HR 01-07-2004, NJ 2005, 252 Arrest Blackout
HR 01-07-2004, NJ 2005, 252 Arrest Blackout
NJ 2005 , 252
HOGE RAAD (Strafkamer)
1 juni 2004, nr. 01889/03
(Mrs. C.J.G. Bleichrodt, J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink, J. de Hullu; A-G Vellinga; m.nt. Kn)
m.nt. Kn
JOL 2004, 288
Regeling
WVW 1994 art. 6; Sr art. 307
Essentie
Niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die is begaan. Er kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met (een) wettelijke gedragsregel(s) in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld. In casu is de bewezenverklaring niet goed gemotiveerd.
Schuld in de zin van art. 6 WVW 1994.
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 13 mei 2003, nummer 21/003773–02, in de strafzaak tegen J.J., adv. mr. M.G. Jacobs te Enschede.
HOF:
De uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht’ veroordeeld tot een geldboete van duizend euro, subsidiair twintig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Cassatiemiddelen:
Middel 1
Het recht is geschonden door het bewezen verklaren van het ten laste gelegde delict van art. 6 Wegenverkeerswet.
Toelichting
Onder meer in het proces-verbaal van terechtzitting van de Politierechter in de rechtbank Arnhem d.d. 18 november 2002 vermeldt de verklaring van Jordaan dat zij voor een zeer korte periode het bewustzijn heeft verloren (‘black-out’), terwijl zij bij het terugvinden van het bewustzijn op een zodanig moment haar tegenligger ontwaarde dat er voor haar geen mogelijkheid meer bestond het ongeluk af te wenden (zelfs geen remspoor). Uit het requisitoir van de advocaat-generaal tijdens de terechtzitting van het Gerechtshof te Arnhem d.d. 29 april 2003 blijkt dat het voor het toen te bewijzen te verklaren delict t.a.v. het schuldelement werd aangenomen dat er sprake was van een afname van concentratie, vaker voorkomend ‘als het rustig is op de weg’. De advocaat-generaal merkt op dat er ‘in medische zin geen sprake is geweest van een black-out’. Dit laatste is uit hetgeen daarop volgt in het proces-verbaal na de zakelijke weergave van het requisitoir niet begrijpelijk waarom door Jordaan, als verdachte, wordt gezegd: ‘Ik moest naar links sturen vanwege de bocht in de weg. Dat was een correcte handeling maar toen volgde de black-out. Ik vind niet dat ik onachtzaam heb gereden’.
Tegen de achtergrond en geschiedenis van het verleden van Jordaan, als verkeersdeelneemster, bestuurster van een personenauto, was er geen aanleiding een bewustzijnsverlies, als in de onderhavige situatie, te voorzien. De advocaat-generaal merkt op dat dit soort situaties iedereen kan overkomen. Voor het aannemen van het niet in acht genomen hebben van ‘de vereiste achtzaamheid’ is er evenwel meer nodig dan het enkele feit van de aanrijding. Er moet tegemoetgekomen worden aan het schuldvereiste betrekking hebbende op de relatie tussen het gedrag en het verkeersongeval. Voor dat schuldvereiste releveert in zijn requisitoir de advocaat-generaal de rustigheid op de weg met de aanname van het daardoor zakken van de concentratie met wegvalling van oplettendheid. Verdachte zelf verklaart dat het op dat moment druk was. Zij reed in een rij met andere auto’s. Er was tegemoetkomend verkeer. Waarom bij ontspannen rijden in die omstandigheid het risico van onoplettendheid groter zou zijn, zoals de advocaat-generaal betoogt, ontgaat Jordaan.
Het is een feit dat het aantonen door haar van het zich voorgedaan hebben van het bewustzijnsverlies een onmogelijke zaak zal zijn. Evenzeer is natuurlijk niet aantoonbaar dat een dergelijk bewustzijnsverlies zich niet heeft voorgedaan, hoewel het zich wel hebben voorgedaan natuurlijk waarschijnlijker is als het omgekeerde gelet op de frontale aanrijding op de linker weghelft. Op zichzelf is het enkele feit van de aanrijding op de voor Jordaan linker weghelft niet voldoende voor het bewijs van het ten laste gelegde evenzeer als daar niet uit afgeleid kan worden dat sprake is geweest van concentratie en oplettendheidsverlies, t.w. de elementen die bepalend zijn voor het vereiste schuldelement om tot de bewezen verklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen. De advocaat-generaal meent uit de uiterlijke omstandigheden de innerlijke verwijtbaarheid te kunnen afleiden. Jordaan heeft steeds betwist dat er van die innerlijke verwijtbaarheid sprake was. Op deze wijze wordt het schuldelement in de wettelijke bepaling een dode letter (Kelk).
Middel 2
Het recht is geschonden wegens gebrek aan motivering van het door het Hof gewezen arrest.
Toelichting
Jordaan heeft zowel in eerste instantie als in hoger beroep steeds uitdrukkelijk een beroep gedaan op het ontbreken van alle schuld. Zij heeft dit beroep ook gemotiveerd. Het Hof heeft niet gemotiveerd waarom de door Jordaan terzake aangevoerde stellingen niet in aanmerking komen voor het niet slagen van haar desbetreffende verweer.
Conclusie
Het arrest van het Hof dient te worden vernietigd. Jordaan dient alsnog van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.
Hoge Raad:
3
Beoordeling van het eerste middel (lees: de middelen; red.)
3.1
Beide middelen beogen kennelijk te klagen over de motivering van de bewezenverklaarde schuld aan het verkeersongeval. Zij lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
zij op 12 juni 2001, te Winssen, in de gemeente Beuningen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Van Heemstraweg, aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam, in of nabij een in die weg gelegen, gezien haar, verdachtes rijrichting, naar links verlopen bocht, naar links heeft gestuurd en geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen en is gebotst, althans is aangereden tegen een op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (M.A.G.B.) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende, in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv opgenomen bewijsmiddelen:
—
het op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakte proces-verbaal van de politie Gelderland-Zuid, rayon Wijchen/Beuningen, genummerd PL0822/01–003811, opgemaakt door J.C. Visser en M.G.A.P. Thijsse Claase en gesloten op 12 augustus 2001:
a
de verklaring van M.C.I. van D., gedateerd 12 juni 2001, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Vandaag reed ik als bestuurder in mijn auto over de Van Heemstraweg te Winssen, gaande in de richting van Druten. Vlak voor mij reed een grijze personenauto. Ik reed ongeveer 80 km per uur, zo ook de auto voor mij. Plotseling zag ik een lichtgrijze auto, welke reed op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer, naar links sturen en op onze weghelft komen. Meteen hierop raakte deze auto frontaal de voor mij rijdende auto. Ik heb nog sterk moeten remmen om een aanrijding te voorkomen. Ook de auto voor mij heb ik nog even zien remmen maar de bestuurster kon de aanrijding nooit meer voorkomen. Het was voor mij onbegrijpelijk waarom de tegemoetkomende auto zo plotseling naar links stuurde. Er was volgens mij geen enkele aanleiding voor deze plotselinge richtingverandering.
b
de verklaring van M.A.G.B., gedateerd 8 juli 2001, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 12 juni 2001 reed ik als bestuurster van een personenauto Mazda, over de Van Heemstraweg te Winssen, op mijn eigen weghelft. Vlak voor me reed geen auto, dat weet ik nog. Op een gegeven moment kwam er een rijtje auto’s mij op de Van Heemstraweg tegemoet, deze reden op hun eigen weghelft. Op een gegeven moment kwam er plotseling een witte flits uit het rijtje tegemoetkomende auto’s. Ik heb toen nog geremd. Verder weet ik niets meer. Tengevolge van de aanrijding heb ik last van mijn neus (gebroken) en zijn er zenuwen in mijn aangezicht kapot gegaan. Tevens waren er speeksel-klieren kapot en heb ik 5 ribben gebroken en waren er kneuzingen. Verder heb ik een diepe horizontale snee in de knie en is de rechtervoet verbrijzeld en de enkel naar buiten gedraaid. Ik weet niet of het volledig herstelt. Voorlopig moet ik nog in een ziekenhuis/verpleeghuis blijven.
c
de verklaring van de verdachte, gedateerd 26 juni 2001, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 12 juni 2001 reed ik als bestuurster in mijn auto, een Ford Mondeo, grijs van kleur, over de rijbaan van de Van Heemstraweg in Winssen. Ik reed ter plaatse tussen de 75 a 80 km per uur. Ter plaatse in een volgens mij zeer flauwe bocht naar links, stuurde ik dan ook mee naar links de bocht in. Op dat moment heb ik kennelijk een soort ‘blackout’ gehad en heb ik kennelijk niet meer naar rechts gestuurd en ben derhalve op het weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen. Op dat moment zag ik een grijzig/bruine motorkap van een auto recht voor mij opdoemen. Meteen hierop volgde de aanrijding. Ik heb niet meer de tijd gehad om te remmen of iets dergelijks. Ik had geen reden om terecht te komen op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer.
d
als schriftelijk bescheid, een aanvraagformulier medische informatie betreffende M.A.G.B., opgemaakt door de geneeskundige Werre, gedateerd 17 oktober 2001.
