HR 02-04-1985, NJ 1985, 796 Arrest Onbehoorlijk gedrag
HR 02-04-1985, NJ 1985, 796 Arrest Onbehoorlijk gedrag
NJ 1985 , 796
HOGE RAAD (Strafkamer)
2 april 1985 , nr. 78075
(Mrs. Moons, Van der Ven, Bronkhorst, De Groot, De Waard; A-G Leijten)
DD 85.341
DD 1985 , 341
Regeling
Sr art. 1; Sv art. 53 lid 3, 359lid 2; Europees Verdrag mensenrechten art. 7; Spoorwegwet art. 27; Algemeen Reglement Vervoer art. 4par. 3 sub d
Essentie
1.
Het horen van een verdachte door een opsporingsambtenaar voorafgaande aan geleiding voor een hulpofficier van Justitie ingevolge art. 53 lid 3 Sv is niet in strijd met enige rechtsregel; de vaststelling dat de verdachte is aangehouden ‘ter geleiding voor een hulpofficier’ kan in cassatie niet op haar juistheid worden onderzocht; zij is niet onbegrijpelijk.
2.
Toereikende weerlegging van het verweer dat de term ‘onbehoorlijk gedrag’ in art. 4par. 3 sub d ARV onverenigbaar is met art. 7 Europees Verdrag mensenrechten en art. 1 Sr.
3.
Toereikende weerlegging van het verweer dat art. 4 ARV onverbindend is, omdat art. 27 Spoorwegwet niet de bevoegdheid geeft bij ARV gedragingen van personen in de restauratie strafbaar te stellen en evenmin spoorwegpersoneel de bevoegdheid geeft daartegen op te treden.
Samenvatting
Ad 1. De Rb. heeft terecht geoordeeld dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat een verdachte, voordat aan art. 53 lid 3 Sv toepassing wordt gegeven, door de betrokken opsporingsambtenaar wordt verhoord. Men sluit de omstandigheid dat de hulpofficier van Justitie, voor wie een aangehouden verdachte moet worden geleid, de verdachte moet verhoren een daaraan voorafgaand verhoor door de aanhoudende opsporingsambtenaar niet uit. De Rb. heeft vastgesteld dat verdachte is aangehouden ‘ter geleiding voor een hulpofficier van Justitie’. Deze feitelijke vaststelling kan in cassatie niet op haar juistheid worden onderzocht. Zij is niet onbegrijpelijk, gelet op de constatering van de Rb. dat de voorgeleiding heeft plaatsgehad en dat een der verbalisanten verdachte na de aanhouding ‘kort’ heeft gehoord.
Ad 2. Art. 4par. 3 sub s ARV: Het is verboden op enig gedeelte van de stations of in de treinen te vechten … dan wel zich op andere wijze onbehoorlijk te gedragen.
HR: Deze bepaling is ook voor wat betreft het verbod zich op de stations en in de treinen — op andere wijze dan in het voorafgaande gesteld — onbehoorlijk te gedragen, niet onverenigbaar met art. 1 Sr en art. 7 Europees Verdrag mensenrechten. Daarbij is van belang dat deze norm in zoverre is geconcretiseerd dat het gaat om gedrag op de stations en in de treinen, en dat het voorts betreft een norm die, overeenkomstig het Europese Hof voor de rechten van de mens 26 april 1979, NJ 1980, 146, is ‘inevitably couched in terms which, … are vague and whose interpretation and application are questions of practice’.
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Rb. te Rotterdam van 18 juni 1984 in de strafzaak tegen Anja van den B, geboren te Rotterdam op 12 jan. 1957, te Dordrecht.
1
De bestreden uitspraak
De Rb. heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Ktr. te Rotterdam van 16 mei 1984 — de verdachte ter zake van a. ‘de overtreding van het bepaalde bij art. 4par. 3 onder d Algemeen Reglement Vervoer door anderen dan de in de art. 53 en 56 Spoorwegwet genoemden’ en b. ‘de overtreding van het bepaalde bij art. 7par. 2 Algemeen Reglement Vervoer door anderen dan de in de art. 53 en 56 Spoorwegnet genoemden’ veroordeeld tot twee geldboetes van elk vijfentwintig gulden subs. telkens een dag hechtenis.
2
Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. A. Rhijnsburger, adv. te Rotterdam, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:
Verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven en/of schending van het recht op grond van het navolgende.
I
Ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft de Rb. het verweer dat de aanhouding in strijd is geweest met art. 53 lid 3 Sv verworpen. Hierdoor is o.a. dit artikel geschonden.
