HR 01-03-1983, NJ 1983, 468 Arrest Meta Hofman
HR 01-03-1983, NJ 1983, 468 Arrest Meta Hofman
NJ 1983, 468
HOGE RAAD (Strafkamer)
1 maart 1983, nr. 74905.
(Mrs. Moons, Van der Ven, Bronkhorst, Hermans, Haak; A-G Remmelink, m.nt. ThWvV).
DD 83.268.
m.nt. ThWvV
DD 1983, 268
Regeling
Sr art. 41, 287
Essentie
Doodslag door agent in de uitoefening van zijn bediening; noodweer; ’s Hofs motivering van het ontslag van rechtsvervolging is niet onbegrijpelijk noch onvoldoende.
Tekst
Arrest op de beroepen in cassatie tegen een arrest van het Hof Amsterdam van 28 mei 1982 in de strafzaak tegen Cornelis V., geboren te Amsterdam op 4 aug. 1956, te Amsterdam.
1
De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Rb. Amsterdam van 4 dec. 1981 — de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het bewezenverklaarde, te weten: ‘doodslag’.
2
De beroepen van cassatie
Het beroep is ingesteld door de P G bij het Hof Amsterdam. Deze heeft het navolgende middel van cassatie voorgesteld:
Schending en/of verkeerde toepassing van art. 41 Sr en/of van de art. 352, 358, 359, 415 en 423 Sv, in ieder geval van het recht en/of van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Hof, het vonnis van de Rb. vernietigend, aan het begrip noodweer, zoals dit tot uitdrukking komt in het bepaalde in art. 41 Sr, een met de wet strijdige en/of met de bewoordingen en strekking van dat artikel onverenigbare uitleg heeft gegeven, zoals blijkt uit zijn in dat arrest opgenomen overwegingen; in ieder geval is het arrest in dit opzicht niet behoorlijk gemotiveerd.
Ter toelichting geeft rekwirant het navolgende te kennen.
Bij aanvaarding van een beroep op noodweer wordt rechtens vastgesteld dat een in noodweer gepleegd feit, hoewel de delictsinhoud vervullend, geen strafbaar feit is, maar een niet-wederrechtelijke, juist door het recht geaccepteerde handeling of gedraging.
Blijkens rechtspraak en wetenschap heeft noodweer het karakter van een rechtvaardigingsgrond: de daad is niet vergeeflijk, niet verontschuldigbaar, maar een waartoe men het recht heeft; de in zelfverdediging gestelde daad is rechtmatig en moet gezien worden als rechtsverdediging.
Omdat de rechtshandhaving in het geding is, noopt noodweer tot een objectieve waardering van de feiten en omstandigheden. In tegenstelling evenwel met deze bij noodweer behorende objectieve benadering, waarbij voorop staat dat aan de hand van de concrete situatie, zoals die voor een objectieve derde daar toen kenbaar zou zijn geweest, vastgesteld moet kunnen worden of verdachte gerechtigd was te handelen zoals hij deed, te weten zijn vuurwapen trekken en schieten op korte afstand met de gerede kans dat hij de vrouw zou doden, (zie bijv. de conclusie van de A G Mr. Remmelink bij HR 30 maart 1976, NJ 1976, 322), heeft het Hof in zijn overwegingen op blz. 8, 9 en 10 van het arrest ten onrechte het subjectieve oordeel van verdachte en andere hem subjectief betreffende factoren vervlochten in zijn rechtsoordeel aangaande de al dan niet aanwezigheid van noodweer en dit oordeel ten onrechte daarop doen steunen.
Met name daar waar het Hof in zijn beoordeling van het gedrag van verdachte aannemelijk geworden omstandigheden, betrekking hebbend op bekritiseerde tekortkomingen van de overheid in de opleiding en vorming van verdachte als Amsterdamse politie-ambtenaar, in aanmerking neemt, geschiedt dit niet teneinde tot schuldvermindering (straftoemetingsterrein) of — in extremis — tot schulduitsluiting (en daarom geen strafoplegging, bijv. noodweerexces) te concluderen, maar om tot de slotsom te komen dat bij het plegen van het bewezen verklaarde feit — doodslag — aan de voorwaarden van art. 41 Sr is voldaan en verdachte, in noodweer handelend, daartoe gerechtigd was.
Verontschuldigingsoverwegingen, verdachte subjectief betreffend, worden aldus ingevoerd in het — vanwege het rechtshandhavingsaspect — door objectiviteit gekenmerkte klimaat van de noodweer, en leiden op die wijze tot het misleidende resultaat van het aannemen van een rechtvaardigingsgrond.
Hetzelfde verwijt kan ook worden gemaakt m.b.t. de op blz. 8 van het arrest voorkomende overwegingen, waarin met een verwijzing naar de ‘handleiding’, behorende bij de geweldsbepalingen uit de ambtsinstructie, verstrekkende en doorslaggevende waarde wordt toegekend aan het subjectieve oordeel van de (politie)-ambtenaar, aan wie het uiteindelijk is overgelaten om op snelle wijze te beslissen of en zo ja, welk geweld hij zal gebruiken bij de vervulling van zijn taak.
Hoewel het Hof enerzijds op blz. 7 van het arrest vaststelt dat het door verdachte gekozen middel van het trekken van zijn dienstpistool, op het moment dat de vrouw zich plotseling omdraaide, een mesje in handen bleek te hebben en zich verbaal agressief uitte, maar (nog) niet tot de aanval was overgegaan, nog niet gerechtvaardigd werd door het zich bevinden in een noodweersituatie, terwijl aanwending van dat middel als zelfstandig dreigmiddel om te bewerkstelligen dat de vrouw tot bezinning kwam (naar ik aanneem bestaande in het wegleggen of laten vallen van het mesje) evenmin was toegestaan op basis van de voor verdachte geldende ambtsinstructie — die, in het kader van een noodzakelijke belangenafweging, waarin de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit zijn ondergebracht, dit uiterste geweldmiddel immers reserveert voor het bestaan van een schietwaardige situatie, hetgeen toen niet het geval was —, komt het Hof anderzijds in de daaropvolgende bladzijden van het arrest tot beschouwingen die de strekking hebben dat verdachte van het doen van deze, weliswaar formeel niet in de haak zijnde, snel gemaakte keuze desalniettemin geen verwijt kan worden gemaakt, omdat hij van het vuurwapen als dreig en schietmiddel ‘schrikbarend’ effect mocht verwachten.
Ik meen dat deze nuttigheidsredenering, die in wezen neerkomt op een ondergraving van het in de ambtsinstructie neergelegde verbod van een dergelijk zelfstandig intimiderend gebruik van het vuurwapen, tot riskante en ongewenste gevolgen voor de politiepraktijk kan leiden.