3.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — als volgt:
Artikel 6 van de Wegenverkeerswet suggereert voorbedachte rade. Ik heb een blackout gehad van 3 seconden. Ik heb niet onachtzaam gereden. Ik ben niet in slaap gevallen, ik heb het ongeval zien gebeuren. Het slachtoffer heeft het ook zien aankomen. Ik heb niet geremd, er is ook geen remspoor. Het is juist dat ik bij de politie gezegd heb dat ik vermoeid was. Ik had die middag een wedstrijd gegolfd in Arnhem, dat duurde ongeveer 3 uur. Ik had niet gedronken en ik had geen medicijnen gebruikt. Na zo’n klap begrijp je er niets van maar ik heb het wel gezegd. Ik rijd iedere dag over die weg. Ik weet dat ik 3 seconden een blackout heb gehad omdat ik het achteraf heb nagemeten. Ik herinner mij nog dat ik de bocht ben ingestuurd. (…) Ik heb nooit eerder last gehad van absences. Dit is vreemd voor mij. Ik heb het er met mijn chirurg over gehad. Het is een onbekend fenomeen. (…)
Verdachte voert het woord ter verdediging, zakelijk weergegeven:
Ik moest naar links sturen vanwege de bocht in de weg. Dat was een correcte handeling maar toen volgde de blackout. Ik vind niet dat ik onachtzaam heb gereden.
3.5
In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994, in het onderhavige geval de bewezenverklaarde aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van evenbedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
3.6
Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte als bestuurster van een personenauto, rijdend met een snelheid van ongeveer 80 km per uur op een tweebaansweg, na een flauwe bocht naar links niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden maar plotseling zonder enige aanleiding, zo ver naar links is gekomen dat zij daardoor op de verkeerde weghelft is terechtgekomen en daar frontaal in botsing is gekomen met een op die andere weghelft rijdende tegenligger. Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is. Dat kan in concreto evenwel anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden — bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde — waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.
3.7
Onbegrijpelijk is hoe het Hof, zonder nadere motivering welke in de bestreden uitspraak ontbreekt, de hiervoor onder 3.3 onder c genoemde verklaring van de verdachte inhoudende dat zij kennelijk een soort ‘black-out’ heeft gehad, redengevend heeft geacht voor de hiervoor onder 3.2 vermelde bewezenverklaring voorzover inhoudende dat de verdachte aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld. Die verklaring strekt immers onmiskenbaar ten betoge dat het de verdachte tengevolge van die plotseling opgekomen en voor haar onvoorzienbare black-out niet te verwijten is dat zij haar voertuig korte tijd niet onder controle had en gedurende die tijdsspanne op de andere weghelft is terechtgekomen. Nu het Hof daaromtrent niets heeft overwogen en de bewijsmiddelen ook niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat die door de verdachte gestelde en door het Hof aangenomen black-out wel voor rekening van de verdachte komt en haar kan worden verweten, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.8
De middelen zijn derhalve terecht voorgesteld.
4
Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5
Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Conclusie
A G mr. Vellinga
3
Het eerste middel bevat de klacht dat het tenlastegelegde ten onrechte is bewezenverklaard.
4
In de toelichting op het middel wordt op de eerste plaats geklaagd over het requisitoir van de Advocaat-Generaal. Zo wordt gesteld dat de opmerking van de Advocaat-Generaal bij het Hof dat ‘verdachte zegt dat er in medische zin geen sprake is geweest van een black-out’ onbegrijpelijk is gezien het feit dat verdachte na het requisitoir juist stelt dat na het naar links sturen, de black-out volgde. Daarnaast wordt gesteld dat het de verdachte ontgaat waarom bij ontspannen rijden het risico van onoplettendheid groter zou zijn, zoals door de Advocaat-Generaal betoogd. Ten slotte wordt aangevoerd dat de Advocaat-Generaal ten onrechte meent uit de uiterlijke omstandigheden de innerlijke verwijtbaarheid, welke de verdachte steeds heeft betwist, te kunnen afleiden.
5, Ingevolge art. 78 RO kan beroep in cassatie alleen worden ingesteld tegen handelingen en beslissingen van rechters en niet tegen handelingen of beslissingen van het Openbaar Ministerie. In het middel wordt dit miskend.
6
Voorts bevat het middel de klacht dat het enkele feit van de aanrijding op de voor verdachte linker weghelft ‘niet voldoende is voor het bewijs van het ten laste gelegde evenzeer als daar niet uit afgeleid kan worden dat sprake is van concentratie en oplettendheidsverlies, t.w. de elementen die bepalend zijn voor het vereiste schuldelement om tot de bewezen verklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen.’
7
Culpose verkeersdelicten zijn geen rustig bezit. Bij invoering van de Wegenverkeerswet 1994 is de tekst van het oude art. 36 WVW ingrijpend gewijzigd. Niettemin beoogde de wetgever met de tekstuele wijziging van het culpose verkeersmisdrijf — in de kern van de zaak gevormd door culpa en causaliteit — geen inhoudelijke verandering.* [1] Na invoering van genoemde wet zijn de op overtreding van art. 6 WVW 1994 gestelde vrijheidsstraffen bij Wet van 24 juni 1998,Stb. 375* [2] royaal verdubbeld.* [3] Reeds thans is opnieuw een wetsvoorstel aanhangig waarin wordt voorgesteld de op art. 6 WVW gestelde straffen wederom aanmerkelijk te verhogen. Bovendien wordt nu voorgesteld de op roekeloos gedrag gestelde strafmaxima nog eens extra te verhogen ten opzichte van het aan aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag te verbinden strafmaximum.* [4]
8
Recent heeft vooral de afgrenzing tussen het voor doodslag vereiste (voorwaardelijk) opzet en de in art. 6 WVW 1994 verwoorde culpa de aandacht getrokken. Ik wijs op de discussie* [5] die de als ‘Porsche-arrest’ bekende uitspraak van de Hoge Raad* [6] heeft losgemaakt. Deze uitspraak en enkele overeenkomstige uitspraken van rechters in feitelijke aanleg hebben een belangrijke rol gespeeld bij de verhoging van de strafmaxima bij de hiervoor genoemde Wet van 24 juni 1998, Stb. 375.* [7]
9
Ook de onderkant van de culpa — het al dan niet aanwezig zijn van ‘grove schuld’* [8] — verdient de aandacht. Een recent overzicht van straftoemeting in het verkeer* [9] doet vermoeden dat er regionale verschillen zijn in de selectie van zaken die voor de rechter worden gebracht. Otte maakt gewag van een juridisch en gedragswetenschappelijk onderzoek waarbij werd gevonden dat in bijna de helft van de 120 onderzochte veroordelingen ter zake van art. 6 WVW 1994 een enkele verkeersovertreding voldoende was voor een veroordeling. Hij zag dit onderzoeksresultaat bevestigd in de onder door hem gesproken officieren van justitie overwegend levende opvatting dat een enkele verkeersovertreding voldoende is om te komen tot bewijs van de voor art. 6 WVW 1994 vereiste culpa en meldt dat zij deze opvatting zagen bevestigd in door rechters uitgesproken ‘gave’ veroordelingen.* [10] Lensing* [11] daarentegen heeft uit zijn praktijk bij de berechting in eerste aanleg niet de indruk gekregen dat de enkele verkeersovertreding voor schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 volstaat. De Jong* [12] leest de rechtspraak van de Hoge Raad zo dat er sprake is van een culpoos misdrijf wanneer een verkeersovertreding heeft geresulteerd in een voor een ander fataal ongeval. Hij meent dat deze rechtspraak is ingezet met het zogenaamde Verpleegster-arrest (HR 19 februari 1963, NJ 1963, 512). Van die door hem aldus verstane rechtspraak toont hij zich overigens een overtuigd tegenstander.* [13] Ook andere auteurs hebben gewaarschuwd voor deze uitholling van de schuld.* [14] De Hullu meldt dat bij sommige feitenrechters als beleidslijn wordt gehanteerd dat voor verkeersschuld zeker twee overtredingen van verkeersvoorschriften moeten zijn vastgesteld.* [15]
10
Per 1 april 2004 treedt in werking de Aanwijzing artikel 6 wegenverkeerswet 1994.* [16] In deze Aanwijzing* [17] wordt als lichtste, onder art. 6 WVW 1994 te begrijpen vorm van schuld genoemd ‘aanmerkelijke verkeersfouten’. Daarbij wordt gedacht ‘aan situaties waarin een fout gemaakt wordt die op grond van de maatschappelijke verantwoordelijkheid — in de literatuur ‘Garantenstellung’ genoemd — van de verkeersdeelnemer niet gemaakt had mogen worden. In deze gevallen is vaak sprake van het door de verkeersdeelnemer niet waarnemen van de andere weggebruiker of het niet hebben ingeschat van het eventuele risico dat zal ontstaan door een bepaalde handeling.’ Vervolgens wordt gesteld dat het geen voorrang verlenen aan een op een voorrangsweg rijdende, voor de voorrangsplichtige bestuurder waarneembare motorrijder, een voorbeeld van deze lichtste schuldvorm, een weliswaar op zichzelf voorstelbare fout is, maar dat deze niettemin tot vervolging dient te leiden omdat daarmee het veiligheidsbelang van de naleving van verkeersregels wordt onderstreept. Daarbij wordt er op gewezen dat juist vanwege de ernst van de gevolgen het achterwege laten van vervolging een klacht ex art. 12 Sv kan meebrengen alsmede dat ‘bedoelde fouten die iedereen kan maken’ met inachtneming van alle betrokken belangen dienen te worden beoordeeld.