Toelichting:
Art. 53 lid 3 Sv dient ter bescherming van de belangen van de verdachte. De voorgeleiding voor een hogere politie-ambtenaar (hulpofficier c.q. OvJ) is een controlemoment. Het artikel brengt met zich mee dat ter bescherming van genoemde belangen, het controlemoment zo vroeg mogelijk moet plaatsvinden en voordat strafprocesrechtelijke handelingen uitgevoerd zijn. Dit wil zeggen dat voorgeleiding voor de hulpofficier zo snel mogelijk moet plaatsvinden, maar ook dat daarvoor geen verhoor mag plaatsvinden. De wijze waarop aanhouding i.c. is verlopen laat zien dat de voorgeleiding achteraf slechts een formaliteit is geweest zonder materiele betekenis, het verhoor had al plaatsgevonden en het p.-v. was feitelijk afgesloten. Verwezen wordt naar Duisterwinkel-Melai art. 53 aant. 4 ‘in de voorgeleiding schuilt immers ook de mogelijkheid van controle op de rechtmatigheid en aanvaardbaarheid van de voorafgaande aanhouding’.
II
Ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft de Rb. verworpen het verweer dat de term ‘onbehoorlijk gedrag’ als voorkomend in art. 4 ARV te vaag zou zijn. Hierdoor zijn o.a. geschonden art. 1 Sr en art. 7 Europees Verdrag mensenrechten.
Toelichting:
De motivering van de Rb. is niet inhoudelijk en gaat niet in op de inhoudelijke eisen als geformuleerd door het Europese Hof voor de rechten van de mens in haar uitspraak van 26 april 1979. Volgens deze geformuleerde eisen is de term onbehoorlijk gedrag zo vaag dat de burger onvoldoende kan inzien welk gedrag conform deze term van hem gevraagd wordt. De vage term laat teveel ruimte over voor interpretatie.
III
Ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft de Rb. het verweer dat art. 4 ARV onverbindend is, danwel buiten toepassing moet worden gelaten verworpen. Hierdoor zijn o.a. geschonden de art. 350, 358 en 359 Sv.
Toelichting:
Gedragingen in een restauratie, gelegen bij een station, staan te ver af van ‘de uitoefening der spoorwegdienst’. Een dergelijke restauratie is een zelfstandig restaurant, als ieder ander restaurant. Veel bezoekers zijn niet-treinreizigers. De restauratie heeft een besloten karakter, er geldt een consumptieplicht. Verwezen wordt naar Remmelink, aant. 18 op art. 138 Sr. Gedragingen in een dergelijke restauratie staan te ver af van de veilige en behoorlijke uitoefening der spoorwegdienst.
IV
Ten onrechte heeft de Rb. aangenomen dat de restauratie, gelegen aan perron 1, deel uitmaakt van enig gedeelte van het station en vervolgens het ten laste gelegde bewezen verklaard. Hierdoor is o.a. art. 350 Sv geschonden.
Toelichting:
Voor wat betreft het besloten karakter van de restauratie wordt verwezen naar hetgeen hierboven bij middel III in de toelichting gesteld is. Naar de mening van rekwirante behoren besloten lokaliteiten zoals de restauratie i.c. niet tot enig gedeelte van het station in de zin van de Spoorwegwet en het Algemeen Reglement Vervoer.
3
De conclusie van het OM (enz.; Red.)
4
Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard, dat zij te Rotterdam op 10 juni 1983:
a
terwijl zij niet was een bestuurster van een spoorwegdienst of een beambte of bediende van de spoorweg (NV Nederlandse Spoorwegen) in de restauratie gelegen op perron 1 van het station Rotterdam Centraal Station van de NV Nederlandse Spoorwegen zich onbehoorlijk heeft gedragen door toen aldaar haar geschoeide voeten op een aldaar staande stoel te leggen en vervolgens een agent en adspirant-agent bij de spoorwegpolitie op luide toon uit te schelden en daarbij o.m. de woorden ‘Gorilla’s, klootzakken, hufters en staatspooiers’ te bezigen;
b
terwijl zij niet was een bestuurster van een spoorwegdienst of een beambte of bediende van de spoorweg, de NV Nederlandse Spoorwegen, in de restauratie gelegen op perron 1 van het station Rotterdam Centraal Station van voornoemde NV, toen een agent bij de spoorwegpolitie te Rotterdam, als zodanig kenbaar aan zijn uniform, genaamd W.A. van Herpen, haar verdachte, in het belang van de orde en rust de aanwijzing gaf voornoemde restauratie te verlaten niet heeft voldaan aan haar verplichting die aanwijzing op te volgen.