In het op de praktijk gerichte en voor de opleiding gebezigde handboek Praktisch Politieoptreden (uitgave Vermande Zonen, P1/P10 onder III) wordt niet voor niets uitdrukkelijk en bij herhaling gewaarschuwd voor het te vroeg trekken van het vuurwapen, dat door zijn voortijdig en daarom bovenmatig karakter soms eerder agressie kan aantrekken dan afremmen.
Ook in politiekringen is het besef levend dat — hoe moeilijk het ook is — de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde waarvoor de politie in gevolge art. 28 Politiewet heeft te zorgen, maar wel in overeenstemming met de geldende rechtregelen, onder gegeven omstandigheden met zich mee kan brengen dat die rechtsorde beter gediend is met een — tijdelijk — terugtreden indien optreden met vuurwapengeweld te grote risico’s voor dood of letsel in zich herbergt en die prijs, in vergelijking met hetgeen ermee bereikt moet worden, te hoog is en te hoog blijft, ook na aftrek van de eventuele prijs die aan terugtreden verbonden kan zijn. Gewezen kan worden op het arrest Swaager, waarin het beroep op noodweer van de politieman werd afgewezen (Hof Amsterdam 13 april 1981, HR 2 febr. 1982, D & D juni 1982 met conclusie van Mr. Remmelink).
In dit licht is de door het Hof gedane uitspraak dat weglopen niet in de lijn lag van een goede taakuitoefening, voor de toekomst niet zonder bedenking, nu in de belangenafweging die daarop volgt (blz. 7 en 9) buiten beschouwing wordt gelaten, dat bij de ten dienste staande middelen om te trachten de crisis op te lossen als er al gevaar voor anderen is ontstaan, (bedoelt het Hof hier werkelijk de naar buiten gegooide flesjes, die een auto beschadigd hadden; mensen kunnen toch gewaarschuwd worden daar even niet te lopen.) niet elk geweld, met name niet het zo schielijk met voorbijgaan van andere middelen (waaronder inpraten op de vrouw zonder dreiging van het vuurwapen) gehanteerde vuurwapengeweld, aanvaardbaar genoemd mag worden om in het belang van de vrouw zelf en van derden haar meteen van verdere agressie te weerhouden en haar ertoe te brengen het mes weg te leggen. Dit laatste mag een poging waard zijn, maar niet tot elke prijs en niet met elk middel.
De cynicus zou kunnen opmerken dat het thans gebezigde geweld en het gevolg daarvan in elk geval niet direct in het belang van de vrouw of derden heeft uitgewerkt.
Door het kennelijk — gelet op verdachte’s uitlatingen dienaangaande — met enige overweging, niet louter door paniek bepaalde, inslaan van de objectief gezien onjuiste, immers disproportionele, weg van het ter hand nemen van het vuurwapen, dat tot de onmiddellijk intredende escalatie van het waarschuwings en gerichte dodelijke schot leidde, in de laatste inderdaad voor verdachte precaire situatie, kan verdachte evenwel naar mijn oordeel geen aanspraak maken op een straffeloosheid die gebouwd is op een rechtvaardiging van zijn handelen (noodweer).
Namens de verdachte heeft Mr. Chr. L. Boekhoff, adv. te Amsterdam, bij pleidooi het beroep van de P G tegengesproken, op de voet van art. 434 tweede lid tweede volzin Sv beroep in cassatie ingesteld en voorwaardelijk — namelijk voor het geval dat het middel van de P G gegrond zou worden bevonden — drie middelen van cassatie voorgedragen.
3
De conclusie van het OM (enz. Red.)
4
Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
dat de verdachte op 12 aug. 1981 te Amsterdam opzettelijk een vrouw, genaamd Meta Petronella Hofman , van het leven heeft beroofd, hebbende hij toen aldaar opzettelijk op zeer korte afstand van genoemde Hofman verwijderd met een met een scherpe patroon doorgeladen pistool op haar geschoten en haar geraakt in haar hartstreek — haar linkerborst werd doorboord, haar hart aan voor en achterzijde, alsmede haar lever en aorta werden geperforeerd — tengevolge van welke verwondingen genoemde Hofman (vrijwel onmiddellijk) is overleden.
4.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
A
de verklaringen ter terechtzetting van:
1
de verdachte:
Op 12 aug. 1981 heb ik in de woning aan het Javaplantsoen 34-III te Amsterdam uit mijn dienstpistool een schot gelost in de richting van een vrouw van wie ik nu weet dat zij Meta Petronella Hofman heette, kort nadat ik dat pistool had doorgeladen met een scherpe patroon. Toen ik dat schot loste stond ik op een afstand van ongeveer anderhalve meter van die vrouw. Na het schot viel zij op de grond en even later gaf zij geen teken van leven meer.
2
de getuige M.G. Leemberg:
Op 12 aug. 1981 was ik in de woning aan het Javaplantsoen 34-III te Amsterdam, toen mijn collega Cornelis V., die toen voor mij stond, uit zijn dienstpistool een kogel afvuurde in de richting van een vrouw van wie ik nu weet dat zij Meta Petronella Hofman heette. Zij viel op de grond en even later gaf zij geen teken van leven meer.
B
een ambtsedig p.-v. nr. R4–5391/81 van de gemeentepolitie te Amsterdam, op 13 aug. 1981 opgemaakt door H.E.C. de Wit en C.J.M. Beyersbergen, onderscheidenlijk inspectrice en hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie, voor zover inhoudende als verklaring van verbalisanten:
Op 12 aug. 1981 hebben wij ons begeven naar het adres Javaplantsoen 34-III te Amsterdam. Daar troffen wij de ons bekende politiemannen C.V. en M.G. Leemberg aan.
In de keuken, liggende op de vloer, troffen wij het levenloze lichaam aan van een vrouw die blijkens een later in de woning aangetroffen paspoort, waarin een goed gelijkende foto, genaamd was Meta Petronella Hofman . Wij hebben het lijk doen overbrengen naar het mortuarium van het crematorium Westgaarde te Amsterdam, waar wij het hebben getoond aan J.H. Hofman en R.V. A. Hofman , beiden broers van het slachtoffer, die ieder voor zich doch eensluidend verklaarden dat zij in het stoffelijk overschot hun zuster Meta P. Hofman herkenden. In het sectielokaal van genoemd mortuarium had de sectie op het stoffelijk overschot plaats door de patholoog-anatoom Dr. J. Zeldenrust.
C
een rapport nr. 81281/z239 van Dr. J. Zeldenrust, arts en patholoog-anatoom, door hem op 20 aug. 1981 opgemaakt op de eed door hem afgelegd als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende:
Op 13 aug. 1981 werd mij het lijk van Meta Petronella Hofman aangewezen en overhandigd door de hoofdagenten van gemeentepolitie te Amsterdam J. Wouterson en J.Th.Ch.M. van Rossum in het mortuarium Westgaarde te Amsterdam. Er waren verwondingen welke het uiterlijk hadden van schotverwondingen. Zij waren door een afgevuurde kogel teweeggebracht.