11
De vraag is welke positie deze Aanwijzing kiest in de hiervoor weergegeven discussie. Mijn indruk is dat de Aanwijzing in belangrijke mate neigt naar de gedachte dat de enkele verkeersfout de vereiste mate van schuld oplevert. In het voorbeeld van de motorrijder, een weggebruiker die door zijn beperkte waarneembaarheid nog wel eens over het hoofd wordt gezien, is kennelijk de enkele voorrangsfout voldoende. Daar staat echter tegenover dat volgens de Aanwijzing ook belangen van normhandhaving een rol spelen bij de vervolgingsbeslissing en deze afhankelijk van niet nader aangeduide omstandigheden — moet hier worden gedacht aan de gevolgen van het ongeval voor de verdachte of de omstandigheden waarin de fout is gemaakt ? — kennelijk ook negatief kan uitvallen. Voorts houdt de Aanwijzing (par. 7.4.3) de mogelijkheid open dat vanwege bewijsproblemen wordt afgezien van vervolging ter zake van art. 6 WVW 1994 maar vervolging voor art. 5 WVW 1994 wel mogelijk is. Dat zou er op wijzen dat volgens de Aanwijzing niet iedere verkeersfout die gevaar voor verkeer op de weg heeft teweeggebracht schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 oplevert. Kortom, een helder uitgangspunt kiest de Aanwijzing in mijn ogen niet. Dit roept de vraag op of de Aanwijzing er in zal slagen de hiervoor genoemde regionale verschillen in vervolging en bestraffing substantieel terug te dringen.
12
Voor de opvatting dat de enkele verkeersovertreding voldoende is voor culpa in de zin van art. 6 WVW 1994 heb ik in de rechtspraak van de Hoge Raad geen steun kunnen vinden. Voor die opvatting kan uiteraard geen steun worden gevonden in rond 1970 gewezen arresten, waarin de Hoge Raad van oordeel was dat het bewijs van de culpa van (toen nog) art. 36 WVW niet voldoende was, hoewel in al die uitspraken onmiskenbaar was dat een verkeersovertreding was gepleegd: tegen goed rechts lopende voetganger aanrijden (HR 23 november 1965, NJ 1966, 293 ‘Waalwijkse autorijder’), plotseling rechts van de weg af raken (HR 9 mei 1967, NJ1968, 349), rechts van de weg afraken en vervolgens naar links over de weg schieten (HR 25 juni 1968, VR 1968, 77), rijden over linker rijbaan terwijl een op die weg tegemoetkomend motorrijtuig zo dicht was genaderd dat botsing volgde (HR 22 april 1969, VR 1969, 120 ‘Sittardse inhaalmanoeuvre’), in een slip op de linker weghelft raken (HR 13 oktober 1970, NJ 1971, 31 ‘Haarlemse rechter’* [18] ), tegen een rechts van de weg staande vrachtauto botsen (HR 9 november 1971, NJ 1972, 235 ‘Yde’). Met uitzondering van het eerste geval verwees de Hoge Raad in het kader van de toetsing of het bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid steeds naar de bewezenverklaarde — forse — mate van schuld: ‘hoogst roekeloos, onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam’ (HR 9 mei 1967, NJ 1968, 349), ‘hoogst onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam’ (HR 25 juni 1968, VR 1968, 77), ‘hoogst roekeloos, onvoorzichtig en onoplettend’ (HR 22 april 1969, VR 1969, 120 ‘Sittardse inhaalmanoeuvre’), ‘in ernstige mate onvoorzichtig heeft gereden’ (HR 13 oktober 1970, NJ 1971, 31 ‘Haarlemse rechter’), of ‘hoogst onvoorzichtig’ (HR 9 november 1971, NJ 1972, 235 ‘Yde’). In het geval van de Sittardse inhaalmanoeuvre werd er voorts op gewezen dat onopgehelderd bleef of anders handelen voor verdachte mogelijk was geweest.
13
Ook recentere rechtspraak laat echter gevallen zien waarin de Hoge Raad het bewijs van de culpa niet toereikend acht hoewel onmiskenbaar vaststaat dat een verkeersovertreding is gepleegd: In HR 18 oktober 1988, VR1990, 37 reed verdachte met een overbeladen vrachtauto met een ondeugdelijke bedrijfsrem en liet hij de weg niet vrij voor een voor hem van rechts komende bestuurder. In die omstandigheden tezamen lag volgens de tenlastelegging verdachtes onvoorzichtigheid. Ter zitting beriep verdachte zich er op dat hij niet kon weten dat de remmen van de vrachtauto niet deugden omdat hij niet eerder op de bewuste vrachtwagen had gereden en niet kon inschatten of de vrachtwagen overbeladen was. De toenmalige Procureur-Generaal Remmelink was van oordeel dat het Hof dit verweer onbesproken had kunnen laten omdat het Hof blijkens verdachtes onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring dat hij er op had gerekend dat de bestuurder die voor hem van rechts kwam voor hem de doorgang zou vrijlaten, verdachtes onvoorzichtigheid met name had gezien in het ‘voorrang nemen’ en de overbelading en de staat van de remmen dus kennelijk als van ondergeschikt belang had beschouwd. De Hoge Raad oordeelde echter dat het Hof dit verweer niet onbesproken had mogen laten. Daaruit valt op te maken dat het bewijs van de schuld niet geleverd geacht zou kunnen worden als het verweer zou opgaan. Dit is des te opmerkelijker omdat uit het arrest niet valt op te maken welke rol overbelading en gebrekkige remmen bij de totstandkoming van het ongeval hebben gespeeld. HR 16 november 1999, VR 2000, 35 betrof een geval waarbij verdachte op een voetgangersoversteekplaats binnen de bebouwde kom, rijdend op de linker rijstrook van twee rijstroken voor verkeer in dezelfde richting met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u, te weten tenminste 60 km/u, een voetganger had geschept. Hij beriep zich erop dat de voetganger op een holletje de voetgangersoversteekplaats was opgelopen en dat het zicht op de voetgangersoversteekplaats voor hem werd belemmerd door een voor hem rijdende vrachtwagen en een rechts voor hem rijdende personenauto. Het Hof had dit verweer niet onbesproken mogen laten omdat het had dienen na te gaan of ondanks de gestelde feiten, zoal juist, diende te worden gesproken van de bewezenverklaarde aanmerkelijke verwaarlozing van de geboden voorzichtigheid.
14
Voorts laat de recente rechtspraak gevallen zien waarin het bewijs van de culpa in cassatie toereikend werd geacht, doch waarin uit de bewijsmiddelen niet alleen blijkt van een — fatale — verkeersovertreding, maar ook van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat verdachte de overtreding in de hand heeft gewerkt dan wel de overtreding heeft begaan op een wijze of onder omstandigheden die een extra verwijt meebrengen. Ik noem HR 14 april 1998, VR 1998, 152 (onder invloed van alcohol rechts van de weg lopende voetganger aanrijden), HR 22 mei 2001, LJN ZD2734 (inhalen doch, hoewel plaatselijk bekend, niet merken dat weg met vier rijstroken overgaat in weg met voor verkeer in iedere richting één rijstrook), HR 3 juli 2001, NJ 2001, 531, VR 2002, 11 (inhalen met overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid en vervolgens in een bocht de macht over het stuur verliezen), HR 30 oktober 2001, LJN AD4606 (rijdend onder invloed op verkeerde weghelft raken), HR 24 september 2002, LJN AE4223 (rijdend onder invloed na inhaalmanoeuvre op linker weghelft blijven rijden), HR 17 september 2002, NJ 2002, 549, VR 2002, 212 (met hoge snelheid achteruitrijdend op fietser botsen* [19] ), HR 20 mei 2003, LJN AF 6257 (sneller rijden dan ter plaatse was toegestaan op nat wegdek en vervolgens in bocht naar rechts van de weg raken), HR 21 oktober 2003, LJN AL3407 (bij linksafslaan op tegemoetkomende bromfietser botsen terwijl op wegdek oversteekplaats voor (brom)fietsers was gemarkeerd, het zicht op tegemoetkomend verkeer werd belemmerd door een container c.a. en verdachte de weg waar hij linksafslaand inreed niet mocht inrijden) en HR24 februari 2004, LJN AO1874 (zonder stoppen stapvoets een voorrangskruising oprijden terwijl verdachte op de voorrangsweg een motorrijder zag aankomen).* [20] Bijzondere aandacht verdient in het onderhavige verband HR 27 februari 2001, VR 2002, 156. In deze zaak was verdachte wegens dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld veroordeeld, omdat hij rijdend van de linker naar de rechter rijstrook om een voor hem rijdend naar de linker rijstrook gaand voertuig rechts in te halen achterop een op een rechts van de weg met pech stilstaande personenauto was gebotst, en dat alles met een snelheid, die aanzienlijk hoger was dan ter plaatse geoorloofd. In een nadere bewijsoverweging woog het Hof mee dat het wegdek vochtig was, dat verdachte ter plaatse goed bekend was en dat de weg als zeer gevaarlijk bekend stond. Deze feiten kwamen echter niet voor in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. Volgens mijn ambtgenoot Wortel was dat geen probleem omdat ook zonder die, in de nadere bewijsoverweging genoemde, feiten voldoende bewijs voor het bewezenverklaarde zeer onvoorzichtige rijden aanwezig was. Verdachte had zijn snelheid immers onmiskenbaar niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tijdig, dat wil zeggen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien, tot stilstand kon brengen. De Hoge Raad koos deze weg, passend bij de gedachte dat met de enkele verkeersovertreding de culpa gegeven is, niet, zelfs niet hoewel uit de bewijsmiddelen bleek van de verzwarende omstandigheid van een grove snelheidsovertreding. Daarentegen stelde de Hoge Raad minder hoge eisen dan gebruikelijk aan de in de nadere bewijsoverweging opgenomen feiten: voortaan behoefden die feiten niet te blijken uit de inhoud van de in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen maar was voldoende dat in die nadere bewijsoverweging was aangegeven aan welke van het dossier deel uitmakende wettige bewijsmiddelen die feiten waren ontleend.