4.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: (enz.; Red.)
5
Beoordeling van het eerste middel<
5.1
Blijkens het p.-v. van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar, voor zover te dezen van belang, het volgende aangevoerd:
Met betrekking tot de aanhouding merk ik nog het volgende op. Kennelijk is het de bedoeling geweest dat mijn clienten in het bureau van de Spoorwegpolitie op het Centraal Station verhoord zouden worden. Dit is in strijd met art. 53 lid 3 Sv dat immers zegt dat degene die aangehouden is direct voorgeleid moet worden voor een hulpofficier van Justitie. Daarna kan pas een verhoor beginnen. De aanhouding van mijn clienten is alleen al om deze reden onrechtmatig verlopen.
5.2
De Rb. heeft dienaangaande het volgende overwogen:
Namens verdachte is het verweer gevoerd dat haar aanhouding in strijd is geweest met art. 53 lid 3 Sv en daardoor onrechtmatig is verlopen, aangezien verdachte niet direct is voorgeleid voor een hulpofficier van Justitie, terwijl het verhoor van verdachte pas hierna zou kunnen geschieden.
De Rb. verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt:
Blijkens na te noemen p.-v., waarvan de inhoud op de na te noemen punten niet door of namens verdachte is bestreden, is verdachte op 10 juni 1983 te 07.35 uur aangehouden in de restauratie op perron 1 van het station Rotterdam CS en te 08.25 uur geleid voor een wachtcommandant, tevens hulpofficier van Justitie, in het hoofdbureau van politie aan het Haagse Veer te Rotterdam. Gelet op dit korte tijdsverloop is de Rb. van oordeel dat verdachte, gelijk voornoemd artikel bepaalt, na aanhouding ten spoedigste geleid voor een hulpofficier van Justitie.
De omstandigheid dat een van de verbalisanten haar na de aanhouding ter geleiding voor een hulpofficier naar haar naam heeft gevraagd en kort heeft gehoord, doet deze aanhouding niet onrechtmatig zijn.
De stelling dat een verdachte pas zou kunnen (zoals namens verdachte is gesteld) c.q. mogen worden verhoord na de voorgeleiding vindt geen steun in het (strafvorderings )recht.
5.3
In het middel wordt, evenals in, het reeds voor de Rb. gevoerde verweer, betoogd dat de aanhouding van de verdachte is geschied in strijd met het derde lid van art. 53 Sv, omdat het klaarblijkelijk de bedoeling is geweest de verdachte te verhoren op het bureau van de spoorwegpolitie op het Centraal Station te Rotterdam, in plaats van haar voor een verhoor te geleiden voor een hulpofficier van Justitie, en de verdachte voor het verhoor door evengenoemde functionaris niet had mogen worden gehoord.
5.4
De Rb. heeft terecht geoordeeld dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat een verdachte, voordat aan het derde lid van art. 53 Sv toepassing wordt gegeven, door de betrokken opsporingsambtenaar wordt verhoord. Met name sluit de omstandigheid dat de hulpofficier van Justitie, voor wie een aangehouden verdachte moet worden geleid, de verdachte moet verhoren een daaraan voorafgaand verhoor door de aanhoudende opsporingsambtenaar niet uit.
5.5
De Rb. heeft vastgesteld dat de verdachte is aangehouden ‘ter geleiding voor een hulpofficier’. Deze feitelijke vaststelling kan in cassatie niet op haar juistheid worden onderzocht. Zij is niet onbegrijpelijk, gelet op de constatering van de Rb. dat de voorgeleiding heeft plaatsgehad en dat een der verbalisanten de verdachte na de aanhouding ‘kort’ heeft gehoord.
5.6
Het middel faalt derhalve.
6
Beoordeling van het tweede middel
6.1
De Rb. heeft overwogen:
Namens verdachte is — naar de Rb. begrijpt en afleidt uit de aangevoerde uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 26 april 1979, NJ 1980, 146 — kennelijk bedoeld als verweer op te werpen dat art. 4 Algemeen Reglement Vervoer niet kan worden toegepast, omdat de daarin voorkomende term ‘onbehoorlijk gedrag’ zo vaag zou zijn, dat deze bepaling daardoor in strijd met het Europees Verdrag mensenrechten zou zijn.