Deze kogel was de linkerborst binnengedrongen en was na perforatie van de linker voorste borstwand, het hartezakje, het hart, het middenrif, de lever, de aoarta, in de elfde borstwervel blijven steken. Meta Petronella Hofman is overleden ten gevolge van die schotverwondingen.
4.3
Na ’s Hofs overweging dat het
door de voormelde inhoud van voornoemde bewijsmiddelen, opleverend de daartoe redengevende feiten en omstandigheden, de overtuiging heeft verkregen en wettig bewezen acht
dat de verdachte het bewezenverklaarde feit als onder 4.1 vermeld heeft begaan, heeft het Hof voorts nog overwogen:
met betrekking tot het opzet dat — al had verdachte niet de bedoeling het slachtoffer te doden — verdachte handelend zoals bewezen zich bewust bloot heeft gesteld aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat hij haar zou doden en aldus dit gevolg voor lief heeft genomen.
5
’s Hofs overwegingen naar aanleiding van een gevoerd verweer
5.1
Blijkens het bestreden arrest is namens de verdachte het verweer gevoerd
dat verdachte niet strafbaar is omdat hij handelde ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
5.2
Dienaangaande heeft het Hof overwogen en beslist:
1
Ook het Hof gaat — evenals de Rb. — uit van de met elkaar overeenstemmende weergaven van verdachte en de getuige Leemberg van de gebeurtenissen, die op het volgende neerkomen.
2
Als politieambtenaren in uniform dienstdoende en opgeroepen naar perceel Javaplantsoen 34 te Amsterdam, waar glazen voorwerpen door een raam aan de straatzijde naar buiten werden gegooid, troffen verdachte en de getuige Leemberg in de woning op de derde verdieping van dat perceel in de woonkamer een rommelige toestand aan: een la lag ondersteboven op de grond en verspreid door de hele kamer lagen allerlei paperassen. In de slechts door de woonkamer bereikbare slaapkamer vonden zij een vrouw, die gekleed op een bed lag en die haar ogen pas opende nadat zij een paar keer door verdachte en de getuige op haar schouder was getikt.
De vrouw maakte een versufte indruk en antwoordde niet op de haar gestelde vragen, tot zij op een gegeven moment overeind kwam en aan verdachte toestemming vroeg water te gaan drinken. Verdachte liep vervolgens achter haar aan door de woonkamer en de hal naar de keuken. Hij bleef ongeveer een meter (‘een goede stap’) inwaarts in de keuken staan, terwijl de vrouw doorliep naar het aanrecht en daar — op een afstand van ongeveer twee-en-een-halve meter van verdachte — de kraan van de geyser opendraaide. De getuige Leemberg zocht intussen in de woonkamer tussen de daar liggende papieren, of hij iets kon vinden waaruit de identiteit van de vrouw zou kunnen blijken.
Op het moment dat verdachte meende dat de vrouw een slok zou nemen, draaide zij zich plotseling linksom naar hem toe. Verdachte zag toen dat zij in haar linkerhand iets blinkends hield — later zag hij dat het een mes was — waarbij zij tegen verdachte zei: ‘Ik steek je kapot’. Hierop trok verdachte zijn dienstpistool, dat hij al bij het naar boven gaan onderaan de trap tussen de begane grond en de eerste verdieping had doorgeladen. Verdachte zei met stemverheffing tegen de vrouw dat zij het mes moest neerleggen, maar zij reageerde met te zeggen: ‘Schiet maar, ik ben toch sneller, ik steek je kapot’. Tegelijkertijd maakte zij met het mes draaiende bewegingen vanuit haar pols in de richting van verdachte. Nogmaals sommeerde verdachte de vrouw het mes weg te gooien, maar wederom reageerde de vrouw hier niet op. Verdachte loste toen een waarschuwingsschot in het plafond. De vrouw, die nog steeds op dezelfde plaats stond, reageerde ook hier in het geheel niet op. Opnieuw sommeerde verdachte haar, het mes weg te doen, waarop ten tweeden male de hiervoor aangehaalde woorden als antwoord kwamen. Tegelijkertijd kwam de vrouw naar voren, met het mes in de linkerhand op verdachte gericht. Toen verdachte daarop achteruit stapte, kwam hij met zijn rug tegen de getuige Leemberg aan, die inmiddels de keuken was binnengekomen en achter hem was gaan staan. Verdachte voelde zich hierdoor geheel ingesloten. In die situatie loste verdachte uit zijn dienstpistool een schot, waarbij hij op de linker schouder en arm van de vrouw zegt te hebben gericht, met het hiervoor bewezen geachte gevolg. De afstand tussen verdachtes lichaam en dat van de vrouw bedroeg op het moment van het vallen van het schot naar zijn schatting ongeveer anderhalve meter. De vrouw bleek later genaamd te zijn Meta Petronella Hofman .
3.0 Het Hof oordeelt hierover als volgt.
3.1.1
Bij het betreden van het huis aan het Javaplantsoen 34 te Amsterdam op de bewuste tijd verwachtte verdachte een vechtpartij. Daarom heeft hij op de trap zijn dienstpistool doorgeladen. In de woning troffen hij en zijn collega slechts een persoon aan, de vrouw Meta Hofman , die leek te slapen. Niets in haar gedrag deed vermoeden dat zij verdachte en/of zijn collega zou aanvallen. Niets in hun gedrag gaf daartoe aanleiding. Zij vroeg of zij water mocht gaan drinken in de keuken, hetgeen uiteraard werd toegestaan. Dat zij zich vervolgens onverwachts omdraaide en verdachte met een mes bedreigde, zeggende ‘ik steek je kapot’, vormde een dreigende wederrechtelijke aanranding. Weglopen — waartoe ook overigens geen noodzaak bestond — lag niet in de lijn van een goede taakuitoefening. Mede in het belang van de vrouw zelf en van derden moest zij meteen van verdere agressie worden weerhouden en ertoe gebracht worden het mes weg te leggen.
3.1.2
Toen verdachte zijn pistool trok was het slachtoffer nog niet tot de aanval overgegaan. Verdachte had toen nog niet de bedoeling het wapen te gebruiken om gericht te schieten; hij hoopte dat de vrouw bij het zien van het pistool wel bij zinnen zou komen.
3.1.3
Nu een aanranding als bedoeld in art. 41 Sr toen nog niet plaatsvond was er voor verdachte (nog) geen schietwaardige situatie als bedoeld in de ambtsinstructie en het was hem dus toen naar deze instructie niet toegestaan het wapen te trekken en daarmee te dreigen of een waarschuwingsschot te lossen.