15
Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat de rechtspraak van de Hoge Raad geen basis biedt voor de juistheid van de stelling dat de enkele verkeersovertreding voldoende is voor het bewijs van de voor een culpoos delict vereiste aanmerkelijke mate van schuld. Niettemin zijn er drie uitspraken aan te wijzen die bespreking verlangen omdat deze op het eerste gezicht voor die opvatting mogelijk enig houvast zouden kunnen bieden.
HR 8 december 1981, VR 1982, 24 betrof zeer onvoorzichtig en onoplettend rijden, hierin bestaande dat verdachte een bij een voetgangersoversteekplaats staand rood verkeerslicht negeerde waardoor een aanrijding ontstond met een voetgangster die voor verdachte, die reed op de linker rijstrook van de rechter weghelft, van links naar rechts op die voetgangersoversteekplaats overstak. Het middel klaagde dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door, zoals was tenlastegelegd, niet ook bewezen te verklaren dat verdachte reed met een snelheid van 45 km/u en dat hij met onverminderde snelheid was doorgereden. Het middel faalde omdat het Hof genoemde omstandigheden niet als onmisbare bestanddelen van de tenlastelegging had behoeven te beschouwen. Over het bewijs van de culpa liet de Hoge Raad zich niet uit. In aanmerking genomen dat over het bewijs niet werd geklaagd en de feitelijke situatie heel wel zo geweest kan zijn dat verdachte niet alleen door het rode verkeerslicht, maar ook door de aanwezigheid van de voetgangersoversteekplaats en de voetganger er attent op had moeten zijn dat hij zijn snelheid moest verminderen om een aanrijding met de voetganger te voorkomen, zie ik in deze uitspraak niet een aanwijzing dat ook de enkele overtreding voor culpa voldoende is. Bovendien, er was sprake van twee overtredingen: negeren van een rood verkeerslicht en negeren van de plicht een op een voetgangersoversteekplaats overstekende voetganger voor te laten gaan (art. 100 lid 1 RVV oud, welke bepaling bovendien nog de verplichting voor bestuurders inhield een voetgangersoversteekplaats voorzichtig te naderen).
In HR 13 januari 1987, VR 1988, 2 bestond verdachtes onvoorzichtigheid en onoplettendheid hierin dat verdachte met de door hem bestuurde personenauto op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weghelft was gekomen. Volgens verdachte reed hij achter een auto die remde en remde hij ook bij. De bewijsmiddelen hielden voorts in dat verdachte met zijn auto rechts van de weg afraakte en vervolgens op de linker weghelft op een tegenligger botste en dat er geen defect was opgetreden aan de spoorstangkogel van verdachtes voertuig. De middelen klaagden niet over ontoereikendheid van het bewijs. De Hoge Raad zag geen reden tot ambtshalve ingrijpen. Gezien de terughoudendheid waarmee de Hoge Raad ook toen al de bevoegdheid tot ambtshalve vernietigen hanteerde in gevallen waarin de vraag speelde of het bewijs toereikend was* [21] , meen ik dat ook uit deze zaak niet valt af te leiden dat de enkele overtreding voor culpa voldoende is.
Aan HR 26 februari 2002, LJN AD8889 lag als culpose gedraging ten grondslag dat verdachte met het linker voorwiel van zijn voertuig tot 40 cm op de linker weghelft was geraakt terwijl een tegenligger verdachte zo dicht was genaderd dat een botsing niet kon uitblijven. Noch medisch noch technisch onderzoek bracht enige oorzaak voor verdachtes wijze van rijden aan het licht. Mijn ambtgenoot Wortel wijst er in zijn conclusie op dat het berijden van de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook ten gevolge waarvan een ongeval ontstaat van zo ernstige aard is dat aanmerkelijke onvoorzichtigheid kan worden vastgesteld. De Hoge Raad doet de zaak af op de voet van art. 81 RO. Daardoor geeft ook deze zaak geen heldere vingerwijzing in de richting van de opvatting dat een enkele verkeersovertreding voor de culpa van art. 6 WVW 1994 voldoende is. Bovendien is van belang — zoals overigens ook in de hiervoor genoemde zaken — dat de Hoge Raad slechts marginaal toetst of de bewezenverklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Uit het voorgaande volgt dat laatstgenoemde drie uitspraken mij geen reden geven terug te komen op de hiervoor door mij getrokken conclusie dat in de rechtspraak van de Hoge Raad niet ligt opgesloten dat de enkele verkeersovertreding voor bewijs van de schuld als bedoeld in art. 6 WVW 1994 voldoende is. Daarbij merk ik nog op dat een andere opvatting mij ook moeilijk verenigbaar lijkt met het strakke beleid ten aanzien van het bewijs van het opzet, evenals culpa een subjectief bestanddeel, dat is ingezet met het hiervoor reeds genoemde Porsche-arrest* [22] en dat onlangs nog tot uitdrukking is gekomen in de zogenaamde HIV-arresten.* [23]
16
Ook aan de wetgeving kan een argument worden ontleend dat bedoelde schuld niet gelijk kan worden gesteld met de enkele verkeersovertreding. Volgens de Memorie van toelichting op het voorstel tot ‘Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima’ wordt gesteld dat voor culpose delicten aanpassingen worden voorgesteld in de strafmaxima om
een passende strafrechtelijke reactie mogelijk te maken in gevallen waarin aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag zwaar lichamelijk letsel bij een ander of de dood van een ander tot gevolg heeft. Kern van de voorstellen is dat in het Wetboek van Strafrecht bij fataal gevolg een strafmaximum van twee jaren gevangenisstraf zal gelden en bij zwaar lichamelijk letsel een strafmaximum van een jaar gevangenisstraf. Indien zo onvoorzichtig is gehandeld dat sprake is van roekeloosheid, worden de strafmaxima van twee jaren en een jaar verdubbeld tot respectievelijk vier jaren en twee jaren gevangenisstraf. Op dit moment gelden maximale vrijheidsstraffen van negen maanden respectievelijk zes maanden indien het onvoorzichtig gedrag een fataal gevolg dan wel zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft. De huidige strafmaxima zijn zowel op schuld die bestaat in roekeloosheid als op schuld die niet bestaat in roekeloosheid van toepassing.