De Rb. verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande dat geen enkele bepaling van dit Verdrag — met name ook niet art. 7 — meebrengt dat de bepaling van art. 4 Algemeen Reglement Vervoer als in strijd met het Verdrag buiten toepassing dient te blijven.
6.2
Art. 4par. 3 aanhef en onder d Algemeen Reglement Vervoer luidt:
‘Het is verboden:
d
op enig gedeelte van de stations of in de treinen te vechten, handtastelijkheden te plegen, vuurwerk af te steken, anderen uit te schelden of lastig te vallen dan wel zich op andere wijze onbehoorlijk te gedragen.
6.3
Anders dan het middel stelt is deze bepaling, ook voor wat betreft het verbod zich op de stations en in de treinen — op andere wijze dan in het voorafgaande gesteld — onbehoorlijk te gedragen, niet onverenigbaar met de in het middel bedoelde bepalingen. Daarbij is van belang dat evenbedoelde norm in zoverre is geconcretiseerd dat het gaat om gedrag op de stations en in de treinen, en dat het voorts betreft een norm die, in de bewoordingen van het Europese Hof voor de rechten van de mens in zijn arrest van 26 april 1979, NJ 1980, 146, is ‘inevitably couched in terms which,… are vague and whose interpretation and application are questions of practice’.
6.4
Het middel treft dus geen doel.
7
Beoordeling van het derde middel
7.1
Omtrent het in het middel bedoelde verweer heeft de Rb. het volgende overwogen:
Namens verdachte is het verweer gevoerd dat art. 4 Algemeen Reglement Vervoer (ARV) in dit geval onverbindend is omdat art. 27 Spoorwegnet niet de bevoegdheid geeft bij dit ARV strafbaar te stellen gedragingen van personen die zich in de restauratie bevinden en evenmin spoorwegpersoneel de bevoegdheid geeft daartegen op te treden.
De Rb. verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt:
—
Uit de Nota van Toelichting op het Besluit van 5 juli 1974, houdende wijziging van het Algemeen Reglement Vervoer (Stb. 471), blijkt dat de besluitwetgever als strekking van de art. 4 t/m 7 o.m. heeft voorgestaan bepaalde ongewenste situaties op stations tegen te gaan.
—
Het bepaalde in de art. 4 en 7 ARV, waarop de telastelegging is toegesneden, is in overeenstemming met hetgeen op grond van art. 27 Spoorwegwet kan worden geregeld betreffende de dienst op de stations en hetgeen verder ter verzekering van de behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten is voor te schrijven.
—
Tot de verzekering van de behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten kan immers worden gerekend de verzekering van de veiligheid, orde en rust op stations en hetgeen ter verzekering van een goede bedrijfsgang is geboden.
Onder die behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten kan worden begrepen hetgeen een moderne bedrijfsvoering ten behoeve van spoorreizigers met zich meebrengt.
—
Een moderne bedrijfsvoering brengt met zich mee dat reizigers die zich met de trein willen laten vervoeren bepaalde faciliteiten worden geboden, zoals wacht , eet en drinkgelegenheid. Op perron 1 van het station Rotterdam CS bevinden zich dergelijke faciliteiten in de vorm van een restauratie. De situering van deze restauratie geeft reeds aan dat deze in de eerste plaats bedoeld is voor spoorreizigers. Het feit dat ook anderen, bijv. personeel werkzaam in het station of passanten, gebruik kunnen maken van de restauratie, doet hieraan geen afbreuk.
—
Dientengevolge kan hetgeen ter verzekering van de veiligheid, orde en rust is geboden op de stations mede omvatten hetgeen ter verzekering van de veiligheid, orde en rust in restauraties is geboden, mits deze zich bevinden op enig gedeelte van het station, en kunnen daar aanwijzingen worden gegeven door spoorwegpersoneel in het belang van die veiligheid, orde en rust of ter verzekering van een goede bedrijfsgang.
—
De restauratie op perron 1 van het station Rotterdam CS behoort naar het oordeel van de Rb. tot ‘enig’ gedeelte van dit station, zodat het volgens art. 4par. 3 aanhef en sub d Algemeen Reglement Vervoer verboden is om aldaar o.m. anderen uit te schelden dan wel zich (op andere wijze dan in dit artikel gespecificeerd) onbehoorlijk te gedragen en op deze wijze de rust of orde te verstoren.