3.1.4
In aanmerking moet echter worden genomen dat van een politieambtenaar volgens de ‘handleiding’ behorende bij de geweldsartikelen uit de ambtsinstructie wordt verwacht dat hij op kritieke ogenblikken ‘snel zo niet onmiddellijk’ tot een beslissing komt ten aanzien van de vraag of hij bij de vervulling van zijn taak geweld moet gebruiken en, zo ja, welk geweld, waaraan is toegevoegd dat de beslissing op de vraag of geweld moet worden aangewend, behalve bij een voor een concreet geval gegeven bevel, uiteindelijk aan het subjectieve oordeel van de ambtenaar is overgelaten, die snel moet beslissen terwijl hem nog niet alle feiten en omstandigheden bekend zijn welke achteraf mee in overweging kunnen worden genomen.
3.1.5
Dat ingrijpen met de hand of de wapenstok — dus rechtstreeks optreden tegen de vrouw — verdere agressie zou hebben voorkomen staat allerminst vast, zeker niet in het licht van de toestand waarin de vrouw verkeerde zoals blijkt uit de verklaring die haar huisarts voor de R–C heeft afgelegd, inhoudend onder meer dat het slachtoffer kort tevoren nog gezegd had: ‘Ik ben bang dat ik agressief word tegenover mezelf of tegenover iemand anders’, mede gelet op de omstandigheid dat zij ten tijde van het gebeuren 1,48 alcohol in haar bloed had en dus onder invloed van alcohol moet hebben verkeerd.
3.1.6
Van de in dit geval gekozen middelen, kennelijk en ook volgens de opgave van verdachte bedoeld om de vrouw tot bezinning te brengen, kan gezegd worden dat het tonen van een vuurwapen en zeker het afschieten van zulk een wapen zoals hier in een besloten ruimte en dus gevolgd door een oorverdovende knal, in het algemeen een hevige schrikreactie zal veroorzaken, zodat niet zonder meer buiten de lijn der verwachtingen lag dat verdachte door aldus op te treden de situatie in de hand zou hebben gehouden door, van het schrikmoment gebruik makende, de vrouw zonder geweld te ontwapenen.
3.1.7
Niet is aannemelijk geworden dat zich in dit geval voor verdachte feiten of omstandigheden hebben geopenbaard waaruit hem op voorhand had moeten blijken dat de door hem gekozen werkwijze een averechtse uitwerking zou hebben.
3.2.1
Toen de vrouw vervolgens tot de aanranding overging en verdachte met het mes aanviel kon hij niet meer achteruit, doordat intussen zijn collega vlak achter hem was komen staan.
3.2.2
Daar komt bij dat het Hof in het voetspoor van de getuige-deskundige Koenders het aanvaardbaar acht dat een politie-ambtenaar die in een situatie als de onderhavige bij de uitoefening van zijn taak plotseling tegenover gewelddadig gedrag als in casu komt te staan zich niet terugtrekt doch, zeker wanneer zoals hier al gevaar voor anderen is ontstaan, tracht met de hem ten dienste staande middelen de crisis op te lossen.
3.2.3
Het Hof neemt bij de beoordeling van het gedrag van verdachte verder in aanmerking de volgende aannemelijk geworden omstandigheden:
dat verdachte niet was geoefend in zogenaamde conflict-oplossing;
dat verdachte niet was geoefend in het gebruik van de korte wapenstok gelijk aan die welke hij bij zich had;
dat verdachte niet was geoefend in het afweren met de hand van een aanval met een mes;
dat in Amsterdam sedert een reeks van jaren aan de ministeriele norm voor het op peil houden en verbeteren van de schietervaring van het politiepersoneel, waaronder verdachte, bij lange na niet was voldaan en dat oefening in het schieten zonder gebruikmaking van vizier en korrel, het zogenaamde noodweerschot, nimmer had plaatsgevonden;
dat de instructie in het rechtmatig gebruik van ter beschikking gestelde wapens ten aanzien van verdachte en met hem vele politieambtenaren in Amsterdam tijdens hun opleiding gebrekkig is geweest en wat verdachte betreft nadien reeds jaren niet meer had plaatsgevonden;
dat een regelmatige begeleiding van jeugdig dienstdoend politiepersoneel, vooral bij gebreke van vakbekwaam middenkader, vrijwel heeft ontbroken;
dat, al met al, de overheid in haar verplichting om jonge Amsterdamse politieambtenaren voor te bereiden op hun maatschappelijk onmisbare taak om in conflictsituaties als de onderhavige adequaat te reageren ernstig te kort is geschoten.
3.3.1
In deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat verdachte door — naar aannemelijk is geworden — ‘in een reactie’ dus bliksemsnel te beslissen niet te wijken maar te pogen de crisis op te lossen door het tonen van zijn vuurwapen en nadien door het lossen van het waarschuwingsschot mogelijk de geweldsinstructie heeft overtreden — waarover het Hof niet verder heeft te oordelen — maar dat die handelingen niet de slotsom wettigen dat aan hem, verdachte, toen een en ander niet hielp en de aanval tegen hem werd ingezet, het gebruik van zijn vuurwapen ter verdediging van zijn lijf tegen mogelijk levensgevaarlijke messteken niet zou zijn toegestaan nu ook overigens aan de voorwaarden van art. 41 Sr was voldaan.
3.3.2
Nu de tijd en de afstand te kort waren geworden voor een andere verdediging, zoals het gebruik van de wapenstok of het schieten op de benen van de vrouw, was er geen andere uitweg meer dan het noodlottige schot.
3.3.3
Hieruit volgt dat verdachte het feit heeft begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en dus niet strafbaar is.
6
Beoordeling van het middel van de P G
6.1
De onder 5.2 weergegeven overwegingen, welke zijn genummerd door de HR, komen op het volgende neer:
In overweging 2 heeft het Hof een aantal feiten en omstandigheden vastgesteld. In de overweging 3.1.1 tot en met 3.2.1 heeft het Hof deze als volgt gewaardeerd:
het slachtoffer — door het Hof aangeduid als ‘de vrouw’ — bedreigde de verdachte onverwachts met een mes (3.1.1);
de verdachte heeft haar van verdere agressie trachten te weerhouden, maar desondanks viel zij de verdachte, zonder dat dit aan hem was te wijten, met het mes aan; op dat moment kon de verdachte zich niet meer onttrekken aan die aanval (3.1.2 t/m 3.2.1).
6.2
Deze door het Hof uit de vastgestelde feiten en omstandigheden getrokken conclusies zijn niet onbegrijpelijk.
6.3
Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld (3.3.1) dat ‘in deze omstandigheden’ — waarbij het Hof mede heeft betrokken de omstandigheden die in 3.2.3 zijn weergegeven — de in 3.3.1 genoemde handelingen, namelijk de snelle beslissing van de verdachte om te pogen de crisis op te lossen door het tonen van zijn vuurwapen en nadien door het lossen van een waarschuwingsschot, ‘niet de slotsom wettigen dat aan hem, verdachte, toen een en ander niet hielp en de aanval tegen hem werd ingezet, het gebruik van zijn vuurwapen tegen mogelijk levensgevaarlijke messteken niet zou zijn toegestaan nu ook overigens aan de voorwaarden van art. 41 Sr was voldaan’.