De in het voorgestelde systeem als uitgangspunt gekozen strafmaxima voor culpose delicten in het Wetboek van Strafrecht worden in het verkeer met de helft verhoogd tot respectievelijk drie jaar bij fataal gevolg en een jaar en zes maanden bij lichamelijk letsel. Bij roekeloosheid worden maximumstraffen van zes respectievelijk drie jaren gevangenisstraf voorgesteld; ook in het verkeersstrafrecht brengt roekeloosheid dus een verdubbeling van de strafmaxima mee. Rijden onder invloed en het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid brengen in het verkeer nog een verdere verhoging met vijftig procent mee, zodat onder die omstandigheden bij roekeloosheid met fataal gevolg een gevangenisstraf van negen jaren kan worden opgelegd en bij roekeloosheid met lichamelijk letsel als gevolg vier jaren en zes maanden gevangenisstraf.* [24]
(…)
Afgezien van deze overwegingen past een strafmaatverhoging ook goed bij de ontwikkeling van de strafmaxima bij overtredingen. Hoewel bij overtredingen in beginsel geen opzet of zelfs maar culpa wordt geëist, is een strafmaximum van zes maanden hechtenis bepaald geen uitzondering meer. In verhouding daarmee is zes maanden hechtenis voor een culpoos misdrijf dat zwaar lichamelijk letsel meebrengt aan de lage kant.* [25]
17
Met de verhoging van de strafmaxima voor culpose delicten wordt beoogd de afstand tussen de strafmaxima op overtredingen — voor verkeersovertredingen twee maanden hechtenis — en de strafmaxima op culpose misdrijven te vergroten. In de literatuur zijn diverse voorstellen gedaan om te voorzien in delicten met een hoger strafmaximum in geval van het plegen van verkeersovertredingen dan wel opzettelijk in gevaar brengen van de veiligheid op de weg met dood of zwaar lichamelijk letsel als gevolg.* [26] De wetgever kiest echter een andere weg. Hij houdt vast aan dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld, tot uiting komend in aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag. In die gevallen — en dus kennelijk niet in geval van overtredingen met dood of letsel als gevolg — ziet hij reden te komen tot een aanzienlijke verhoging van de maximumstraf. Tegen deze achtergrond valt moeilijk te verdedigen dat via de achterdeur van het culpose delict de door het gevolg gekwalificeerde overtreding in wezen toch wordt binnengehaald. Daarom pleit de opvatting van de wetgever tegen een gelijkstelling van culpa met de enkele verkeersovertreding.* [27]
18
Bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht heeft de wetgever zich niet gewaagd aan een omschrijving van de in culpose misdrijven als bestanddeel opgenomen schuld. Van schuld wordt gemeld dat het de zuivere tegenstelling is van opzet aan de ene zijde, toeval aan de andere zijde. ‘Gebrek aan het noodige nadenken, aan de noodige kennis of aan het noodige beleid, ziedaar het wezen van alle schuld.’ Niet iedere schuld is voldoende. Het zou moeten gaan om grove schuld.* [28]
19
Om de culpa op soortgelijke wijze in te vullen als het opzet is in de literatuur de kern van de schuld wel gezocht in het ontbreken van een bepaald besef waarover de dader wel had kunnen beschikken, een vorm van vermijdbare dwaling dus* [29] , die ten aanzien van het gevolg van gedrag ook wel wordt omschreven in termen van voorzienbaarheid.* [30] Daarmee is de beschrijving van de culpa niet compleet. Want de wet richt zich tot die gevallen van niet weten of niet voorzien waarin weten of voorzien plicht is.* [31] Culpa omvat — in termen toegesneden op culpose gevolgsdelicten — alleen de gevallen waarin de dader niet alleen over beter inzicht in aard en gevolgen van zijn handelen of nalaten kon beschikken maar daarover ook behoorde te beschikken. Voor delicten waarbij de schuld is gerelateerd aan enig gevolg komt daar nog een derde element bij. Het ongeoorloofde gebrek aan inzicht is rechtens alleen relevant wanneer dit tot uiting komt in gedrag dat niet beantwoordt aan maatstaven van uiterlijke zorgvuldigheid.* [32] Pas wanneer gedrag niet voldoet aan die maatstaven kan van het gevolg van iemands handelen worden gezegd dat het aan diens schuld te wijten is.
20
Ook in ander opzicht speelt gedragen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid een rol. Negeert een bestuurder het rode verkeerslicht of verleent hij geen voorrang, dan levert dit — vooropgesteld dat hij dit niet opzettelijk doet — een sterke aanwijzing* [33] op dat hij vermijdbaar heeft gedwaald ten aanzien van een omstandigheid waarmee hij juist niet onbekend had mogen zijn. Op deze wijze kan de innerlijke onoplettendheid of onachtzaamheid van de dader worden afgeleid uit zijn uiterlijk gedrag.* [34] Niettemin zijn er legio factoren denkbaar die aan een behoorlijke waarneming van die omstandigheid in de weg kunnen staan. Het rode verkeerslicht kan voor de bestuurder — die ter plaatse niet bekend is — schuil zijn gegaan achter een geparkeerde vrachtauto, het kan zijn dat de bestuurder door enig plotseling opgekomen lichamelijk gebrek niet tot behoorlijk waarnemen in staat was. Zo heeft zich in de rechtspraak het geval voorgedaan van de basketballspeler, die tijdens een wedstrijd een klap tegen zijn slaap had gekregen en daardoor ten tijde van een door hem veroorzaakt ongeval voor hemzelf onmerkbaar ‘afwezig’ was geweest (en wel zodanig dat hij een volstrekt onverklaarbare route had gevolgd). De Rechtbank was van oordeel dat hij daardoor ten tijde van het ongeval verkeerde in verontschuldigbare onmacht en achtte daarom de tenlastegelegde culpa niet bewezen.* [35]
21
Is culpa in de hiervoor beschreven zin vastgesteld, dan komt de vraag aan de orde of deze wel van zodanige ernst is dat deze de vereiste aanmerkelijke mate* [36] van schuld — een min of meer grove of aanmerkelijke onachtzaamheid* [37] — oplevert. De beantwoording van deze vraag wordt bij gebreke van enige te hanteren maatstaf in de praktijk als buitengewoon lastig ervaren en laat ook heel verschillende uitkomsten zien.* [38]
22
De verleiding is groot om de mate van schuld te relateren aan het gevolg van de vastgestelde onoplettendheid of onvoorzichtigheid, zo in de trant van: als de gevolgen van het foute gedrag zo groot zijn dan moet wel van grove schuld sprake zijn. Daardoor wordt echter miskend dat de ervaring leert dat ook een enkel moment van onoplettendheid of een kleine onzorgvuldigheid kan leiden tot ruïneuze gevolgen. Bovendien maakt een dergelijke redenering een culpoos delict ten onrechte tot een door het gevolg gekwalificeerd delict.* [39]
23
Een ander element dat een rol speelt bij de begroting van de mate van schuld, is de omstandigheid dat onoplettendheid of onvoorzichtigheid zelden tot ernstige gevolgen pleegt te leiden.* [40] Onoplettendheid en onzorgvuldigheid zijn in het verkeer aan de orde van de dag maar leiden zelden tot een dodelijk ongeval. Volgens het Jaaroverzicht 2002 van het BureauVerkeershandhaving OM zijn te snel rijden en rijden door rood licht naast het negeren van de wettelijke alcohollimiet en de gordel en helmdraagplicht de belangrijkste oorzaken van ongevallen in het verkeer. Daarom wordt de handhaving van verkeersregels met name gericht op het tegengaan van genoemde misdragingen. Onder de miljoenen op grond van de Lex Mulder* [41] opgelegde verkeersboetes die het CJIB jaarlijks verwerkt en die per definitie (zie art. 2 lid 2 WAHV) niet tot schade of erger hebben geleid zijn bijvoorbeeld (2002) bijna 340.000 gevallen van rijden door rood licht, en bijna zeven miljoen snelheidsovertredingen, waarvan ca. 18% (ruim 1,2 miljoen) 11 − 15 km/u te snel, ruim 9% (ruim 0,6 miljoen) 16–20 km/u te snel, en ruim 7,5 % (ruim 500.000) 21–40 km/u te snel. Voorts behandelde het CJIB in 2002 130.000 politietransacties ten aanzien van grove snelheidsovertredingen (> 40 km/u) die kennelijk ook niet tot ernstige gevolgen hebben geleid. Worden deze aantallen afgezet tegen het aantal personen dat thans jaarlijks gemiddeld bij een verkeersongeval om het leven komt, ca. 1000,* [42] en wordt voorts bedacht dat het hier gaat om aantallen geconstateerde overtredingen en niet om aantallen gepleegde overtredingen* [43] , dan ligt de conclusie voor de hand dat er belangrijke aanwijzingen zijn dat het hoofdzakelijk een kwestie van — noodlottig — toeval is wanneer enige onoplettendheid of onvoorzichtigheid leidt tot dood of zwaar lichamelijk letsel.
24
Er zijn nog meer elementen die een weggebruiker, die onoplettend of onvoorzichtig is, niet in de hand heeft. De inrichting van de weg zoals middenbermbeveiliging, de constructie van voertuigen zoals kooiconstructies en kreukelzones, en door medeweggebruikers genomen beschermende maatregelen als autogordel en valhelm* [44] zijn in belangrijke mate bepalend voor de afloop van een ongeval en daarmee voor de vraag of een onoplettendheid of onvoorzichtigheid leidt tot dood of zwaar lichamelijk letsel. Verkeerslichten of rotondes kunnen ernstige voorrangsongevallen voorkomen* [45] , dode hoek-spiegels kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het terugdringen van ernstige ongevallen door afslaand vrachtverkeer.* [46]
25
Bij de bepaling van de mate van schuld in geval van onoplettendheid of onvoorzichtigheid kan niet worden voorbijgegaan aan de eisen die van overheidswege aan verkeersdeelnemers worden gesteld. Wie op zijn achttiende jaar zijn rijbewijs heeft behaald wordt nimmer meer aan enige proeve van bekwaamheid onderworpen. Jongeren worden tot deelname aan het gemotoriseerd verkeer toegelaten ook al zijn zij onevenredig vaak bij ongevallen betrokken.* [47] Voor ouderen geldt hetzelfde.* [48] Hoewel bekend is dat met name complexe verkeerssituaties oudere verkeersdeelnemers tot het maken van fouten brengen, worden ook zij niet aan enige rijvaardigheidsproef onderworpen. In wezen worden dus aan bestuurders geen hoge eisen gesteld. Dit typeert de plaats die deelname aan het gemotoriseerde wegverkeer in de samenleving heeft verworven: het maakt deel uit van het normale levenspatroon en is niet voorbehouden aan personen die het besturen van motorvoertuigen als beroep hebben. Daarmee verliest het argument van de Garantenstellung ter onderstreping van de eisen die aan de gemotoriseerde weggebruiker worden gesteld enige glans. Uit een oogpunt van Garantenstellung kunnen tegen de hiervoor geschetste achtergrond aan die weggebruiker minder hoge eisen worden gesteld dan aan een machinist of een verpleegster, functionarissen die bij uitstek zijn opgeleid en aangesteld met het oog op een zorgvuldige vervulling van hun taak.
