Hof Den Haag 02-12-1987, NJ 1988, 433 Arrest Vrijspraak Piet S.
Hof Den Haag 02-12-1987, NJ 1988, 433 Arrest Vrijspraak Piet S.
NJ 1988 , 433
HOF ’s GRAVENHAGE
(Strafkamer)
2 december 1987
(Mrs. Heikens, Van Hasselt, Van Dorst)
Regeling
Sr art. 51
Essentie
Motivering van vrijspraak inzake feitelijk leiding geven aan verboden gedragingen van rechtspersoon.
Tekst
(Post alia:)
Feitelijk leiding geven
5.6
Evenmin als de A G acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen zoals in de telastelegging onder 2 en 3 zijn omschreven. Bij deze stand van zaken dient alleen nog onder ogen te worden gezien of en in hoeverre verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen die in de telastelegging onder 1 zijn omschreven.
5.7
Vooropgesteld moet worden dat het hof bij dit onderzoek is uitgegaan van de uitleg die de HR heeft gegeven aan art. 51 lid 2 onder 2e Sr, te weten dat van feitelijk leiding geven onder omstandigheden sprake kan zijn indien de betreffende functionaris (i.c. verdachte) — hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden — maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. In deze situatie wordt — aldus de HR — die functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te bevorderen. Een dergelijke bewuste aanvaarding van de evenbedoelde aanmerkelijke kans kan zich — aldus wederom de HR — voordoen indien hetgeen de verdachte bekend was omtrent het begaan van de strafbare feiten door de bank rechtstreeks verband hield met de in de telastelegging omschreven verboden gedragingen.
5.8
Op grond van deze interpretatie kan van feitelijk leiding geven in de zin van art. 51 eerst sprake zijn vanaf het moment waarop vorenbedoelde bekendheid bij de betreffende functionaris aanwezig was. Dit betekent dat de door het OM in eerste aanleg ingenomen stelling dat de wetenschap van een der leden van het als collectivum opererende bestuur gelijk moet worden gesteld met de wetenschap van het collectivum waarin de verdachte een vooraanstaande en dominerende plaats innam en waarin een zo nauwe samenwerking bestond dat de handelingen van de een ook voor rekening van de anderen komen, niet als juist kan worden aanvaard, aangezien de door het OM genoemde omstandigheden — ook indien zij juist zouden zijn — niet impliceren dat de verdachte persoonlijk bekend was met de door de HR relevant geachte feiten en omstandigheden.
5.9
Uitgaande van de door de HR aan het begrip feitelijk leiding geven gegeven uitleg zal het hof allereerst dienen vast te stellen vanaf welk tijdstip bekendheid omtrent het begaan van strafbare feiten door de bank in evenbedoelde zin bij de verdachte aanwezig mag worden verondersteld.
Op grond van de notulen van de directievergadering van 25 jan. 1980 mag — mede gelet op hetgeen daaromtrent door verschillende deelnemers aan die vergadering is verklaard — worden aangenomen dat de verdachte toen bekend is geworden met het meer dan incidenteel voorkomen van het verschijnsel dat, voor wat betreft de dekking, onjuiste en/of onvolledige gegevens werden vermeld op de bescheiden die werden opgemaakt bij het verlenen van kredieten, nl. de zgn. algemene kredietovereenkomst (ako) dan wel de krediet(verlengings of bevestigings )brief, en tevens dat zulks verband hield met het zwart-geld karakter van die dekking. Het betreft derhalve strafbare feiten begaan door de bank die rechtstreeks verband hielden met de verboden gedragingen waarop de steller van de telastelegging het oog heeft.