6.4
In overweging 3.3.2 vat het Hof het vorengaande samen in het oordeel dat er geen andere uitweg meer was dan ‘het noodlottige schot’, ‘nu de tijd en de afstand te kort waren geworden voor een andere verdediging, zoals het gebruik van de wapenstok of het schieten op de benen van de vrouw’; het Hof komt in overweging 3.3.3 tot de conclusie dat ‘verdachte het feit heeft begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’.
6.5
In dit oordeel ligt besloten dat het Hof het bewezenverklaarde feit niet strafbaar acht wegens noodweer. Om die redenen heeft het Hof de verdachte, hem niet strafbaar oordelend, ontslagen van alle rechtsvervolging.
6.6
Zonder miskenning van de voor het aannemen van noodweer te stellen eisen kon het Hof ‘bij de beoordeling van het gedrag van verdachte’ de in 3.2.3 vermelde omstandigheden in aanmerking nemen.
6.7
Immers, bij de beoordeling of tussen het aangerande belang, te weten verdachtes leven, en de wijze van verdediging, namelijk het noodlottige schot met een vuurwapen, een juiste verhouding in acht is genomen — derhalve of de verdediging redelijkerwijs geboden en het daartoe gebruikte middel gepast kon worden beschouwd — heeft het Hof, die omstandigheden erbij betrekkend, klaarblijkelijk mede in aanmerking genomen, gelijk het ook kon doen, de capaciteiten van degene die zich op noodweer beroept om de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op andere wijze of met een ander middel te keren.
6.8
Derhalve heeft het Hof — anders dan het middel stelt — in zijn mede op de in 3.2.3 vermelde omstandigheden gebaseerd oordeel niet ‘het subjectief oordeel van verdachte en andere hem subjectief betreffende factoren vervlochten’, dat wil zeggen omstandigheden in zijn oordeel betrokken welke weliswaar ter vermindering of uitsluiting van schuld van de verdachte, doch niet ter rechtvaardiging van het feit zouden kunnen dienen; het Hof heeft daarentegen bij de in 6.7 bedoelde beoordeling mede betrokken, gelijk het kon doen, verdachtes capaciteiten gezien in het licht van hetgeen in een situatie als de onderhavige mag worden verwacht van een politieman in een functie en rang, en van een leeftijd, opleiding en ervaring als die van de verdachte.
6.9
Evenmin kan worden gezegd dat het Hof in de daaraan voorafgaande overwegingen 3.1.4 tot en met 3.2.2 op de in het middel gestelde wijze blijk heeft gegeven de wettelijke maatstaven voor het aannemen van noodweer te hebben geschonden.
6.10
Het Hof heeft verder bij zijn oordeel dat een daad als de bewezenverklaarde handeling gerechtvaardigd was in zijn overwegingen, in het bijzonder die genummerd als 3.3.1 en 3.3.2, niet uit het oog verloren de vraag of voor deze verdachte als politieambtenaar een andere uitweg mogelijk was, noch of het gebruik van een vuurwapen in de gegeven omstandigheden het juiste middel was. Het Hof heeft daaromtrent kunnen beslissen gelijk het heeft gedaan. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het Hof met de in 3.3.1 gebezigde woorden ‘mogelijk levensgevaarlijke messteken’ zijn feitelijke, in cassatie te eerbiedigen, vaststelling tot uitdrukking heeft gebracht, dat van de aanval in redelijkheid gevaar voor verdachtes leven was te duchten. Voorts is in de op voorafgaande overwegingen steunende feitelijke waardering van de omstandigheden in 3.3.1 en 3.3.2 in het bijzonder tot uitdrukking gebracht dat geen andere verdediging meer openstond, dat met name in aanmerking genomen de korte tijd en de korte afstand het gebruik van de wapenstok niet meer tot de reele mogelijkheden behoorde en dat gelet op die tijd en afstand een ander gebruik van het vuurwapen zoals het schieten op de benen van het slachtoffer geen uitweg meer bood. De feitelijke waardering van deze omstandigheden moet in cassatie worden geeerbiedigd.
6.11
Aan ’s Hofs opvatting dat aan de voorwaarden van art. 41 Sr is voldaan doet niet af dat het in 3.3.1 heeft vastgesteld dat de verdachte voordat hij in de noodweersituatie kwam te verkeren ‘door het tonen van zijn vuurwapen en nadien door het lossen van het waarschuwingsschot mogelijk de geweldsinstructie heeft overtreden’. Het Hof heeft toch — zonder miskenning van het recht — kunnen oordelen dat ook indien verdachtes optreden voor het intreden van de noodweersituatie een overtreding van de geweldsinstructie opleverde, zulks onder de omstandigheden van het geval niet meebracht dat het aan de verdachte niet zou zijn toegestaan in de noodweersituatie ter verdediging van zijn lijf tegen de aanval waarvan in redelijkheid gevaar voor zijn leven was te duchten, van zijn vuurwapen gebruik te maken.
6.12
De door het middel gewraakte omstandigheden hebben het Hof derhalve mede reden kunnen geven voor het oordeel dat voor deze verdachte de bewezenverklaarde handeling in de zin van art. 41 Sr ‘geboden was ter noodzakelijke verdediging van eigen lijf’. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk. In cassatie kan het niet verder op zijn juistheid worden getoetst, aangezien het is verweven met de feitelijke waardering van die en de overige omstandigheden van het geval, welke is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.
6.13
Uit het vorenstaande volgt, dat niet blijkt dat het Hof de betekenis van art. 41 eerste lid SR heeft miskend. Evenmin is de motivering van het Hof ontoereikend.
6.14
Het middel is derhalve vruchteloos opgeworpen.
7
Slotsom
Nu het middel van de P G niet tot cassatie kan leiden en in verband daarmede de voorwaardelijk voorgestelde middelen van de verdachte geen bespreking behoeven, terwijl de HR geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moeten de beroepen worden verworpen.
8
Beslissing
De HR verwerpt de beroepen.
Conclusie
A G Mr. Remmelink
In deze zaak, waarin het Hof gerekwireerde, primair vervolgd terzake van doodslag (gerekwireerde, een politieman, doodde met een pistool een vrouw, die dreigend, met in haar hand een mes, op hem afkwam), en in eerste instantie ook deswege veroordeeld, in appel heeft ontslagen van rechtsvervolging met beroep op in art. 41 lid 1 Sr (noodweer) genoemde omstandigheden, tegen welk arrest de Heer P G zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is door ZEGA een middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt betwist, dat het Hof op door het college aangevoerde gronden noodweer heeft kunnen aannemen, althans aldus het begrip noodweer verkeerd heeft uitgelegd.