26
Ook het besef dat een bestuurder die een ernstig ongeval heeft veroorzaakt een fout heeft gemaakt die een willekeurige andere bestuurder evenzeer had kunnen maken* [49] speelt wel een rol bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in een mate die als aanmerkelijk kan worden gewaardeerd. Het besef van deze feilbaarheid en de ernst van de gevolgen die deze kan hebben heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat spoorwegmaatschappijen technische voorzieningen treffen om te voorkomen dat een trein door een rood sein rijdt, ook al worden treinen bestuurd door personen wier professie het is dit te voorkomen en van wie het gehoorzamen van een rood sein een uitgesproken essentieel onderdeel vormt van de wijze waarop zij hun functie dienen uit te oefenen.
27
Voorts mag hier niet ongenoemd blijven dat bestuurders die een ander door het maken van een verkeersfout zwaar lichamelijk letsel hebben toegebracht of die de dood van een ander hebben veroorzaakt, niet zelden zwaar gebukt gaan onder de gevolgen van hun gedrag en dat zij niets liever zouden willen dan dat deze waren voorkomen. Dat doet aarzelen omtrent de zin van vervolging en bestraffing* [50] hoewel deze heel wel kan worden gevonden in het publiekelijk demonstreren van het handhaven van de strafwet* [51] en de behoefte van slachtoffers en/of nabestaanden aan een onafhankelijk oordeel over hetgeen er fout is gegaan, in het publiekelijk vergelden van het leed dat hen is aangedaan, alsmede in de mogelijkheid voor slachtoffers als benadeelde partij een eenvoudig te bepalen deel van de schade te verhalen.
28
Het voorgaande brengt mee dat in mijn ogen niet kan worden aanvaard dat de enkele verkeersovertreding toereikend is voor een veroordeling ter zake van dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld. Zoals ik hiervoor heb uiteengezet proef ik deze benadering ook in de rechtspraak van de Hoge Raad die ik dan ook van harte onderschrijf. Het gaat niet aan iemand wegens een enkele verkeersfout waarvan de ernst van de gevolgen in overwegende mate buiten zijn macht liggen, te bestempelen tot iemand die de dood van een ander in zo vergaande mate op zijn geweten heeft dat hij als pleger van een misdrijf wordt veroordeeld.* [52]
29
De vraag rijst wanneer het maken van een verkeersfout met dood of zwaar lichamelijk letsel als gevolg wel tot schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 kan leiden. Naar mijn mening dient het te gaan om een verkeersfout gemaakt onder — kort gezegd — verzwarende omstandigheden.* [53] Dan valt in de eerste plaats te denken aan omstandigheden waardoor de bestuurder zijn vermogen om op behoorlijke wijze aan het verkeer deel te nemen door eigen toedoen vermindert, bijvoorbeeld door alcoholgebruik of gebruik van medicijnen die de rijvaardigheid beïnvloeden. Daarnaast aan binnen de machtssfeer van de bestuurder liggende, voor hem kenbare omstandigheden die het naleven van verkeersregels bemoeilijken en waarvan van hem kan worden gevergd dat hij deze vermijdt. Het gaat dan om rijden met beslagen ruiten, met ondeugdelijke verlichting en dergelijke, kortom om gebrek aan voorzorg. Maar ook om zodanig rijgedrag dat het maken van fouten in de hand wordt gewerkt, zoals zonder stoppen een voorrangsweg oprijden, aanzienlijk sneller rijden dan ter plaatse is toegestaan of het rijgedrag niet afstemmen op weersomstandigheden of op de staat van het wegdek.
30
Ik keer nu terug tot de onderhavige zaak. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft verdachte komend bij een zeer flauwe bocht naar links, naar links gestuurd, maar vervolgens niet meer naar rechts zodat zij op het weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen, waar zij frontaal met een tegemoetkomende personenauto in botsing is gekomen. Verdachte reed met een snelheid van 75 à 80 km/u, een snelheid die kennelijk de ter plaatse toegelaten maximumsnelheid niet te boven ging, terwijl de bewijsmiddelen ook geen aanwijzingen bevatten dat deze snelheid gezien het verloop van de weg te hoog was. Naar verdachtes door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaring inhoudt, heeft zij met de bocht mee naar links gestuurd, heeft zij kennelijk ‘een soort blackout’ gehad en niet meer naar rechts gestuurd waarna zij op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weghelft is gekomen en daar de motorkap van een tegemoetkomende auto zag opdoemen op het moment dat een aanrijding niet meer was te voorkomen. Verdachte had naar eigen zeggen geen reden terecht te komen op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weghelft.
31
Het Hof heeft op grond hiervan ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
zij op 12 juni 2001, te Winssen, in de gemeente Beuningen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmee rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Van Heemstraweg, aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam, in of nabij een in die weg gelegen, gezien haar, verdachtes rijrichting, naar links verlopen bocht, naar links heeft gestuurd en geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen en is gebotst, althans is aangereden tegen een op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht
32
De bewezenverklaring zoekt de gedraging waarin de bewezenverklaarde onoplettendheid en onachtzaamheid is gelegen in het in een bocht naar links op zodanige wijze naar links sturen dat verdachte op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terecht kwam en dientengevolge op een op die weghelft tegemoetkomend motorrijtuig is gebotst, met andere woorden in het op de linker weghelft komen terwijl dat nu juist niet kan. Daarin ligt handelen in strijd met art. 3 lid 1 RVV1990 besloten. Voorts valt uit de bewijsmiddelen op te maken dat aan verdachtes aandacht is ontsnapt dat zij in de bocht naar links op de linker weghelft kwam. Daaruit valt de bewezenverklaarde onoplettendheid en onachtzaamheid zonder meer af te leiden. Zij heeft immers niet opgemerkt wat haar niet had mogen ontgaan. Niettemin doet de inhoud van de bewijsmiddelen de vraag rijzen of van een vermijdbare onoplettendheid of onachtzaamheid sprake was. Verdachte spreekt immers van een soort black-out. Nu het Hof dit element van verdachtes verklaring voor het bewijs heeft gebruikt moet dit kennelijk in die zin worden opgevat dat het Hof daarin een bevestiging van verdachtes onoplettendheid of onachtzaamheid heeft gezien.
33
Toch blijft het de vraag oproepen of het gebruik van verdachtes verklaring waarin wordt gesproken van een black-out, niet strijdig is met de in de bewezenverklaarde onoplettendheid en onachtzaamheid besloten liggende vermijdbaarheid van die onachtzaamheid of onoplettendheid. Onder black-out wordt immers niet alleen een gebrek aan concentratie verstaan, maar ook een kortstondig verlies van bewustzijn of geheugen.* [54] Er is alle kans dat verdachte het begrip ‘black-out’ in de laatste betekenissen heeft gebruikt. Het maakt immers deel uit van een verklaring die kennelijk strekt tot verontschuldiging. Zie ook HR 25 februari 1986, NJ 1986, 615 waarin de Hoge Raad in een beroep op een soort black-out door een spookrijder, die werd vervolgd ter zake van art. 25 WVW oud, een uitdrukkelijk voorgedragen verweer zag waarop de rechter gemotiveerd had moeten beslissen.* [55] Daarbij moet bedacht worden dat enige welwillende uitleg van verdachtes verklaring op zijn plaats is nu zij niet werd bijgestaan door een raadsman. Voorts is van belang dat de toedracht van het ongeval zoals het Hof deze heeft bewezenverklaard heel wel in verdachtes verklaring, opgevat in verontschuldigende zin, kan passen. Het opvallende is immers dat zij wel weet dat zij met de flauwe bocht mee naar links heeft gestuurd en dat zij er toen dus kennelijk nog ‘bij’ was doch dat zij dit zo heeft gedaan dat zij zonder dat zij dit heeft gemerkt op de linker weghelft is uitgekomen en dan vervolgens wel een auto op zich ziet afkomen. Veeleer viel immers te verwachten dat zij die bocht te laat had opgemerkt en een te forse ruk aan het stuur naar links had gegeven waarop zij op de linker weghelft terecht kwam (de getuigeverklaringen geven voor die gang van zaken enig houvast) of rechts van de weg in de berm was geraakt en ter correctie een eveneens te forse ruk aan het stuur naar links had gegeven. Ten slotte verdient nog de aandacht dat het Hof niet voor het bewijs heeft gebezigd dat verdachte, zoals zij — naar zij ter terechtzitting van het Hof bevestigde — bij de politie heeft gezegd, vermoeid was van een golfwedstrijd van ongeveer drie uur die zij de middag van het ongeval had gespeeld. Zou het Hof verdachtes black-out als een haar toe te rekenen gebrek aan concentratie hebben gezien, dan is niet duidelijk waarom het deze vermoeidheid niet voor het bewijs heeft gebruikt. Kortom, enige bewijsoverweging waarin uiteengezet wordt hoe het Hof een en ander heeft gezien wordt hier node gemist en leidt er toe dat de bewijsvoering van het Hof niet zonder meer begrijpelijk is.