5.10
Het feitelijk leiding geven in evenbedoelde zin eindigde voor de verdachte op 13 mei 1982 toen hij uit de raad van bestuur van de bank trad, waarvan hij tot dat tijdstip als voorzitter deel had uitgemaakt. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden — in die zin dat het feitelijk leiding geven door de verdachte reeds voor 13 mei 1982 een einde had genomen dan wel nadien nog voortduurde — zijn niet gebleken. Het hof is met de Rb. van oordeel dat noch de komst van de Franse aandeelhoudster in maart 1981 noch het besluit van de raad van commissarissen van de bank van 5 juni 1981 (o.m. inhoudende dat verdachte voorzitter van de raad van bestuur blijft tot de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering in 1982 en dat deze vice-voorzitter is en dat deze rechtstreeks zal rapporteren aan verdachte) aanleiding geven te veronderstellen dat de verdachte reeds voor zijn vertrek uit de raad van bestuur op 13 mei 1982 de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid waren ontnomen om maatregelen te nemen ter voorkoming van verboden gedragingen van de bank. Evenmin is gebleken dat die bevoegdheid en verantwoordelijkheid zich nog uitstrekten tot gedragingen van die bank na die datum. Ook het feit dat verdachte zich vanaf 1980 in toenemende mate heeft moeten inzetten en heeft ingezet om een fusiepartner voor de bank te vinden, dat hij daartoe vele onderhandelingen en besprekingen voerde, dat hij toen de pensioengerechtigde leeftijd naderde, dat hij vanaf maart 1981 toen hij zijn werkzaamheden begon min of meer op een zijspoor werd gezet, in ieder geval zich op een zijspoor gezet voelde, en dat de Franse aandeelhoudster sedert dat tijdstip steeds meer het beleid binnen de bank bepaalde, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze omstandigheden ontsloegen de verdachte immers niet van zijn verplichting om hetzij zelf maatregelen te treffen ter voorkoming van verboden gedragingen van de bank hetzij het daarheen te leiden dat andere functionarissen van de bank die maatregelen zouden nemen.
5.11
In het licht van het vorenoverwogene dient thans te worden onderzocht of en in hoeverre de verdachte in de periode van 25 jan. 1980 tot 13 mei 1982 — aangenomen dat de bank zich in deze periode heeft schuldig gemaakt aan de verboden gedragingen als in de telastelegging onder 1 zijn omschreven — stappen als evenbedoeld heeft gedaan.
5.12
Vaststaat dat de raad van bestuur onder verdachtes leiding in elk geval in zijn vergadering van 25 jan. 1980 het standpunt heeft ingenomen dat zwarte dekkingen e.d. verboden waren. Tevens is besloten dat de kredietcentrale van de bank daaraan van geval tot geval een einde zou maken. Vaststaat evenwel ook dat aan deze besluiten in onvoldoende mate uitvoering is gegeven, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat de bank onjuiste en/of onvolledige gegevens bleef vermelden in de ako’s, kredietbrieven e.d.
5.13
De vraag rijst of van verdachte kon en mocht worden verlangd dat hij, nadat de raad van bestuur had besloten om evenbedoelde onregelmatigheden aan te pakken, er op toe zou zien dat, en zou controleren of de gesignaleerde onregelmatigheden daadwerkelijk, slagvaardig en adekwaat werden bestreden.
5.14
Bij de beantwoording van die vraag kent het hof — in navolging van de Rb. — doorslaggevende betekenis toe aan de omstandigheid dat binnen de raad van bestuur een taakverdeling bestond. Vaststaat dat in de taakverdeling binnen de raad van bestuur besloten lag, dat problemen die zich binnen een bepaalde afdeling of sector voordeden, werden behandeld door het voor die sector of afdeling direct verantwoordelijke lid van de raad van bestuur, tenzij anders werd besloten of de taakverdeling kwestieus was. In het takenpakket of aandachtsgebied van verdachte viel niet de sector waarin zich de onregelmatigheden voordeden als in de telastelegging onder 1 zijn omschreven.