Ik acht dit middel aannemelijk. Ik ben met de Heer P G van mening, dat het Hof blijkens zijn overwegingen is vervallen in subjectieve redenen voor niet-toerekening, doch aldus heeft miskend, dat het aannemen van noodweer impliceert, dat de door de verdachte verrichte handeling, in casu dus het doodschieten van die vrouw, een gerechtvaardigde, een voor de rechtsgemeenschap acceptabele gedraging is. Noodweer aannemen is immers meer dan rekening houden met de aan de mens eigen ‘Selbsterhaltungstrieb’, het is — a fortiori wanneer wij te maken hebben met een politieman als ‘noodweergerechtigde’ — een instituut van rechtsverdediging, het strekt tot instandhouding van de rechtsorde. In deze zin versta ik ook Uw Raad, wanneer hij noodweer als een rechtvaardigingsgrond aanmerkt. Vgl. HR 8 febr. 1932, NJ 1932, p. 617, alsmede (inzake art. 261 lid 3 oud Sr, maar dat maakt principieel geen verschil) reeds HR 25 jan. 1909, W 8809. Zie ook het Belgische Hof van Cassatie, 28 juni 1938, Pas. I, 232 en 13 febr. 1950, Pas. I, 232, alsmede uitdrukkelijk tegenwoordig het Duitse strafwetboek (par. 32). Ook de doctrine oordeelt in deze geest. Vgl. bijv. Van Bemmelen-Van Veen, zevende druk, p. 166; Hazewinkel-Suringa, achtste druk, p. 249; Noyon-Langemeijer, zevende druk, I, p. 271; Van Hattum, p. 357; Van Hamel-Van Dijck, vierde druk, p. 225; C.D. van der Vijver, Geweldgebruik door de politie, 1980, p. 26, Jescheck, derde druk, p. 269 e.v.; Rudolphi c.s. I, p. 254; Hans Schultz, A.T. des (Schw.) Strafr., tweede druk, I, p. 170. Het Hof heeft immers bij de beoordeling van (de rechtmatigheid van) het gedrag van de verdachte omstandigheden laten meetellen die het wel verklaarbaar maken, waarom deze zo heeft gehandeld, als hij heeft gedaan, zulks misschien (zie echter verderop) kunnen verontschuldigen of aanzienlijk minder strafwaardig maken, doch die toch niet passen in het oordeel, dat hij heeft gehandeld, zoals in zo’n geval behoort te geschieden, en zoals, zou zo’n situatie zich nog eens voordoen, in de toekomst gehandeld zou mogen worden. Ik doel hier uiteraard op het door het Hof gestelde nopens het niet geoefend zijn van verdachte in de zgn. conflict-oplossing, in het gebruik van de korte wapenstok en in het afweren met de hand van een aanval met een mes. Eveneens voor het aangevoerde gebrek aan schietervaring, instructie inzake wapengebruik en begeleiding.
Nu realiseer ik mij wel, dat het Hof in zijn overwegingen niet uitdrukkelijk vaststelt, dat het feit gerechtvaardigd en verdachte deswege niet strafbaar zou zijn. Het Hof beperkt zich tot de vaststelling, dat de verdachte het feit heeft begaan door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en (dat de verdachte) dus niet strafbaar is, maar de door het Hof gebezigde bewoordingen ter legitimatie van de strafuitsluiting houden nu eenmaal ‘noodweer’ in met alle consequenties vandien. Wij mogen derhalve aannemen, dat het Hof, aldus oordelende, niet heeft willen ontkennen de tussenbeslissing, dat het feit, dat de verdachte begin, niet strafbaar was. Had het Hof anders gewild, en uitsluitend de verdachte niet strafbaar willen verklaren, dan had het, gelet op de in art. 351 Sv tot uitdrukking komende systematiek, eerst moeten vaststellen, dat het feit zelf wel strafbaar was.
Het is mogelijk, dat het Hof deze verkorte variant met voordacht heeft gekozen, doch het heeft daarmee toch niet voorkomen, dat het arrest gelezen zal moeten worden als hierboven uiteengezet.
Zou men het arrest anders lezen en in afwijking van de geldende jurisprudentie en de heersende leer alsdan met het Hof aannemen, dat iemand, die objectief gezien wederrechtelijk handelt, toch op subjectieve gronden met succes een beroep kan doen op noodweer (dan derhalve opgevat als een schulduitsluitingsgrond of als een pure strafuitsluitingsgrond; zelf zou ik in zo’n geval eerder denken aan psychische overmacht of — in wezen een bijzondere vorm hiervan — noodweerexces) dan signaleer ik, dat ’s Hofs redengeving niet voldoende duidelijk is. Het Hof maakt nl. niet aannemelijk, waarom verdachte, ondanks mogelijke schending van zijn ambtsinstructie (te dezen vermoedelijk op te vatten als een ambtelijk bevel; vgl. Hazewinkel-Suringa, o.c., p. 262 en 266; Van Veen onder HMG 6 oktober 1978, NJ 1979, no. 1), die hem nl. wellicht niet toestond zijn pistool te trekken en een waarschuwingsschot te lossen in de primaire fase (toen volgens het Hof van een acute noodsituatie nog geen sprake zou zijn geweest; de vrouw bevond zich toen op een afstand van ongeveer 21/2 m), niettemin niet verwijtbaar, althans ‘straffeloos’ heeft gehandeld, toen hij, nadat de vrouw heel dichtbij gekomen was en hij werkelijk in een precaire situatie was gekomen, op haar schoot. Het Hof had daarbij m.i. nl. niet buiten beschouwing mogen laten, dat de verdachte, zoals het heeft vastgesteld, een wapenstok bij zich had. Weliswaar was hij, naar het Hof vaststelde, daarin ongeoefend maar ik meen, dat de algemene ervaring leert, dat een politieman met zo’n stok uitgerust, normaliter er toch wel in zal slagen, zo’n vrouw op afstand te houden, bijzondere omstandigheden uiteraard daargelaten, doch die heeft het Hof niet vastgesteld. M.a.w. het Hof maakt niet duidelijk, — en daarover klaagt ook de Heer P G — waarom hij als politieman niet heeft kunnen voorkomen dat hij in zo’n acute noodsituatie is geraakt dat hij zich daaruit tenslotte alleen maar schietend kon bevrijden.