34
Voorts roept de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen de vraag op waarin het Hof het aanmerkelijke van de in de vorm van onoplettendheid en onachtzaamheid bewezenverklaarde schuld heeft gezien. Het enkel in een moment van onoplettendheid op de linker weghelft komen is daartoe niet voldoende. De mate waarin en de wijze waarop verdachte op de linker weghelft heeft gereden zouden voor het aanmerkelijke van verdachtes schuld houvast kunnen bieden. Daaromtrent blijkt uit de bewijsmiddelen echter niets. Zo houden deze niets in over de breedte van de weg, hoe ver verdachte op de andere weghelft is gekomen (enkele centimeters, een halve meter of meer?) en over welke afstand zij over de linker weghelft heeft gereden.* [56] De voor het bewijs gebezigde verklaring van [getuige] dat verdachtes auto de voor hem rijdende auto frontaal raakte alsmede verdachtes verklaring dat zij plotseling een motorkap van een auto recht voor zich zag opdoemen geven daarvoor mijns inziens onvoldoende specifieke aanwijzingen, zeker niet nu het Hof niet heeft uitgewerkt hoe het dit heeft gezien. Daarom valt niet uit te sluiten dat het Hof het aanmerkelijke van de schuld heeft gezien in de ernst van de gevolgen van de door verdachte gepleegde overtreding.* [57] Zoals ik hiervoor onder nr. 22 heb uiteengezet is dat in mijn ogen niet juist.
35
De gedachte dat het in een zaak als de onderhavige toch moeilijk anders kan zijn dan dat er een situatietekening van de plaats van het ongeval zou zijn heeft mij er toe gebracht over de papieren muur te kijken. Een situatietekening heb ik niet aangetroffen, wel een viertal foto’s, gemaakt kort na het ongeval. Deze foto’s laten zien dat de botsing heeft plaatsgevonden op de voor verdachtes uiterste linker weghelft, in afwijking van verdachtes verklaring vèr van enige bocht, en geven mij daardoor een heel ander beeld van de toedracht van het ongeval dan ik uit de bewijsmiddelen had opgemaakt. Maar dit ter zijde.
36
Het voorgaande brengt mij tot de slotsom dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is en dat het middel dus slaagt. Mocht de Hoge Raad mijn opvatting niet delen dan meen ik dat de zaak niettemin niet voor afdoening op de voet van art. 81 RO in aanmerking komt. Zoals ik hiervoor heb uiteengezet bestaat in de praktijk grote onzekerheid over de invulling van de voor art. 6 WVW 1994 vereiste merkelijke schuld. Eenheid in afdoening van art 6 WVW 1994-zaken, rechtseenheid dus, zou daarom in mijn ogen zijn gediend met een gemotiveerde uitspraak van de Hoge Raad.
37
Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof de verwerping van het beroep op het ontbreken van alle schuld niet heeft gemotiveerd.
38
Verdachte heeft ter terechtzitting niet met zoveel woorden een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld. Wel heeft zij aangevoerd dat zij een black-out heeft gehad van drie seconden.
39
De verwerping van een beroep op afwezigheid van alle schuld bij een culpoos delict behoeft geen afzonderlijke en gemotiveerde verwerping. Een dergelijk verweer houdt immers een bestrijding in van de tenlastegelegde culpa.* [58] Strikt genomen faalt het middel.
40
Welwillende lezing van het middel brengt mee, dat het ook zo kan worden verstaan dat verdachtes beroep op een black-out een bestrijding inhoudt van de tenlastegelegde culpa, in het bijzonder van de daarin opgesloten vermijdbaarheid. Dan dient het zo te zijn dat de bewijsmiddelen de in het verweer genoemde mogelijkheid uitsluiten, omdat anders een met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid open blijft dat verdachtes onoplettendheid niet vermijdbaar was.* [59] Zoals ik hiervoor onder nr. 33 heb aangegeven voorzien de bewijsmiddelen hierin niet omdat deze enerzijds inhouden dat verdachte een soort black-out heeft gehad doch anderzijds niet duidelijk maken hoe deze black-out kan bijdragen aan het bewijs en evenmin waarom deze met de bewezenverklaring niet onverenigbaar is.
41
Het middel slaagt.
42
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Noot
1
Dit arrest is van belang omdat de Hoge Raad daarin een antwoord formuleert op de vraag of een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor het aannemen van schuld aan de gevolgen van een ongeval (art. 6 WVW 1994). Die vraag was niet door het cassatiemiddel opgeworpen, maar door A G Vellinga. Uit zijn uitvoerige en breed gedocumenteerde conclusie rijst een nogal onthutsend beeld van rechtsonzekerheid op. In de literatuur en de rechtspraktijk blijken grote verschillen van opvatting te bestaan over de ter zake geldende aansprakelijkheidscriteria. Een ieder lijkt in de jurisprudentie van de Hoge Raad het zijne te lezen. Vellinga bestrijdt in zijn conclusie de opvatting dat de Hoge Raad met een enkele verkeersovertreding genoegen neemt. Van een ‘uitholling van de schuld’ wil hij — als ik hem goed begrijp — dan ook niet spreken. Overigens ligt spraakverwarring hier op de loer. Gaat het om het aantal overtredingen (zodat er steeds een tweede, bijkomende fout moet zijn), of gaat het om het soort overtreding (zodat niet elke overtreding schuld oplevert)? Door de discussie heen speelt de vraag wat culpa eigenlijk inhoudt. Gaat het om een geestesgesteldheid van de dader, of mag de schuld ‘geobjectiveerd’ worden tot onvoorzichtig gedrag? Is voldoende dat het rijgedrag objectief gezien fout was, of moet daarnaast vastgesteld worden dat de automobilist met een onvoorzichtige geestesgesteldheid reed? Dit arrest kan gezien worden als een poging om duidelijkheid te scheppen.
2
De Hoge Raad kiest voor wat ik een procedurele benadering van de schuld zou willen noemen. Hij geeft geen antwoord op de vraag wanneer van schuld sprake is, maar op de vraag wanneer schuld bewezen kan worden, of nog preciezer gezegd, op de vraag wanneer schuld uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het komt bij die vraag aan ‘op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval’. Dat klinkt nogal objectief. Nu sluit de formulering subjectieve factoren niet uit. Mogelijk bepalen die factoren mede de ‘aard’ van de overtreding, mogelijk ook kunnen zij gerangschikt worden onder de ‘omstandigheden van het geval’. Voorzover echter het innerlijk van de verdachte een rol speelt, lijkt dat pas in tweede instantie het geval te zijn. Zie daarover punt 4 van deze noot.
Er zij overigens op gewezen dat de Hoge Raad geen regel geeft voor het bewijs van de schuld in het algemeen, maar voor dat van ‘de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994’. Bij schuld in het verkeer valt, zoals ook in de tekst van genoemd art. 6 tot uitdrukking komt, het accent bijna automatisch op het gedrag van de weggebruiker. Bovendien geldt dat de dader, zoals eveneens uit art. 6 blijkt, verkeersdeelnemer moet zijn. Die kwaliteit én de daaraan verbonden Garantenstellung zijn mogelijk door de Hoge Raad voorondersteld, zodat de persoon van de verdachte toch enigszins is verdisconteerd. Het is dus niet gezegd dat bij andere culpose delicten een even objectieve benadering zal worden gevolgd.
3
In de gevolgde objectieve benadering past de vraag of één verkeersovertreding voor het bewijs van de schuld voldoende kan zijn, precies. Het antwoord dat de Hoge Raad geeft, is niet erg helder geformuleerd. Overwogen wordt dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of een enkele overtreding voldoende kan zijn. Bedoeld is denk ik dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één overtreding voldoende is. Als de overweging zo wordt gelezen, luidt het antwoord op de vraag of een enkele overtreding voldoende kan zijn, bevestigend. Onder omstandigheden kan dat het geval zijn. Of dat in het concrete geval zo is, hangt af van ‘verschillende factoren’. De Hoge Raad noemt ‘de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan’. Het gebruik van het enkelvoud (‘de verkeersovertreding’) bevestigt dat één overtreding voldoende kan zijn.