5.15
Tegen deze achtergrond bezien mocht de verdachte erop vertrouwen dat de door de raad van bestuur uitgesproken verboden zouden worden uitgevoerd door het daarvoor verantwoordelijke lid van het bestuur, dat deze ter effectuering van die verboden opdrachten zou geven en dat die opdrachten zouden worden nageleefd. Onder deze omstandigheden was de verdachte niet gehouden om persoonlijk erop toe te zien dat, en te controleren of en in hoeverre het verantwoordelijke lid van de raad van bestuur zich van zijn taak had gekweten en of de gesignaleerde onregelmatigheden inderdaad doeltreffend waren aangepakt. Dit zou alleen anders zijn geweest indien de verdachte signalen hadden bereikt dat de door de raad van bestuur verboden onregelmatigheden voortduurden. Ten processe is echter niet gebleken dat de verdachte dergelijke signalen heeft ontvangen.
5.16
De A G stelt zich op het standpunt dat de verdachte door zijn voorzitterschap van de raad van bestuur van de bank een ‘Garantenstellung’ had, in dier voege dat hij door deze positie te bekleden terwijl hij wist dat het management binnen de bank veel te wensen overliet en terwijl vanaf november 1979 de signalen van de onregelmatigheden steeds terugkeerden, niet had mogen volstaan met alleen op zijn medeleden van de raad van bestuur te vertrouwen, en dat hij mitsdien — door niet directer in te grijpen en door maatregelen om de verboden gedragingen van de bank te doen stoppen achterwege te laten — bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden blijven voordoen, zodat hij kan worden geacht die gedragingen opzettelijk te hebben bevorderd.
5.17
Het hof deelt dit standpunt niet, reeds omdat — zoals hiervoor al werd overwogen — niet is gebleken dat signalen omtrent het voortduren der onregelmatigheden de verdachte hebben bereikt.
In het midden kan blijven of bij een ander management c.q. bij een andere organisatie of structuur van de bank onregelmatigheden als waarvan te dezen sprake is, gemakkelijker hadden kunnen worden voorkomen c.q. doeltreffender een einde had kunnen worden gemaakt aan het bestaan daarvan. Immers, mede bezien tegen de achtergrond dat niet is gebleken dat de verdachte wist dat deze onregelmatigheden ook na meergenoemd verbod van de raad van bestuur een structureel verschijnsel bleven vormen binnen de bank, en dat niet is gebleken dat De Nederlandsche Bank of enige andere op de bank toezicht houdende instantie of autoriteit ooit op of aanmerkingen heeft gemaakt op het management, de organisatie of de structuur van de bank, gaat het naar het oordeel van het hof te ver om aan de verdachte het opzettelijk bevorderen van de onderhavige onregelmatigheden toe te rekenen louter en alleen op grond van het feit dat hij voorzitter was van de raad van bestuur van de bank die nu eenmaal zo georganiseerd was als zij was.
5.18
Uit het voorgaande volgt dat niet bewezen is dat de verdachte (meer in het bijzonder in de periode van 25 jan. 1980 tot 13 mei 1982) feitelijk leiding heeft gegeven in de zin van art. 51 Sr aan eventuele verboden gedragingen van de bank als in de telastelegging onder 1 omschreven.
HR 18-10-1988, NJ 1989, 511 Arrest Ruzie te Loon op Zand
NJ 1989 , 511
HOGE RAAD (Strafkamer)
18 oktober 1988, nr. 83773
(Mrs. Bronkhorst, Keijzer, Govaerts; P-G Remmelink; m.nt. GEM)
DD 89.089
m.nt. GEM
DD 1989 , 089
Regeling
Sr art. 41 lid 2
Essentie
Ontoereikende weerlegging van het beroep op noodweerexces.
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Hof te ’s Hertogenbosch van 17 okt. 1986 in de strafzaak tegen Joannes Aloysius Maria van W., geboren te Dongen op 8 sept. 1959, te Kaatsheuvel.
Hoge Raad:
1
De bestreden uitspraak
Het hof heeft in hoger beroep — behoudens ten aanzien van de beslissing op de vordering van de beledigde partij — bevestigd een vonnis van de Pol.r. in de Rb. te Breda van 26 maart 1985, waarbij de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de beledigde partij deels toegewezen en deels afgewezen, in voege als in het arrest vermeld.