Nu heeft de geeerde raadsman in zijn pleidooi nog aangevoerd, dat de door ons hierboven veronderstelde beperking van wapengebruik volgens de ambtsinstructie niet meer zou gelden. Met een beroep op een in een andere zaak (arrest van Hof Den Haag van 23 juni 1981) gehouden rekwisitoir van de A G bij dat Hof, Mr. P.A.H. Bos, wordt gesteld, dat de politie het vuurwapen op grotere schaal zou hanteren dan de vuurwapeninstructie toelaat. Lezing van het rekwisitoir leidt tot de conclusie, dat dit inderdaad wel voorkomt, doch dat de Haagse magistraat allerminst betoogt, — en deze kant wil de raadsman uit — dat een dergelijk gebruik zonder meer als bevoegd zou moeten worden beschouwd. In zijn voorbeeld van een niet op de instructie gebaseerd gebruik is dan ook niet sprake van eigendunkelijk optreden, maar van gebruik in opdracht. Het ligt, naar mijn bescheiden mening, ook voor de hand, dat men, afgezien uiteraard van vastgestelde acute noodsituaties, aan de mensen-van-de-eerste-lijn, waartoe verdachte behoorde, niet kan overlaten het oordeel of al of niet van een vuurwapen gebruik mag worden gemaakt. Het Haagse Hof heeft dan ook in de zaak waarin de A G Mr. Bos rekwireerde het gebruik van het vuurwapen ongeoorloofd geacht, en de oplossing gezocht in de vraag, of de verdachte onder de gegeven omstandigheden nog wel voldoende (grove) schuld (om ‘dood door schuld’ bewezen te kunnen achten) had. Het Hof vond dat dit niet het geval was.
De verdachte zelf heeft zich ook nog van beroep in cassatie voorzien en wel incidenteel, en voorwaardelijk, nl. voor het geval Uw Raad het arrest zou vernietigen. De cassatiemiddelen zijn in de pleitnota vervat. Aangenomen mag worden, dat drie middelen zijn voorgesteld.
Middel 1 betwist, dat het Hof lettend op de ambtsinstructie (zie vooral art. 23, R.) heeft kunnen vaststellen, dat op het moment, dat de vrouw zich in de keuken omdraaide met vertoon van een mes nog niet sprake was van een schietwaardige situatie. Daartoe wordt een beroep gedaan op een mededeling van de Hoofd-commissaris van Politie van 4 jan. 1982 en op een schriftelijke instructie genaamd ‘Benaderingstechniek’ die in 1978 door deze autoriteit zou zijn uitgegeven. In dit geval zou in een eerder stadium dan het Hof uit de ambtsinstructie afleidt, het ter hand nemen van een vuurwapen zijn toegestaan. Het komt mij echter voor, dat hier een feitelijke vaststelling van het Hof met een beroep op andere niet door het Hof vastgestelde gegevens wordt aangevochten, hetgeen in cassatie niet met kans op gevolg kan geschieden. Hetzelfde geldt voor het beroep op de mening van de getuige-deskundige Koenders, die tegenover het Hof stelde, dat in de onderhavige situatie een waarschuwingsschot niet verboden resp. geboden zou zijn.
In middel 2 wordt aangevoerd, dat het Hof niet terecht heeft vastgesteld, dat in het hiervoor bedoeld stadium (vrouw met mes in keuken) nog geen aanranding plaats vond. Het is duidelijk, dat men in cassatie deze op zich zelf mogelijke feitelijke waardering van de situatie moet respecteren. Vgl. bijv. HR 2 febr. 1965, NJ 1965, 262 en 24 juni 1975, NJ 1976, 60. De omstandigheden die het Hof op p. 8 heeft vastgesteld maken dit oordeel niet onmogelijk. En de verwijzing naar een dezerzijdse opmerking in Noyon-Langemeijer I, zevende druk, p. 275, dat het opheffen van een mes so wie so een voldoende dreigende handeling is, gaat m.i. ook niet op. Gedacht is daar uiteraard (zie de andere in deze context gegeven voorbeelden) aan de situatie, dat het opheffen van het mes in de onmiddellijke nabijheid van het slachtoffer geschiedt, zodat een eventueel fataal gevolg direct verwacht kan worden. Daarvan was i.c., dus op het moment, dat de vrouw nog in de keuken was, geen sprake.
In middel 3 tenslotte wordt betwist, dat het Hof hier heeft kunnen bewezen achten het opzet op het doden. Er zou niet voldoende bewijs zijn, ook niet voor het door het Hof aangenomen (bewezen) voorwaardelijk opzet, dus voor het zich bewust blootstellen aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans. Het komt mij voor, dat ook dit middel weer moet worden afgewezen op feitelijke gronden. Het Hof heeft nu eenmaal uit de omstandigheid, dat de verdachte op korte afstand in de richting van de vrouw schoot kunnen vaststellen, dat hij daarmee bewust de reele kans aanvaardde, dat hij haar zou doden, en bij dat oordeel zal Uw Raad zich moeten neerleggen. Ik meen, dat men ook over de woorden waarmee de grootte van de kans werd aangeduid: ‘geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen’, niet kan vallen. Ook uit deze bewoordingen kan evenzeer als bijv. uit de toevoeging ‘aanmerkelijk’ worden afgeleid, dat het gaat om een reele kans, dus een kans waarvan duidelijk is, dat men die niet mag lopen. Zie over dit kansopzet, en de jurisprudentie van Uw Raad hieromtrent, de Tilburgse inaugurele rede van Nieboer Wetens en willens, 1978, p. 19.
Het middel van de Heer P G aannemelijk achtend en die van de verdachte niet, concludeer ik, dat Uw Raad het arrest waarvan beroep zal vernietigen, en de zaak zal verwijzen naar het Hof te Den Haag teneinde haar op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
Noot
1
Het geval vertoont verrassend veel overeenkomst met de casus in HR 2 febr. 1982, NJ 1982, 384. Ook toen werd een agent van politie, die een vechtersbaas achtervolgde, ineens met agressie geconfronteerd. De man keerde zich om en kwam met een mes op hem af. Maar toen nam het Hof geen noodweer aan, hoewel de agent door het mes aan het hoofd was geraakt. En in dit geval neemt het Hof wel noodweer aan. Beide keren schoot de agent van zeer korte afstand door de borst. In het eerste geval was het schot niet dodelijk, hier was het dat wel.
De A G Remmelink liet in zijn conclusie bij NJ 1982, 384 weten dat hij zich ook had kunnen vinden in een beslissing, waarbij het Hof wel noodweer had aangenomen. Hier daarentegen meent dezelfde A G, dat het Hof ten onrechte het beroep op noodweer heeft aanvaard. Hij deelt de bezwaren van de P G bij het Hof, zoals die zijn verwoord in het middel van cassatie.
De HR verwerpt echter in beide gevallen het ingestelde beroep. Ongetwijfeld mee omdat, zoals hij vaststelt, het oordeel van het Hof ‘verweven is met de feitelijke waardering van de omstandigheden van het geval’, welke is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.
2
Noodweer wordt gerekend tot de rechtvaardigingsgronden. Dat betekent dat wie uit noodweer handelt rechtens juist handelt en dat ieder ander, die in een soortgelijke situatie op dezelfde wijze optreedt, ook het gelijk aan zijn zijde heeft. Daarom is het zo belangrijk te weten, waar in situaties, waarin van het vuurwapen gebruik wordt gemaakt, de grenzen van de noodweer worden getrokken.