4
Niet onbelangrijk is voorts dat de procedurele benadering die de Hoge Raad in dit arrest volgt, uit twee stappen bestaat. De eerste stap concentreert zich op het uiterlijk waarneembare rijgedrag van de verdachte met inbegrip van de omstandigheden zoals die zich objectief voordeden. De Hoge Raad beschrijft dat gedrag en oordeelt dat ‘zodanig verkeersgedrag’ in beginsel de gevolgtrekking kan dragen dat — kort gezegd — sprake is van schuld. Hij geeft dus eerst een voorlopig oordeel gebaseerd op het objectieve gebeuren. Subjectieve (innerlijke) factoren komen pas bij de tweede stap aan de orde. Die tweede stap concentreert zich op mogelijke uitzonderlijke omstandigheden die maken dat op het voorlopig oordeel moet worden teruggekomen. De Hoge Raad noemt als voorbeeld de verontschuldigbare onmacht. Dat geeft aan dat de uitzonderlijke omstandigheden in de sfeer van de strafuitsluitingsgronden moeten worden gezocht, en meer in het bijzonder in die van de afwezigheid van alle schuld. Ook procedureel is sprake van een exceptie: de omstandigheden moeten ‘zijn aangevoerd en aannemelijk geworden’. Daarmee zal niet bedoeld zijn te zeggen dat de rechter niet ambtshalve een exceptionele omstandigheid aannemelijk mag oordelen, maar wel dat als regel in de bewijsmotivering geen aandacht aan dergelijke omstandigheden hoeft te worden besteed als daarop door de verdachte geen beroep is gedaan. Dat betekent dat de bewijsmiddelen zich doorgaans tot de eerste stap kunnen beperken. Het oordeel over het objectieve rijgedrag draagt ‘in beginsel’ de bewezenverklaring van de schuld.
5
In de doctrine wordt de culpa vaak omschreven als ‘verwijtbare onvoorzichtigheid’, waarbij de onvoorzichtigheid wordt onderscheiden van de verwijtbaarheid. Het ligt voor de hand om de twee stappen-benadering van de Hoge Raad op dit onderscheid te betrekken. De conclusie kan dan zijn dat het bij het vaststellen van ‘onvoorzichtigheid’ gaat om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt, of zijn rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven van wat van een automobilist wordt geëist. Het is op dit punt dat de Hoge Raad recht doet aan het vereiste dat de schuld ‘grof’ moet zijn. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van schuld. Daar staat tegenover dat het vereiste van grofheid geen rol speelt als het om de verwijtbaarheid gaat. De vraag is daar enkel of de verdachte van zijn grove fout een verwijt kan worden gemaakt. Pas als de verwijtbaarheid vanwege uitzonderlijke omstandigheden ontbreekt, moet het voorlopige oordeel bijgesteld worden. Het is dan ook niet voor niets dat de Hoge Raad spreekt van verontschuldigbare onmacht. Men zie ook HR 14 november 2000, NJ 2001, 37, waarin de culpa bewezen kon worden omdat de dwaling niet verschoonbaar was.
De wijze waarop de Hoge Raad in dit het arrest de verklaring van de verdachte herformuleert tot een bevrijdend verweer, vormt een bevestiging van deze conclusie. Volgens de Hoge Raad was onmiskenbaar bedoeld te betogen dat het de verdachte ‘tengevolge van die plotseling opgekomen en voor haar onvoorzienbare black-out niet te verwijten is’ dat zij op de verkeerde weghelft terechtkwam. Met een verminderde verwijtbaarheid neemt de Hoge Raad geen genoegen. Daarom is van belang dat de black-out plotseling opkwam en onvoorzienbaar was.
6
Met het arrest is winst geboekt. De criteria die de Hoge Raad formuleert, zijn goed hanteerbaar en vergroten daarmee de inzichtelijkheid van de besluitvorming. Het arrest vormt daarbij een niet mis te verstaan signaal in de richting van de praktijk om niet te snel tot ‘schuld’ te concluderen. Kennelijk was het nodig er expliciet op te wijzen dat het feit dat er doden of gewonden zijn gevallen, niets zegt over de vraag of de begane verkeersovertreding het verwijt van schuld kan dragen. De rechter wordt opgedragen om telkens in concreto te onderzoeken of sprake is geweest van een als grof aan te merken fout.
Erg hard zijn de geformuleerde criteria niet. Daarvoor leent de materie zich ook niet. Volstrekte rechtszekerheid is op het terrein van de schuld in het verkeer niet te bereiken. De verdienste van de criteria is wel dat zij richting geven aan de discussie die in de rechtszaal moet worden gevoerd over de vraag of de schuld bewezen kan worden. Die discussie zal vooral meer duidelijkheid moeten verschaffen over de eerste stap. Wanneer is de overtreding van zodanige aard en dermate ernstig, dat schuld in beginsel gegeven is? Welke omstandigheden zijn daarbij relevant en welk gewicht leggen zij in de schaal?
Ook ten aanzien van de tweede stap rijzen vragen. In het bijzonder de vraag of het befaamde Verpleegsterarrest (HR 19 febr. 1963, NJ 1963, 512) door de onderhavige uitspraak is achterhaald. Want als in het verkeer een plotselinge black-out kan disculperen, waarom een ‘Fehlleistung’ in het ziekenhuis dan niet? Misschien heeft de ogenschijnlijke discrepantie tussen beide arresten wel vooral een cassatietechnische achtergrond. Niet uit het oog verloren mag worden dat de Hoge Raad in het Verpleegsterarrest oordeelde dat in feitelijke aanleg geen uitdrukkelijk beroep op de ‘Fehlleistung’ was gedaan en dat geen sprake was van een omstandigheid die in cassatie vaststond.
7
In het gevolgde twee stappen-plan blijft één aspect van de culpa onderbelicht. Culpa en causaliteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als aanvullende eis heeft daarom te gelden dat de gemaakte objectieve fout van dien aard is, dat het gevolg daaraan redelijkerwijs kan worden toegeschreven. Men zie bij wijze van voorbeeld HR 18 mei 2004, NJ 2004, 512, waarin de verdachte, die te snel en met drank op had gereden, werd vrijgesproken omdat de aanrijding ook zou hebben plaats gevonden als hij zich wel aan de regels had gehouden. Daardoor valt niet alleen de causaliteit weg, maar ook de culpa. Het ongeval is dan niet aan het rijgedrag van de automobilist — en dus niet aan zijn schuld — te wijten.
8
Kan nu gesproken worden van een uitholling van schuld? Daarover kan verschillend worden gedacht. Mij lijkt dat de critici redelijk tevreden kunnen zijn als het gaat om de eisen die worden gesteld aan de objectieve fout. Ook het feit dat het mogelijke ontbreken van verwijtbaarheid tot serieus onderzoek noopt, mag als winstpunt worden genoteerd. Dat de dader geen ernstig verwijt behoeft te treffen (omdat alleen het ontbreken van verwijtbaarheid disculpeert), zal mogelijk wel als een uitholling van schuld worden aangemerkt. Zelf vraag ik mij af of de idee dat het vroeger anders was — wat de term ‘uitholling’ toch veronderstelt —, correct is. Worden geen eisen op het verleden geprojecteerd, die daarin nooit hebben gegolden? Dat de verwijtbaarheid een element was van elk strafbaar feit, behoorde nog niet tot het gedachtegoed van de wetgever van 1881. Dat element werd eerst na het Melk en water-arrest, waarin het beginsel geen straf zonder schuld als geldend recht werd erkend, in de dogmatiek geconstrueerd. Daarmee was wél aanvaard dat voor culpose delicten verwijtbaarheid vereist is, maar niet dat die verwijtbaarheid ernstig zou moeten zijn. Dat werd en wordt tenslotte ook niet bij opzetdelicten geëist. Waarom zou er op dit punt verschil moeten zijn?
9
Als uitholling van schuld zou ook kunnen worden aangemerkt dat in de procedurele benadering van de Hoge Raad een afzonderlijk onderzoek naar de geestesgesteldheid van de dader — behoudens exceptionele gevallen — niet wordt gevergd. Die mogelijke kritiek brengt ons terug naar de inhoud van de culpa, en daarmee naar het materiële recht. Blijft de culpa materieelrechtelijk gezien een geestesgesteldheid, waarvan de rechter het bestaan mag afleiden uit het feit dat een objectief grove en verwijtbare fout is begaan? Of is de culpa met die fout gegeven? In het eerste geval heeft de feitenrechter althans in theorie de vrijheid om de verdachte vrij te spreken ondanks het feit dat deze ernstig en verwijtbaar tekort is geschoten. In theorie kan dan immers de onvoorzichtige geestesgesteldheid toch nog ontbreken. Mij spreekt dat niet aan. De strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt dan namelijk afhankelijk gemaakt van een volstrekt ongrijpbare factor. Want wat moet men voorstellen bij een foute geestesgesteldheid als extra eis naast het vereiste van een grove en verwijtbare fout? Is denkbaar dat een automobilist die met een dronken kop en beslagen ruiten inrijdt op een van rechts komende auto, toch oplettend en voorzichtig is geweest? Verdient een orthopedisch chirurg die zich bij wijze van nieuwe uitdaging waagt aan een oogoperatie (met een onherstelbaar beschadigd oog als gevolg), een vrijspraak als hij zijn uiterste best heeft gedaan en zo oplettend, zorgvuldig en nauwkeurig als hij maar kon, te werk is gegaan?
Ik zou menen dat de culpa met de grove en verwijtbare fout gegeven is. Dat betekent dat culpa materieelrechtelijk gedefinieerd kan worden als aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag dat de dader verweten kan worden en van dien aard is dat het gevolg hem kan worden toegerekend. Dat sluit aan bij de grondbeginselen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid. Het strafrecht moet zich richten op gedrag (en op de vraag of de dader zich anders kon gedragen). Van het bestraffen van verkeerde geestesgesteldheden moet het zich verre houden.