2
Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens hem heeft Mr. J. Hermes, adv. te Tilburg, het volgende middel van cassatie voorgesteld:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven, in het bijzonder de art. 41 Sr en 348, 350, 358, 359 en 415 Sv, doordat het hof ten onrechte het namens rekwirant voorgedragen beroep op noodweer c.q. noodweerexces heeft verworpen op gronden, die deze verwerping niet kunnen dragen en voorts het beroep op noodweer c.q. noodweerexces onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, zodat het arrest mitsdien niet voldoende met redenen is omkleed.
Het hof heeft met betrekking tot het door rekwirant gedane beroep op noodweer c.q. noodweerexces overwogen en beslist dat niet gesteld is en ook niet aannemelijk is geworden dat, toen het bewezene werd gepleegd, voor verdachte de vrees bestond voor een herhaalde aanranding van zijn lijf, hebbende verdachte immers gesteld dat zijn handelen louter een reactie was op het schoppen van Van Boxtel. Dat, nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte ter noodzakelijke verdediging Van Boxtel heeft geslagen, het beroep op noodweerexces eveneens faalt. Rekwirant kan deze redenering niet volgen. De omstandigheid dat het slaan van rekwirant een reactie was op het schoppen van Van Boxtel sluit niet uit dat rekwirant heeft gehandeld, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De reflex van rekwirant was een reactie op deze ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, bestaande uit de doelbewuste poging van Van Boxtel om rekwirant in het kruis te raken.
De noodzakelijke verdediging blijkt eveneens uit de getuigenverklaring ter zitting van het hof van J.C.M. van Wanrooij, in het bijzonder daar waar hij stelt dat hij op een gegeven ogenblik zag dat Van Boxtel zich een kwart slag omdraaide en dat hij rekwirant tussen zijn benen schopte. Direct daarop draaide rekwirant zich om, waarop hij oog in oog met Van Boxtel stond en Van Wanrooij zag dat rekwirant Van Boxtel, kennelijk uit een reflex enkele klappen gaf. Het geheel, aldus Van Wanrooij, speelde zich in enkele seconden af. Door slechts in te gaan op het reageren op het schoppen van Van Boxtel, zoals omschreven in het arrest, gaat het hof voorbij aan de oorzaak van de reactie van rekwirant, waardoor hij onder deze omstandigheden niet anders had kunnen handelen.
Voor wat betreft het beroep op noodweerexces oordeelt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat rekwirant ter noodzakelijke verdediging Van Boxtel heeft geslagen. Anders gesteld, het hof acht het niet aannemelijk, dat het slaan, zoals bewezen, geboden of gerechtvaardigd zou zijn. Bij de verwerping van dit beroep is het hof niet ingegaan op de vraag of enige verdediging noodzakelijk was, daarbij de mogelijkheid opengelaten dat rekwirant heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, daarbij als onmiddellijk van een door die aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, de grenzen van noodzakelijke verdediging overschrijdend door gebruik te maken van zijn vuisten.
Immers, er was reeds sprake van een broeierige sfeer met alle emotionele gevoeligheden vandien, terwijl tevens expliciet in de pleitnota, gehecht aan het p.-v. ter zitting van het hof van 3 okt. 1986 wordt ingegaan in het algemeen en in het bijzonder voor wat betreft rekwirant op de psychische gesteldheid, wanneer een gerichte poging wordt gedaan om tegen de geslachtsorganen te trappen. Het slaan zoals omschreven kan onder invloed van deze hevige gemoedsbeweging zijn ontstaan, een mogelijkheid die het hof in zijn motivering veronachtzaamt.
3
De conclusie van het OM (enz.; Red.)
4
Bewezenverklaring
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard,
dat hij omstreeks 7 juli 1984 te Loon op Zand opzettelijk gewelddadig D.A.C. van Boxtel meermalen heeft geslagen, waardoor voornoemde Van Boxtel letsel heeft bekomen.
