HR 01-07-1996, NJ 1996, 753 Arrest Blijf daar weg!
HR 01-07-1996, NJ 1996, 753 Arrest Blijf daar weg!
NJ 1996 , 753
HOGE RAAD (Strafkamer)
1 juli 1996 , nr. 102 612
(Mrs. Haak, Keijzer, Bleichrodt, Schipper, Corstens; A-G Van Dorst)
DD 96.371
DD 1996 , 371
Regeling
Sr art. 41 lid 1
Essentie
Verwerping van beroep op noodweeer vanwege ‘culpa in causa’ onbegrijpelijk.
Verwerping beroep op noodweer vanwege ‘culpa in causa’ onbegrijpelijk
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s Gravenhage van 7 juli 1995 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen U.J.F.E.A., te Hellevoetsluis, adv. mr. H.W.R. Beerling te Rotterdam.
HOF:
Bewezenverklaring
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
1
hij op 30 oktober 1993, te Hellevoetsluis op de openbare wegen, de Harp en de Ploegschaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een man, genaamd H.J.G. M., van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, met een pistool, één kogel op het lichaam van die M. heeft afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen ten gevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die M. niet dodelijk werd geraakt;
2
hij op 30 oktober 1993 te Hellevoetsluis, op de openbare wegen namelijk op de Harp en Ploegschaar een wapen als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietwapen in de zin van artikel 1, lid 1, onder 3, van die Wet in de vorm van een pistool, van het merk: F.N.-Browning, model 1910, kaliber 7.65 met daarbij voor dat wapen geschikte munitie voorhanden heeft gehad.
VERWEER
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte ten aanzien van het onder 1 telastegelegde een beroep gedaan op noodweer, daartoe aanvoerende dat het M. was die, onmiddellijk nadat hij de verdachte zag, als eerste, zonder waarschuwing vooraf een pistool trok en op de verdachte schoot. Derhalve was er voor de verdachte geen andere mogelijkheid dan terug te schieten, nu het ontwijken van de aanval onmogelijk was.
Het hof verwerpt het verweer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte M. reeds eerder op de avond van 30 oktober 1993 had getroffen en dat hij bij die gelegenheid door M. met een vuurwapen is bedreigd.
Door zich later op de avond gewapend met een pistool naar de plaats te begeven, waar M. zich ophield en waar hij M. ook is tegengekomen, is de verdachte zelf de confrontatie met het latere slachtoffer aangegaan. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat van een noodweersituatie sprake is geweest.
Ten aanzien van het onder 1 telastegelgde heeft de raadsman zich tevens beroepen op noodweer-exces, daartoe aanvoerende dat de verdachte schoten op M. heeft afgevuurd ten gevolge van de bij verdachte bestaande angst en paniek, ontstaan nadat M. direct op hem was gaan schieten.
Het hof verwerpt ook dit verweer. Nu zich in de onderhavige zaak op geen enkel moment een noodweersituatie heeft voorgedaan is ook een daardoor ontstane hevige gemoedsbeweging uitgesloten, zodat de verdachte zich niet met vrucht op noodweer-exces kan beroepen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
UITSPRAAK
Het Hof veroordeelt de verdachte ter zake van 1. ‘poging tot doodslag’ en 2. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan door op de openbare weg een schietwapen in de vorm van een pistool met daarbij voor dat wapen geschikte munitie voorhanden te hebben’ tot dertig maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
CASSATIEMIDDELEN:
I
Schending van het recht, in het bijzonder Wetboek van Strafrecht, artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, artikelen 358, derde lid en 415, of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordien het Gerechtshof het namens requirant tot cassatie gedane beroep op noodweer ten aanzien van het onder 1 telastegelegde en bewezenverklaarde feit verwerpt met de overweging: (enz., zie onder Hof; red.)
