegens een bedrijfschap, welk geschil haar oorsprong vond in een publiekrechtelijke verhouding en beslist moest worden door het scheidsgerecht voor de Voedselvoorziening;
Rb. den Haag 13 april 1953 NJ 1954, 24 wegens volkenrechtelijke immuniteit van een vreemde staat;
Als de burgerlijke rechter formeel onbevoegd is moet het dictum luiden dat hij onbevoegd is. Bij formele onbevoegdheid rijst de vraag van materiele onbevoegdheid niet. Maar materiele onbevoegdheid kan zich voordoen als er geen formele onbevoegdheid is.
Is de burgerlijke rechter materieel onbevoegd, hoewel formeel bevoegd, dan is eiser niet ontvankelijk. Dit doet zich voor als de vordering binnen de grenzen van art. 2 RO valt en de bevoegdheid in het speciale geval niet is ontnomen, maar voor de beslissing daaromtrent noodzakelijk is een voorvraag te beslissen die de burgerlijke rechter niet mag beslissen. Dit kan om twee redenen: het kan zijn dat een andere rechter uitsluitend bevoegd is over die voorvraag te beslissen (voorbeeld: HR 30 juni 1911, W. 9197; terugvordering van onverschuldigd betaalde premies Ongevallenwet; en ook het thans gepubliceerde arrest), het kan ook dat er geen enkele rechter aan te pas kan komen. Voorbeeld van deze laatste, in de loop der tijdafnemende rubriek: Hof den Haag 13 febr. 1939, 542 cass. verworpen HR 15 dec. 1939 NJ 1940, 206 n. E.M.M. betreffende een weigering van de Ministeriele beschikking van geen bezwaar tegen wijziging van de statuten van ontbinding bevindende NV (thans anders door wet BAB). Als ik de lijn in de rechtspraak van de HR goed heb weergegeven, is dus minder juist de onbevoegdverklaring van Hof Amsterdam 8 febr. 1951, 129 in de bekende zaak van de vordering tegen de KPM om geen schepen ter beschikking te stellen voor troepenvervoer naar Ambon, waarvoor de rechter de rechtmatigheid van handelingen van de souvereine staat Indonesie moest beoordelen. Niet-ontvankelijkverklaring zou juister geweest zijn.
Het belang van de onderscheiding blijkt waar de wet aan onbevoegdverklaring andere gevolgen verbindt dan aan niet ontvankelijkverklaring. Voor 1954 gaf art. 333 Rv. een speciale appelmogelijkheid bij onbevoegdverklaring, en thans is de onderscheiding nog van belang door art. 100 (nieuw) RO krachtens welke bepaling onbevoegdheid een grond is voor cassatie van kantonvonnissen.
2
Bij enkel materiele onbevoegdheid gaat het altijd om een voorvraag die essentieel is. Staat die voorvraag uitsluitend ter beoordeling van de andere rechter, dan is de vordering niet ontvankelijk. Het kan echter ook zijn dat zij wel ter beoordeling van de andere rechter staat, maar niet uitsluitend, bijv. als zij voor de andere rechter eveneens slechts voorvraag is, die hem niet speciaal ter beslissing is opgedragen. Vb.: HR 24 juni 1949, 749 n. Ph.A.N.H. betr. een beschikking van de afd. Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel tot ongedaan maken van een liquidatie waarbij voorvraag was of die liquidatie reeds van rechtswege nietig was. Dan ligt hier geen reden voor niet-ontvankelijkheid. Of het een dan wel het ander het geval is, kan een moeilijke kwestie van interpretatie zijn, zie HR 14 nov. 1930 NJ 1931, 222 n. E.M.M. tegenover HR 8 mei 1936, 989 n. E.M.M. In het thans gepubliceerde arrest was het duidelijk dat de administratieve rechter uitsluitend bevoegd is.
3
Binnen de gewone rechterlijke macht liggen de vragen van materiele onbevoegdheid anders. De competentie van de Rb. t.a.v. de vanwaardeverklaring van een beslag schept die t.a.v. de arbeidsovereenkomst. (HR 29 juni 1928 NJ 1928, 1519 n. E.M.M.). De competentie van de Rb. t.a.v. de condictio indebiti schiep onder het Pachtbesluit zelfs die t.a.v. een pachtovereenkomst (HR 19 nov. 1954 NJ 1955, 16; anders Adv.-Gen. Langemeijer en art. 129 der nieuwe Pachtwet).
Vermoedelijk weegt de bevoegdheid van de Rb. als de gewone rechter (binnen de gewone rechterlijke macht) zwaar.
Deze afwijkende afbakening van de bevoegdheden binnen de gewone rechterlijke macht schijnt mij alleen verantwoord als de competentievraag er slechts een is van hogere of lagere rechter, die in beginsel allen onder de HR staan. Maar zodra er principieel verschil is, zoals tussen pachtrechter met zijn deskundige bijzitters en het hoogste gezag niet bij de HR maar bij de Pachtkamer van het Hof te Arnhem, behoort m.i. de vraag van materiele onbevoegdheid behandeld te worden als t.a.v. administratieve rechters. Zoals trouwens ook bij arbitraal beding geschiedt, vgl. HR 17 febr. 1938, 1096 n. E.M.M. G.J.S.