5
Beoordeling van het middel
5.1
Blijkens het p.-v. van ’s hofs terechtzitting van 3 okt. 1986 is door en namens de verdachte een verweer gevoerd, dat in ’s hofs navolgende overweging is weergegeven:
O., dat door en namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, c.q. noodweerexces, en dat daartoe — zakelijk weergegeven — is aangevoerd:
—
dat Van Boxtel de verdachte gericht tussen de benen probeerde te trappen en hem daarbij raakte aan de binnenzijde van zijn linkerbovenbeen;
—
dat verdachte daarop in een pure reflex, ter afweer, heeft geslagen;
—
dat de klap/klappen van verdachte een onmiddellijk en rechtstreeks gevolg zijn geweest van de trap van Van Boxtel in de richting van het kruis van verdachte.
5.2
Het hof heeft hieromtrent overwogen en beslist:
dat het beroep op noodweer niet opgaat;
dat met name niet is gesteld en ook niet aannemelijk is geworden, dat, toen het bewezene werd gepleegd, voor verdachte de vrees bestond voor een (herhaalde) aanranding van zijn lijf, hebbende verdachte immers gesteld dat zijn handelen louter een reactie was op het schoppen van Van Boxtel;
dat, nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte ter noodzakelijke verdediging Van Boxtel heeft geslagen, het beroep op noodweerexces eveneens faalt.
5.3
Aldus heeft het hof de verwerping van het beroep op noodweerexces niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aangezien het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat het bewezen verklaarde het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging welke door de (voorafgaande) aanranding — het schoppen door Van Boxtel — is veroorzaakt en waarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging te dier zake zijn overschreden.
5.4
Het middel treft derhalve doel.
Slotsom
Uit het vorenoverwogene volgt, dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en moet worden beslist als volgt.
7
Beslissing
De HR vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar het Hof te Arnhem ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Conclusie
P G Mr. Remmelink
In deze zaak waarin het hof behoudens de bewijsvoering, de gronden waarop de verwerping van rekwirants beroep op niet-strafbaarheid steunt, de strafmotivering en de beslissing nopens de vordering van de beledigde partij, bevestigend het vonnis van de Pol.r., rekwirant heeft veroordeeld terzake van mishandeling, tot gevangenisstraf voor de tijd van 2 weken voorwaardelijk, (proeftijd 2 jaar) — toewijzing van de civiele vordering ad ƒ 1066,28, tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem een middel van cassatie voorgesteld.
Aangevoerd wordt, dat het hof ten onrechte althans niet voldoende gemotiveerd het namens rekwirant gedaan beroep op noodweer resp. noodweerexces heeft verworpen.
Het komt mij voor, dat rekwirant tevergeefs in cassatie niet aantastbare vaststellingen van het hof bestrijdt. Het hof heeft nl. gesteld, dat namens rekwirant geen beroep is gedaan op de te deze relevante noodweeromstandigheid, nl. dat rekwirant gevreesd zou hebben, dat hij door Van Boxtel aangevallen zou worden, maar dat, naar namens rekwirant ook werd gesteld, slechts sprake was van een enkele reactie op diens schoppen. Met andere woorden van een verdediging tegen een te verwachten aanval was, naar het hof concludeerde, geen sprake. Onder deze omstandigheden was, naar het hof terecht vaststelde, ook van noodweerexces geen sprake. Men zou hier uiteraard nog wel kunnen denken aan een spontane reactie als gevolg van schrik of paniek, maar ook dit heeft het hof niet aannemelijk geacht. Voorzover het cassatiemiddel daarop ook nog doelt, is het mitsdien eveneens tevergeefs voorgesteld.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
Noot
1
Algemeen aanvaard wordt, dat als er geen noodweersituatie is (geweest) een beroep op noodweerexces niet kan opgaan (vgl. HR 22 nov. 1949, NJ 1950, 179, m.nt. Roling, HSR, 10e druk, p. 276, Van Bemmelen/Van Veen I, 9e druk, p. 200, A.J.M. Machielse, Noodweer in het strafrecht, diss. VU 1986, p. 679). Voor de aangevallene moet er dus de noodzaak zijn geweest om zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Nu kan men bij die verdediging te ver gaan. De handeling kan disproportioneel zijn (vgl. bijv. HR 23 okt. 1984, NJ 1986, 56 — het tasjesrovers-arrest) dan wel, men gaat door met gewelddadigheden wanneer de aanranding is afgewend (vgl. HR 24 april 1984, NJ 1984, 731, m.nt. ‘tH). In het eerste geval is sprake van een intensief exces terwijl in het andere geval het exces extensief is (vgl. Machielse, a.w., p. 681/2). In deze gevallen kan art. 41 lid 2 Sr de aangevallene baat brengen.