Ten onrechte, zulks op de hierna te noemen, voor zover nodig in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen, gronden:
a
Uit het onderzoek ter terechtzitting is — anders dan het hof suggereert — niet gebleken dat verdachte zich welbewust heeft begeven naar een plaats waar hij de aanwezigheid van M. kon verwachten. Requirant tot cassatie heeft niet meer of anders gedaan dan zich op de openbare weg te begeven. Gelijk namens requirant tot cassatie ter terechtzitting in hoger beroep, evenals ter terechtzitting in eerste aanleg, is aangevoerd en door het Hof niet in zijn overwegingen wordt betrokken komt de overweging van het Hof er in feite op neer dat requirant tot cassatie zich in het geheel niet in de openbaarheid zou hebben mogen begeven, aangezien hij overal in beginsel M. zou kunnen tegenkomen. Zulks kan in redelijkheid niet van requirant tot cassatie worden verlangd.
b
Niet valt in te zien dat het feit dat requirant tot cassatie zich naar de bewuste plaats begaf gewapend met een pistool voor het antwoord op de vraag of hij zich al dan niet in een noodweersituatie begaf van enig belang was. Ware hij immers ongewapend naar de bewuste plaats gegaan, dan zou de wederrechtelijke aanranding door M. tegenover hem nog evenzeer als thans hebben plaatsgevonden. Requirant tot cassatie had dan alleen niet kunnen handelen zoals hij thans heeft gedaan, hetgeen voor hem overigens ernstige gevolgen had kunnen hebben, gevolgen die nu konden worden afgewend door het feit dat hij een wapen met zich droeg.
c
In Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, artikel 41, aantekening 10, wordt opgemerkt:
‘Het wederrechtelijke der aanranding wordt niet zonder meer opgeheven of, geformuleerd naar mijn opvatting: de aanranding verliest niet haar karakter of rechtsgevolg door de omstandigheid dat de aangerande haar heeft kunnen voorzien of zelfs er aanleiding toe gegeven heeft.
Door in antwoord op het namens requirant tot cassatie gedane beroep op een strafuitsluitingsgrond — slechts — hetgeen hiervoor is geciteerd te overwegen heeft het Gerechtshof althans zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
II
Schending van het recht, in het bijzonder Wetboek van Strafrecht, artikel 41, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, artikelen 358, derde lid en 415, of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordien het Gerechtshof het namens requirant tot cassatie ter terechtzitting gedane beroep op de strafuitsluitingsgrond, genoemd in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, verwerpt met de motivering:
Nu zich in de onderhavige zaak op geen enkel moment een noodweersituatie heeft voorgedaan is ook een daardoor ontstane hevige gemoedsbeweging uitgesloten, zodat de verdachte zich niet met vrucht op noodweer-exces kan beroepen.
Ten onrechte aangezien, op de bij het eerste middel genoemde gronden, waarnaar requirant tot cassatie thans verwijst, anders dan het Hof aanneemt, wel degelijk van een noodweersituatie sprake is geweest, althans het Gerechtshof zijn oordeel dat dit niet het geval is geweest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
(…)
HOGE RAAD:
5 Beoordeling van het eerste en het tweede middel
5.1
Een ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte gedaan beroep op noodweer, subsidiair noodweerexces, heeft het Hof als volgt samengevat en verworpen: (enz.; zie onder Hof; red.)
5.2
Vooropgesteld dient te worden dat het Hof bij zijn vaststellingen in het midden heeft gelaten — zodat daarvan in cassatie moet worden uitgegaan — dat het M. was die onmiddellijk nadat hij de verdachte zag, als eerste, zonder waarschuwing vooraf een pistool trok en op de verdachte schoot.
5.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar verklaard:
‘Op 30 oktober 1993 ontmoetten Jeng en ik elkaar weer, toen ik bij Marcelino was. Hij kwam daar aan de deur en bedreigde mij toen met een vuurwapen. Diezelfde avond had ik met mijn vriend Anthony afgesproken om uit te gaan. Ik zou hem ophalen bij Marcelino thuis. Mijn vrienden liepen met mij mee. U vraagt mij of ik niet beter weg had kunnen blijven uit die buurt. Ik had echter al afgesproken daar naar toe te gaan. Voordat ik daar naar toe ging had ik mijn pistool van huis meegenomen. Ik heb Jeng onderschat. Ik kwam Jeng daar weer tegen. Jeng begon te schieten. Ik moest mij verdedigen en heb daarom geschoten.
