HR 01-07-1996, NJ 1997, 427 Arrest Het Trefpunt

HR 01-07-1996, NJ 1997, 427 Arrest Het Trefpunt

NJ 1997 , 427
HOGE RAAD (Strafkamer)
1 juli 1996, nr. 102679
(Mrs. Hermans, Keijzer, Corstens; A-G Meijers)
DD 96.372

DD 1996, 372

Regeling

Sr art. 45 lid 1, 287; Sv art. 350

Essentie

Poging tot doodslag. Geen begin van uitvoering cfm. art. 45 lid 1 Sr, nu de gedraging van verdachte de mogelijkheid openlaat dat deze niet het voornemen had het slachtoffer van het leven te beroven.
Poging tot doodslag / gedraging verdachte laat mogelijkheid open dat deze niet voornemen had slachtoffer van leven te beroven

Tekst

Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 maart 1995 in de strafzaak tegen P. van der L., te Amsterdam, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Unit ‘De Koepel’ te Haarlem, adv. mr. E. Prakken te Amsterdam.
HOF:
Bewezenverklaring en bewijsvoering
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard, dat hij op 17 augustus 1993 te Amsterdam (in perceel Lambertus Zijlplein 9) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk S.V. van het leven te beroven, met die opzet die V. heeft verzocht met hem, verdachte, mee te lopen naar het halletje van genoemd perceel en een vuurwapen tegen het hoofd van die V. heeft gedrukt zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die V. de hand waarmee hij, verdachte, het vuurwapen vasthield en op hem gericht hield naar beneden drukte ten gevolge waarvan dat wapen afging en die V. door een kogel in zijn voet werd getroffen.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1
De verklaring, die de verdachte ter terechtzitting van het hof van 9 januari 1995 heeft afgelegd houdt onder meer het volgende in — zakelijk weergegeven —:
Ik was op 17 augustus 1993 in café Het Trefpunt op het Lambertus Zijlplein te Amsterdam. Ik ontmoette daar Stephan V., die ik kende. Ik ben toen naar buiten gegaan en heb een pistool gehaald. Ik ben daarna met V. in het halletje gaan staan, terwijl ik het wapen in mijn hand had. Ik heb het pistool in zijn bijzijn doorgeladen. Ik hield het pistool op zijn lichaam gericht. Hij duwde mijn wapen naar beneden en toen ging het af.
2
De verklaring, die de getuige V. ter terechtzitting van het hof van 2 maart 1995 heeft afgelegd houdt onder meer het volgende in — zakelijk weergegeven —:
Ik was op 17 augustus 1993 in café Het Trefpunt op het Lambertus Zijlplein 9 te Amsterdam. Ik ontmoette daar Pim van der L. Hij ging het café uit en kwam na enige tijd terug. Hij nam weer plaats in de caféruimte en wenkte mij even later met hem mee te gaan naar het halletje van dat café. Toen wij vervolgens samen in het halletje stonden, zag ik dat Pim van der L. een pistool in zijn hand had. Ik zag en hoorde, dat hij dat pistool doorlaadde en het vervolgens tegen mijn voorhoofd hield. Vervolgens pakte ik zijn hand vast, waarin hij het pistool vasthield, en drukte die naar beneden. Een moment later hoorde ik een schot en merkte ik dat Van der L. mij in mijn voet had geschoten.
3
Een geneeskundige verklaring van het Sint Lucas Ziekenhuis te Amsterdam, gedateerd 21 september 1993.
Deze verklaring houdt in:
Stephan V., geboren op 21 oktober 1969 te Amsterdam is opgenomen in dit ziekenhuis met een enkelbreuk na passage kogel op 17 augustus 1993 voor fractuurbehandeling.
Het geschrift is ondertekend.
In een nadere bewijsoverweging heeft het Hof nog overwogen:
Verdachte heeft in een openbare gelegenheid een doorgeladen pistool tegen het voorhoofd van het slachtoffer gehouden. Hierop heeft het slachtoffer de hand van verdachte, waarin deze het doorgeladen pistool vasthad, naar beneden gedrukt, waarop een schot uit het pistool afging en het slachtoffer in de voet werd geschoten.
Verdachte heeft door op bovenomschreven wijze te handelen de geenszins als te verwaarlozen kans aanvaard dat het slachtoffer tengevolge van dat handelen zou komen te overlijden.
UITSPRAAK
Het Hof veroordeelt in hoger beroep de verdachte ter zake van ‘poging tot doodslag’ tot drie jaren gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd (de Hoge Raad verstaat: twee jaren).
CASSATIEMIDDELEN:
Middel I
Het recht is geschonden, met name de artikelen 287 jo. 45 Sr, doordat het Hof poging tot doodslag bewezen heeft verklaard zonder dat de bewijsmiddelen handelingen omvatten die naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op voltooiing van die doodslag.
Toelichting
1 Het middel betwist dat het bewezenverklaarde uitvoeringshandelingen betreft.
1.1
De veroordeling wegens poging tot doodslag is gebaseerd op drie bewijsmiddelen, (enz.)
1.2