2
Nu ging volgens het hof het beroep op noodweer niet op omdat niet aannemelijk was geworden dat verdachte het slachtoffer ter noodzakelijke verdediging had geslagen en faalde het beroep op noodweerexces daarom eveneens.
Anders de HR. Blijkbaar leest de HR in het door en namens verdachte gevoerde verweer een beroep op een noodweersituatie hierin bestaande, dat Van Boxtel probeerde verdachte tussen de benen te schoppen. Maar de HR hecht geen gewicht aan de omstandigheid dat de noodweersituatie reeds niet meer bestond op het moment dat verdachte de tegenaanval inzette mits deze het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg was van een heftige gemoedsbeweging die door de aanval van Van Boxtel in het leven was geroepen.
3
Zodoende geeft de HR een belangrijke uitbreiding aan de hierboven gereleveerde leer, dat de afweerhandeling (het extensief exces) aanvankelijk noodzakelijk moet zijn geweest in de zin van art. 41 lid 1 Sr. Het verschil met de tot dusver gehuldigde leer is te verduidelijken door een vergelijking van de onderhavige beslissing met HR NJ 1984, 731. Een verdediging tegen een met een mes gewapende aanvaller verliep in twee stadia. In het eerste stadium ontfutselde verdachte een mes aan de aanvaller waarmee deze had gedreigd hem te doden. In het tweede stak hij de aanvaller dood met het idee dat hij de aanvaller moest doodsteken om zelf dat lot te ontgaan. Het hof had het beroep op noodweerexces afgewezen omdat er in het tweede stadium geen sprake meer was van een noodweersituatie. Maar de HR oordeelde dat het hof ten onrechte buiten beschouwing had gelaten of het door verdachte in het eerste stadium uitgeoefende geweld geboden was in de zin van art. 41 lid 1 Sr.
In het onderhavige geval stelt de HR deze eis niet meer. Onder extensief exces valt voortaan niet enkel een te lang voortgezette, aanvankelijk ‘echte’ afweerhandeling, maar ook een handelen dat zich geheel afspeelt na de bij noodweer in acht te nemen tijdsgrens.
Ik acht dit een creatieve uitbouw van de schulduitsluitingsgrond van het noodweerexces. De emoties van verdachte kunnen het vergeeflijk maken dat hij de tijdsgrens van de geoorloofde noodweer niet in acht nam. De motivering voor de vernietiging van het bestreden arrest had trouwens misschien nog eenvoudiger gekund. Het slot van de overweging waarin wordt gesteld dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging (moeten) zijn overschreden lijkt veel op een pleonasme. Als op het moment van de reactie de aanranding was geeindigd — en dat moet voor de HR evenals voor het hof het uitgangspunt van de redenering zijn geweest — overschreed het slaan door verdachte zonder meer de bedoelde grenzen.
4
De onderhavige uitspraak brengt de beide varianten van noodweerexces, de intensieve en de extensieve overschrijding van geoorloofde noodweer, op een lijn. Zomin als men bij de intensieve overschrijding zich behoeft af te vragen of daaraan een geoorloofde afweerreactie is voorafgegaan, behoeft men bij extensieve overschrijding te onderzoeken of daaraan zulk handelen binnen de voor noodweer geldende tijdslimiet is voorafgegaan.