Geen twijfel bestaat over de vraag of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Waar het om gaat is of het schieten geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf.
3
In NJ 1982, 384 stelde het Hof vast dat de agent door enkele stappen terug te doen het mes had kunnen ontwijken en tijd zou hebben gewonnen om met zijn wapen te dreigen. Hier constateert het Hof dat een collega van de opsporingsambtenaar vlak achter hem stond en terugwijken blokkeerde.
Bovendien acht het Hof, anders dan in NJ 1982, 384 terugwijken in een situatie als de hier aanwezige, van een ambtenaar van politie niet juist. Literatuur over de vraag of voor de politie bijzondere normen gelden bij het beroep op noodweer is schaars. Een overzicht geeft Paul Bockelmann: Notrechtsbefugnisse der Polizei in het Festschrift fur Eduard Dreher, zum 70 Geburtstag, am 29 April 1977, Berlin 1977, blz. 235 e.v.
Door feitelijk vast te stellen dat ontwijken van de aanval niet meer mogelijk was, beperkt het Hof de vraag tot het geboden zijn van de gekozen afweer. Vgl. conclusie bij HR 30 maart 1976, NJ 1976, 322. Daarbij overweegt het Hof dat de verdachte een waarschuwingsschot heeft afgegeven, dat de verdachte niet geoefend was in het afweren van aanvallen met een mes, dat de instructie en oefening in wapengebruik gebrekkig is geweest en dat het aan een goede opleiding voor het op de juiste wijze optreden in situaties als de onderhavige heeft ontbroken. Bovendien geeft de handleiding behorende bij de ambtsinstructie aan de agent van politie een aanzienlijke ruimte bij het nemen van de beslissing of hij in een noodsituatie van zijn vuurwapen gebruik zal maken.
Tegen die overweging keert zich het cassatiemiddel. Het Hof zou, aldus redenerend, de vraag of er van noodweer sprake is te veel afhankelijk hebben gemaakt van subjectieve factoren. Daarmee wordt, als ik het goed begrijp, zowel bedoeld de betekenis die het Hof toekent aan het inzicht van de agent op het moment dat hij schiet, als op de omstandigheden, die de lacuneuse training en opleiding van de agent van politie betreffen.
4
Het middel bedoelt daarmee duidelijk te maken dat er wellicht wel kan worden gesproken van omstandigheden gelegen in de persoon van de dader, die de schuld zou doen verminderen of zelfs uitsluiten (noodweerexces), maar dat er geen noodweersituatie is geweest, omdat bij de beoordeling van de vraag, of het schieten gerechtvaardigd was, moet worden afgezien van factoren, die alleen de dader in kwestie betreffen.
Dat gaat mij te ver. De wijze waarop de ambtenaar is opgeleid mag zeker meetellen bij de beantwoording van de vraag of zijn optreden door de omstandigheden geboden was. Het is een van die omstandigheden. Het feit, dat voor onverwachte noodsituaties geen stringente gedragsregelingen zijn te geven, biedt een zekere speelruimte voor eigen oordeel. Dat betekent, dat niet een reactie de juiste is, doch dat er verschillende reacties mogelijk zijn.
Er is van noodweer sprake als de gekozen reactie door de beugel kan. Daarbij speelt ook de ervaring en de training van de betrokkene een rol. Dat er gekozen kan en moet worden tussen verschillende aanvaardbare reacties en verschillende onaanvaardbare reacties voert geen ‘subjectieve’ elementen in de noodweer in.
5
De kernvraag ligt, denk ik, anders. Had, toen de politieambtenaren in de woning niemand anders aangetroffen dan een ogenschijnlijk slapende, naar later is gebleken, onder invloed van alcohol verkerende vrouw, het vuurwapen dat in de hand werd gehouden omdat een vechtpartij werd verwacht, niet opgeborgen moeten worden. Als de opsporingsambtenaar dat had gedaan, had hij zijn handen vrij gehad toen hij de vrouw toestond naar de keuken te gaan om water te drinken. En dan had hij zijn wapenstok kunnen trekken toen zij met een mes op hem af kwam.
Anders gezegd: Heeft de ambtenaar van politie door met het wapen in de hand te blijven lopen toen daarvoor geen reden bleek te zijn, zich niet zelf in een positie gebracht, waarin hij disproportioneel moest optreden.
Bij de overmacht is dat een bekende figuur. Geen beroep op overmacht komt toe aan diegene, die zichzelf in die toestand heeft gebracht (HR 15 sept. 1975, NJ 1976, 109; HR 22 mei 1979, NJ 1979, 497). Noodweer wordt uitgesloten bij een uitgelokte aanval (HR 23 dec. 1969, NJ 1970, 402) of een zelf gecreeerde gelegenheid (HR 9 okt. 1979, NJ 1980, 45).
6
Toen de politieagent eenmaal met het vuurwapen en niet met de wapenstok in de hand stond tegenover de vrouw die niet op het waarschuwingsschot reageerde, moest hij in een flits beslissen. Hij schoot op de vrouw en trof haar in het hart.
Het Hof zegt: een andere uitweg was er niet meer. Dat is een in cassatie niet toetsbaar oordeel. Maar impliceert dat ook dat de reactie proportioneel is geweest? Meestal wel, maar niet altijd. Een groot goed mag niet worden opgeofferd omdat er geen andere uitweg is om een klein belang te redden. Doch hier was het lijf van de agent geen klein belang.
En dan rijst de vraag hoe breed de waaier van reacties is die nog aanvaardbaar is en dus gerechtvaardigd. Degene die wordt aangevallen heeft een aanzienlijke marge. Hij behoeft niet eerst het lichtste middel te proberen. Want hij loopt teveel kans dat niet te overleven wanneer het niet werkt. Hij mag dus aanstonds kiezen voor een afweer die een redelijke kans op effect heeft. In een uitspraak van het BGH 27.11.1982, 5 StR 94.82 N.St Z 82 (Heft 7) 285 wordt dat zo gezegd: Der Angegriffene darf grundsatzlich das fur ihn erreichbare Abwehrmittel wahlen, das eine sofortige und endgultige Beseitigung der Gefahr erwarten lasst er ist nicht genotigt, auf die Anwendung weniger gefahrlicher Verteidigungsmittel zuruckzugreifen, wenn deren Wirkung fur die Abwehr zweifelhaft ist.
7
De HR aanvaardt dat het Hof de noodweersituatie losmaakt van wat daaraan is voorafgegaan, met name dus van het met een getrokken vuurwapen blijven rondlopen, hoewel de situatie daartoe geen aanleiding bleek te geven. Dat lijkt mij eigenlijk het belangrijkste aspect van deze zaak. Deze uitspraak sluit wat dit betreft aan bij HR 23 nov. 1976, NJ 1977, 379.