HR 01-07-1981, NJ 1981, 616 Arrest Vervoeren en aanwezig hebben van heroine

HR 01-07-1981, NJ 1981, 616 Arrest Vervoeren en aanwezig hebben van heroine

NJ 1981 , 616
HOGE RAAD (Strafkamer)
1 juli 1981 , nr 72585.
(Mrs Moons, Van der Ven, Van den Blink, De Waard, Hermans).
DD 81.398.

m.nt. ThWvV
DD 1981 , 398

Regeling

Sr art. 55 lid 1; Opiumwet art. 2 lid 1 onder B en C

Essentie

‘Vervoeren’ en ‘aanwezig hebben’ van heroïne: eendaadse samenloop.

Samenvatting

In aanmerking genomen dat a blijkens bewezenverklaring en bewijsmiddelen het vervoeren en aanwezig hebben dezelfde heroïne betreft en op dezelfde plaats en tijd is geschied, en b de verboden artt. 2 lid 1B resp. 2 lid 1COpiumwet dezelfde strekking hebben, heeft de Rb. ten onrechte geen toepassing gegeven van art. 55 lid 1 Sr. * [1]

Tekst

Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Rb. te Groningen van 10 juli 1980 in de strafzaak tegen Jan K., geboren te Groningen op 2 juni 1951, wonende te Groningen.
1
De bestreden uitspraak.
De Rb. heeft de verdachte — voor zover in cassatie van belang — ter zake van het medeplegen van: ‘handelen in strijd met een in art. 2 eerste lid Opiumwet gegeven verbod’ en het medeplegen van: ‘handelen in strijd met een in art. 2 eerste lid Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een maand hechtenis en een maand hechtenis.
2
Het cassatieberoep.
Het beroep — dat beperkt is tot de onder 1 vermelde veroordelingen — is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr R. Bosma, adv. te Assen, het volgende middel van cassatie voorgesteld:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, in het bijzonder van de artt. 55, 57, 62 Sr en 350, 351, 358, 359 Sv, aangezien de Rb. niet art. 57, doch art. 55 Sr toe had moeten passen.
Toelichting.
Ten aanzien van het onder sub 1b te laste gelegde heeft de Rb., zakelijk weergegeven, bewezen verklaard: ‘het in een auto aanwezig hebben en vervoeren van heroine.
Ten onrechte heeft de Rb. overwogen en beslist dat het bewezene meerdere feiten oplevert als bedoeld in art. 57 Sr.
Het in een auto vervoeren van heroine houdt automatisch in het in deze auto aanwezig hebben van dit goed.
Er is derhalve sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 lid 1 Sr en niet van meerdaadse samenloop als bedoeld in art. 57 Sr.
Verwezen zij hiervoor naar de noot van Prof. mr G.E. Mulder bij het arrest van Uw Raad d.d. 11 dec. 1979, NJ 1980, 366’.
3
De conclusie van het OM. (Enz. Red.)
4
Bewezenverklaring.
Voor zover in cassatie van belang is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
te en in de gem. Groningen, op 17 maart 1980, tezamen en in vereniging met anderen, in een auto 9,80 gram heroine (diacetylmorfine), althans preparaat dat die substantie bevatte, zijnde een middel in de zin van art. 1 Opiumwet, vermeld op de bij deze wet behorende lijst I, aanwezig heeft gehad en heeft vervoerd.
5
Beoordeling van het middel.
In aanmerking genomen:
—
dat blijkens de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen het bewezenverklaarde vervoeren en aanwezig hebben dezelfde heroine betreft en op dezelfde plaats en tijd is geschied, en
—
dat de verboden van art. 2 eerste lid onder B resp. onder C dezelfde strekking hebben,
heeft de Rb. het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als hiervoren onder 1 is vermeld, in stede van toepassing te geven aan art. 55 lid 1 Sr.
Het middel, voor zover daarover klagend, is mitsdien gegrond.
6
Slotsom.
Het vorenstaande brengt mede dat moet worden beslist als volgt en het middel voor het overige geen bespreking behoeft.
7
Beslissing.
De HR:
Vernietigt het bestreden vonnis, doch uitsluitend voor wat de hiervoren onder 1 vermelde kwalificatie en strafoplegging betreft en voor zover onder de wettelijke voorschriften waarop die strafoplegging berust niet mede is vermeld art. 55 lid 1 Sr;
Kwalificeert het hiervoren onder 4 weergegeven bewezenverklaarde als: medeplegen van ‘handelen in strijd met een in art. 2 eerste lid Opiumwet gegeven verbod’;
Veroordeelt de verdachte deswege tot een maand hechtenis, zijnde deze straf gepast, gelet op de aard van het feit;
Verstaat dat de strafoplegging mede berust op art. 55 lid 1 Sr;
Verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie

Adv.-Gen. Mr Remmelink
In deze zaak waarin de Rb. requirant o.m. heeft veroordeeld van ‘het medeplegen van het handelen in strijd met een in art. 2, eerste lid Opiumwet gegeven verbod’, twee maal gepleegd (requirant zou in een auto heroine aanwezig hebben gehad en hebben vervoerd), tot telkens een maand hechtenis, tegen welk vonnis hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem een middel van cassatie voorgesteld, waarin hij aanvoert, dat de Rb. voormelde feiten ten onrechte niet als eendaadse samenloop (art. 55 lid 1 Sr) heeft opgevat, aangezien het vervoeren van de heroine ‘automatisch’ inhoudt het aanwezig hebben daarvan.
Wat hiervan te zeggen? Ik verschil met requirant van mening dat vervoeren altijd aanwezig hebben inhoudt. Zou dat zo zijn, dan zou vervoeren als een specialiteit van aanwezig hebben moeten worden opgevat. M.i. gaan beide handelingsvormen wel vaak samen, maar het is denkbaar, dat de vervoerder iemand anders is dan de aanwezighebber, nl. in gevallen, waarin degene, die het goed bij zich heeft en er zeggenschap over heeft, niet degene is, die zich bezig houdt met het vervoer. Ik denk aan de passagier in een bus, trein of taxi, die heroine op zak heeft zonder dat de vervoerders hiervan weten. En voorts is het duidelijk dat de gedragingen op zich zelf ook danig verschillen. Verplaatsen is wat anders dan in een zeggenschaps-relatie tot iets staan.
Heeft men nu voor de toepassing van art. 55 lid 1 voor ogen de abstracte (Kijk in ‘t Jat —) versie (vgl. Hazewinkel-Suringa, zevende druk, p. 696), dan is het m.i. alleszins verdedigbaar om te opteren voor meerdaadse samenloop. Misschien dat deze leer de Groningse Rb. dierbaar was. In mijn opvatting daarentegen, waarbij op voetspoor van de toepassing van het begrip feit binnen het kader van art. 68 ook hier doorslaggevend is de concrete gang van zaken had de Rb. gelet op de uit de vastgestelde bewijsmiddelen blijkende gelijktijdigheid van gedrag en wezenlijke samenhang in handelen en schuld eendaadse (concursus simultaneus homogeneus) moeten aannemen. Het komt mij echter voor, dat Uw Raad in dat geval zou kunnen volstaan met het vonnis slechts te vernietigen, voorzover art. 57 is aangehaald, in plaats waarvan hij met gebruikmaking van art. 442 Sv zou kunnen invullen art. 55, en voorzover betreft de strafoplegging, waarbij Uw Raad ten principale rechtdoende in plaats van tweemaal een maand hechtenis zou kunnen opleggen een straf van twee maanden hechtenis.
Ik moge, het middel aannemelijk achtend, in deze zin concluderen.

Noot

1
Vervolgd wegens het niet opzettelijk aanwezig hebben en vervoeren van 9.80 gram heroine, een overtreding, die volgens art. 56 lid 1, d Wet RO in eerste aanleg door de Rb. wordt berecht, werd de verdachte veroordeeld tot twee straffen van elk een maand hechtenis. Hij overtrad volgens de Rb. twee maal de Opiumwet.
Maar het cassatiemiddel stelt dat uit de bewijsmiddelen blijkt, dat het aanwezig hebben van de opium slaat op dezelfde hoeveelheid, die in de auto werd vervoerd. Sterker nog: Het aanwezig hebben heeft betrekking op de periode, dat de heroine in de auto van de verdachte werd vervoerd. Daarom zijn, zo zegt het middel, het te laste gelegde vervoeren en het aanwezig hebben beschrijvingen van dezelfde gebeurtenis.
Waar de overtreden bepalingen (art. 2 lid 1B en art. 2 lid 1 C Opiumwet) dezelfde strekking hebben, acht de HR conform de concl. van de Adv.-Gen. Remmelink het middel terecht voorgesteld. Hier is sprake van een strafbaar feit, waarvoor een straf moet worden opgelegd. Het vonnis van de Rb. wordt dus wegens rechtsschending vernietigd.
Anders dan de Adv.-Gen. adviseert, legt de HR niet dezelfde straf op als de Rb. Het wordt een maand hechtenis. Daartoe dwingt de wet niet, want op het feit staat zes maanden hechtenis. Maar er is veel voor te zeggen. Aan de verdachte mogen niet twee gedragingen worden verweten, hij heeft slechts eenmaal de Opiumwet overtreden. En art. 62 Sr bepaalt dat voor elke overtreding ‘zonder vermindering’ straf wordt opgelegd, de straffen cumuleren.
2
Mogelijk is het, dat de Groningse Rb. zich minder heeft doen leiden door dierbare herinneringen aan het Kijk in t Jat/straatarrest (HR 15 febr. 1932, NJ 1932, 289) dan door trouw aan de telastelegging, waarin nu eenmaal over vervoeren en over aanwezig hebben wordt gesproken.
De samenloopbepalingen worden echter niet door de telastelegging beheerst — al kan een telastelegging wel eens de toepassing van een specialis verhinderen, waardoor ontslag van rechtsvervolging moet worden uitgesproken en al kan zij wel eens van invloed zijn bij een grensgeval. In principe behoren de samenloopbepalingen tot het domein van de straftoemeting (zie Hazewinkel-Suringa-Remmelink, 8ste dr., blz. 629) en de kwalificatie, voorzover die daardoor wordt beinvloed.