5.4
In het licht van het vorenoverwogene is ’s Hofs oordeel dat de verdachte zelf de confrontatie met het latere slachtoffer is aangegaan en dat gelet daarop niet kan worden gezegd dat van een noodweersituatie sprake is geweest, zonder nadere motivering, die in de bestreden uitspraak ontbreekt, niet begrijpelijk. Immers, de enkele omstandigheid dat het slachtoffer eerder op de avond bij een derde aan de deur was geweest en toen de verdachte, die zich bij die derde bevond, met een vuurwapen had bedreigd, brengt niet mee dat de verdachte, toen hij zich later op de avond wederom naar de woning van die derde begaf daardoor de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht.
5.5
Voor zover de middelen erover klagen dat het Hof de verwerping van de verweren en met name zijn oordeel dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie niet naar behoren heeft gemotiveerd, zijn zij derhalve terecht voorgesteld.
6 Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft en dat moet worden beslist als volgt.
7 Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Conclusie
A G mr. Van Dorst
1
Bij arrest van het gerechtshof te ’s Gravenhage is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens poging tot doodslag en verboden wapenbezit.
2
Namens verzoeker heeft mr H.W.R. Beerling, advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3
Het eerste middel klaagt over de verwerping van het ter terechtzitting gedane beroep op noodweer. Het hof heeft het verweer in zijn arrest als volgt samengevat en verworpen: (enz.; zie onder Hof; red.)
4
Waar het hof spreekt over het onderzoek ter zitting heeft het kennelijk het oog op de aldaar door verzoeker afgelegde verklaring. Die luidt, voor zover van belang:
‘Ik had ruzie met Jeng (= M.). Hij had mij enkele dagen eerder afgesneden, toen wij beiden op een brommer reden. Nadat wij waren gestopt maakte hij een beweging met zijn hand naar zijn broeksband. Ik trok daarop een mes. Op 30 oktober 1993 ontmoetten Jeng en ik elkaar weer, toen ik bij Marcelino was. Hij kwam daar aan de deur en bedreigde mij toen met een vuurwapen. Diezelfde avond had ik met mijn vriend Anthony afgesproken om uit te gaan. Ik zou hem ophalen bij Marcelino thuis. Mijn vrienden liepen met mij mee. U vraagt mij of ik niet beter weg had kunnen blijven uit die buurt. Ik had echter al afgesproken daar naar toe te gaan. Voordat ik daar naar toe ging had ik mijn pistool van huis meegenomen. Ik heb Jeng onderschat. Ik kwam Jeng daar weer tegen.
5
’s Hofs zeer beknopte motivering laat alle ruimte voor misverstanden, al was het maar omdat zij uitdrukking lijkt te geven aan de gedachte dat elkeen die zich in een risicosituatie begeeft geen beroep op noodweer meer toekomt. Deze opvatting lijkt mij in haar algemeenheid niet juist, tenzij men de burger het recht tot zelfverdediging wil ontzeggen in al die gevallen waarin het niet verboden maar misschien wel onverstandig was om zich te gedragen zoals men heeft gedaan (variërend van bijv. het lopen langs straten die als onveilig bekend staan tot het dragen van minirokjes door deswege aantrekkelijke meisjes). Eigen schuld aan de ‘aanranding’ leidend tot verlies van de noodweerbevoegdheid, behoort mijns inziens daarom niet te snel te worden aangenomen. Vgl. Machielse, Noodweer in het strafrecht, blz. 613 en 616–617, die de opvatting is toegedaan dat de verdediging die men tevoren al heeft voorbereid door zich met het oog op een mogelijke confrontatie van een wapen te voorzien, noodzakelijk kan zijn zoals ook het gepleegde feit geboden kan zijn.