Door verzoeker op grond van deze bewijsmiddelen te veroordelen wegens poging tot doodslag heeft het hof impliciet geoordeeld dat het richten van een doorgeladen pistool op het lichaam (in de lezing van V. het voorhoofd) van V. een uitvoeringshandeling is, d.w.z. een handeling die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm gericht is op voltooiing van doodslag op die V. Ten onrechte. Het richten van een doorgeladen wapen is immers een handeling die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ook heel goed gericht kan zijn op bedreiging van die V., zonder de bedoeling hem werkelijk geweld aan te doen. De verdachte zelf verklaart hierover ter zitting van het hof van 9 januari 1995 dat het doel van zijn handelingen was V. te dwingen diens wapen af te geven.
Ten gevolge van het ingrijpen van het slachtoffer die de hand van de verdachte met daarin het pistool naar beneden duwde, valt de objectieve betekenis van de bewezenverklaarde handeling naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet meer met zekerheid te interpreteren, terwijl delen van de verklaringen van V. en verzoeker die het hof niet voor het bewijs heeft gebruikt, eerder wijzen in de richting van bedreiging met het oog op het af kunnen pakken door verzoeker van het wapen van V.
De officier van justitie had dit probleem makkelijk uit de weg kunnen gaan door het voltooide delict zware mishandeling telaste te leggen, maar dat heeft hij niet gedaan.
1.3
Buiting (Tekst en Commentaar aantekening 2 op artikel 45 Sr) constateert terecht dat Uw Raad met de jurisprudentie van de ‘uiterlijke verschijningsvorm’ vooral een makkelijker te hanteren instrument voor beoordeling van pogingshandelingen in het leven heeft geroepen, maar dat de voordien heersende objectieve pogingsleer daarmee niet onbetwistbaar heeft afgedaan. Opvallend is dat één duidelijke rode draad is blijven lopen door alle belangrijke arresten met betrekking tot de materieel omschreven delicten poging tot doodslag/moord en brandstichting, namelijk dat van uitvoeringshandelingen slechts sprake is wanneer zonder ingrijpen van hetzij het slachtoffer, hetzij buitenstaanders, hetzij het toeval, het delict voltooid zou zijn, ook al is dit kenmerk als juridisch kriterium verlaten (bijv. HR 24 maart 1992, NJ 1992, 815: geen uitvoeringshandeling van brandstichting nu de met het oog op brandstichting opgeslagen benzine per ongeluk al elders tot ontploffing was geraakt; HR 14 december 1993, NJ 1994, 293: wel uitvoeringshandeling moord nu het slachtoffer klaarblijkelijk alleen door hulp van omstanders de voor ontploffing door middel van benzine gereedgemaakte auto tijdig heeft kunnen verlaten). Het heeft er alle schijn van dat de nieuwe leer van de ‘uiterlijke verschijningsvorm’ in ieder geval voor doodslag/moord en mogelijk ook voor brandstichting niet tot andere resultaten leidt dan de oude objectieve pogingsleer. Ook voor het onderhavige geval behoort dat in ieder geval zo te zijn: geen handelingen zijn bewezen verklaard die zonder ingrijpen van buitenaf tot het voltooide delict zouden hebben geleid en naar hun uiterlijke verschijningsvorm leveren de bewezenverklaarde handelingen geen uitvoeringshandelingen van doodslag op, reden waarom het bewezenverklaarde geen strafbare poging oplevert.
(…)
HOGE RAAD:
5 Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het eerste middel en ambtshalve
Door het bewezenverklaarde te kwalificeren als poging tot doodslag heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de door het Hof vastgestelde gedraging van de verdachte — te weten dat deze het slachtoffer heeft verzocht mee te lopen naar het halletje van het café en aldaar een vuurwapen heeft doorgeladen en tegen diens hoofd heeft gedrukt — kan worden aangemerkt als een begin van uitvoering, in de zin van art. 45, eerste lid, Sr, waardoor het voornemen van de verdachte werd geopenbaard om het slachtoffer van het leven te beroven. In aanmerking genomen echter dat, naar het Hof eveneens heeft vastgesteld, het vuurwapen is afgegaan ten gevolge van de omstandigheid dat het slachtoffer het naar beneden drukte, en derhalve niet door nader toedoen van de verdachte, terwijl de enkele evenbedoelde gedraging van de verdachte de mogelijkheid openlaat dat deze niet het voornemen had het slachtoffer van het leven te beroven — ’s Hofs nadere bewijsoverweging, hiervoren onder 4.3 weergegeven, doet daaraan niet af —, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. ’s Hofs arrest is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
6 Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft, en verwijzing moet volgen.
7 Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te ’s Gravenhage, ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Conclusie