6
Toch zou ik willen verdedigen dat de motivering van het hof met enige goede wil de toets der kritiek zou kunnen doorstaan. Daartoe dient zij als volgt te worden gelezen:
—
verzoeker wist dat M. hem niet welgezind was en dat hij in het bezit was van een vuurwapen dat hij in staat en bereid was in elk geval als bedreigingsmiddel tegen verzoeker te gebruiken;
—
verzoeker heeft zich desondanks willens en wetens begeven naar een plaats waar naar hij redelijkerwijs kon vermoeden M. zich ophield;
—
verzoeker heeft zich voor vertrek gewapend met een pistool, waaruit afgeleid kan worden dat verzoeker heeft voorzien dat het bij een treffen met M. niet — zoals tot dan toe — zou blijven bij bedreigingen (daaraan zou verzoeker zich immers eenvoudig hebben kunnen onttrekken door zijns weegs te gaan);
—
onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het schieten op M. geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen de aanranding, hierin bestaande dat M. als eerste schoot.
7
Aldus verstaan ligt in ’s hofs vaststelling dat verzoeker zelf de confrontatie met het latere slachtoffer is aangegaan, besloten dat verzoeker niet heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging. Dit oordeel zal in cassatie geëerbiedigd moeten worden. Vgl. voor andere gevallen waarin een confrontatiezoeker zich tevergeefs op noodweer beriep HR DD 1995.203, NJ 1990, 353 nt ‘t H, NJ 1989, 389 nt ALM, NJ 1987, 950 en NJ 1987, 442; zie voorts de rechtspraak die door Van Netburg wordt besproken in Eigen schuld?! Culpa in causa bij wettelijke strafuitsluitingsgronden, WODC 1994, blz. 33–42. Verder kan worden gewezen op de steun die de Hoge Raad krijgt van HSR, 14e druk, blz. 323, en Strijards, Strafuitsluitingsgronden, blz. 44–46 (er is sprake van anterieure verwijtbaarheid).
8
Dat betekent dat ik nog slechts kort hoef stil te staan bij de diverse middelonderdelen.
De klacht sub a, inhoudende dat niet blijkt dat verzoeker welbewust is gegaan naar een plaats waar hij M. kon verwachten, berust op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Zoals hierboven reeds is aangegeven ligt in de aangevallen motivering besloten dat verzoeker zich willens en wetens heeft begeven naar een plaats waar naar hij redelijkerwijs kon vermoeden M. zich ophield.
De klacht sub b faalt omdat reeds is uiteengezet dat en waarom het hof terecht betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat verzoeker gewapend met een pistool op weg is gegaan.
De klacht sub c ziet eraan voorbij dat het hof zich van de verwerping van het beroep op noodweer niet behoefde te laten weerhouden door hetgeen in NLR, aant. 10 bij art. 41 Sr is vermeld; ik voeg hieraan toe dat de daar verwoorde opvatting door de bewerker inmiddels genuanceerd lijkt te zijn in HSR, 14e druk, blz. 323.
9
Het tweede middel gaat evenmin op omdat het hof feitelijk en niet-onbegrijpelijk en deswege in cassatie onaantastbaar vaststellend dat een noodweersituatie ontbrak — waarin besloten ligt dat er geen verdedigingsnoodzaak bestond — het beroep op noodweerexces verworpen heeft op gronden die geen blijk geven van miskenning van het bepaalde in art. 41 lid 2 Sr. Vgl. HR DD 93.377 en NJ 1993, 691 nt ‘t H.
(…)
11
De middelen zijn tevergeefs voorgesteld. Mijns inziens stelt het derde middel geen rechtsvragen aan de orde die in het belang van de rechtsontwikkeling of de rechtseenheid beantwoord zouden moeten worden. Ik geef Uw Raad daarom in overweging dat middel af te doen met de in art. 101a RO bedoelde motivering. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen, behoudens ten aanzien van het volgende.
12
Uit de stukken (zie het door de politie opgemaakte proces-verbaal) blijkt dat verzoeker op 31 oktober 1993 in verzekering is gesteld en op 3 november 1993 is heengezonden. Het hof heeft verzuimd deze periode van inverzekeringstelling in mindering te brengen op het onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf (art. 27 Sr). De Hoge Raad kan dit verzuim herstellen (HR DD 93.291, DD 88.088).
13
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend voor zover art. 27 Sr niet is toegepast, tot toepassing van die bepaling op de wijze als onder 12 is vermeld en tot verwerping van het beroep voor het overige.