A G mr. Meijers
1
Het eerste middel werpt de vraag op of het tegen het voorhoofd van een ander houden van een in het bijzijn van die ander doorgeladen pistool, waarbij het pistool ten gevolge van een reactie van die ander is afgegaan en de kogel die ander in zijn voet heeft getroffen, poging tot doodslag (zoals is bewezenverklaard) oplevert of het (voltooide, lichtere) delict van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285 Sr) kan opleveren. Mr. Prakken staat op het standpunt dat de handelwijze van verzoeker er, gelet op wat verzoeker bedoelde (de ander dwingen zijn wapen af te geven), niet een is die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op de voltooiing van doodslag op die ander is gericht. Het hof heeft in verzoekers geval hierover anders gedacht. Het oordeel van het hof komt mij juist voor. Wie, zoals verzoeker, een pistool in het bijzijn van een ander doorlaadt, zodat die ander weet dat het wapen op scherp staat, en vervolgens het wapen tegen het voorhoofd van die ander houdt, verricht een handeling die, wanneer het wapen afgaat, objectief en naar redelijk inzicht opgevat, als poging* [1] tot doodslag mag worden aangemerkt. Hier speelt (ik loop op de bespreking van het tweede middel vooruit) een grote rol dat de aard van de handeling zodanig is dat zij uitdrukking geeft aan verzoekers opzet in deze zin dat verzoeker de mogelijkheid, dat ten gevolge van een voor de hand liggende afweerreactie van de ander het pistool zou afgaan en de ander om het leven zou komen — een mogelijkheid die ‘niet over het hoofd kon worden gezien’* [2] —, bewust heeft aanvaard. De in de schriftuur aangevoerde, maar niet vastgestelde (en ook nauwelijks vast te stellen), bedoeling van verzoeker is in een geval als dit evenmin van doorslaggevende betekenis als de omstandigheid dat de handeling ‘ook heel goed gericht kan zijn op bedreiging van’ de ander (schriftuur p. 2, onder 1.2). Wat dit laatste betreft: vaak zal een poging tot het ene delict ook een voltooid ander delict opleveren. Het middel is ongegrond.
(…)
3
Een detail (buiten de middelen om): Het hof heeft verzuimd de proeftijd (art. 14b lid 1 Sr) vast te stellen. Omdat een proeftijd van twee jaar gebruikelijk is, zal de Hoge Raad op dit punt het arrest van het hof kunnen aanvullen (HR DD 88.388 en 89.098). Ik concludeer tot verwerping van het beroep.