—
Uit bovenstaande volgt ook dat het spoorwegpersoneel, daaronder in het bijzonder begrepen de ambtenaren van de spoorwegpolitie, bevoegd is op te treden in voormelde restauratie en aldaar aanwijzingen kan geven overeenkomstig art. 7 Algemeen Reglement Vervoer.
7.2
Met deze overwegingen heeft de Rb. voormeld verweer terecht en op goede gronden verworpen, uitgaande van hetgeen zij feitelijk omtrent de onderhavige restauratie heeft vastgesteld.
7.3
Opmerking verdient nog, a. dat het middel feitelijke grondslag mist voor zover het ervan uitgaat dat de onderhavige restauratie is ‘gelegen bij een station’, immers de Rb. heeft vastgesteld dat die restauratie zich bevindt op perron 1 van het station Rotterdam CS, en b. dat door de Rb. niet is vastgesteld, en evenmin blijkt dat door de verdachte is beweerd, dat — zoals in het middel wordt gesteld — de restauratie een besloten karakter heeft en dat er een consumptieplicht geldt.
7.4
Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
8
Beoordeling van het vierde middel
8.1
Voor zover het middel ervan uitgaat dat de onderhavige restauratie ‘een besloten karakter’ heeft mist het feitelijke grondslag.
8.2
Het oordeel van de Rb. dat de restauratie deel uitmaakt van enig gedeelte van het station geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in art. 4par. 3 onder d Algemeen Reglement Vervoer — met name niet van de daarin voorkomende term ‘stations’ — en kan voor het overige wegens zijn feitelijk karakter niet op zijn juistheid worden getoetst.
8.3
Het middel is dus ondeugdelijk.
9
Slotsom
Nu geen der middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de HR ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
10
Beslissing
De HR verwerpt het beroep.
Conclusie
A G Mr. Leijten
Op 16 mei 1984 heeft de Ktr. te Rotterdam bij schriftelijk vonnis de verzoekster tot cassatie ontslagen van rechtsvervolging met betrekking tot het haar onder 1 ten laste gelegde (voor zover zij daarvan niet werd vrijgesproken) en vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.
De OvJ ging van dat vonnis in hoger beroep. Bij haar vonnis van 18 juni 1984 heeft de Rb. te Rotterdam het vonnis van de Ktr. vernietigd en verzoekster veroordeeld tot twee geldboeten van Æ’ 25 (subs. telkens een dag hechtenis). De OvJ had in hoger beroep schuldigverklaring zonder toepassing van straf gevorderd. De Rb. heeft in haar vonnis uitgelegd waarom zij is afgeweken (naar boven) van deze vordering.
Van het vonnis van de Rb. heeft verzoekster zich van beroep in cassatie voorzien. Namens haar zijn bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel houdt in, dat bij de aanhouding van verzoekster art. 53 lid 3 Sv is geschonden en dat de Rb. het daarop gebaseerde verweer ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
Op dit punt heeft de Rb. overwogen:
De Rb. verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt:
Blijkens na te noemen p.-v., waarvan de inhoud op de na te noemen punten niet door of namens verdachte is bestreden, is verdachte op 10 juni 1983 te 07.35 uur aangehouden in de restauratie op perron 1 van het station Rotterdam CS en te 08.25 uur geleid voor een wachtcommandant, tevens hulpofficier van Justitie, in het hoofdbureau van politie aan het Haagse Veer te Rotterdam. Gelet op dit korte tijdsverloop is de Rb. van oordeel dat verdachte, gelijk voornoemd artikel bepaalt, na aanhouding ten spoedigste (is) geleid voor een hulpofficier van Justitie.
De omstandigheid dat een van de verbalisanten haar na de aanhouding ter geleiding voor een hulpofficier naar haar naam heeft gevraagd en kort heeft gehoord, doet deze aanhouding niet onrechtmatig zijn.
De stelling dat een verdachte pas zou kunnen (zoals namens verdachte is gesteld) c.q. mogen worden verhoord na de voorgeleiding vindt geen steun in het (strafvorderings )recht.
Ik kan er niet veel meer van zeggen, dan dat deze redengeving de verwerping van het verweer kan dragen. Zie Melai art. 53, aant. 3 en 4.
Het tweede middel klaagt erover dat de Rb. het verweer dat de term ‘onbehoorlijk gedrag’ als voorkomend in art. 4 Algemeen Reglement voor het Vervoer op de spoorwegen (ARV) te vaag is, ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Daardoor zijn volgens het middel de art. 1 Sr en 7 Verdrag van Rome (ECRM) geschonden. Art. 4 ARV luidt voor zover hier van belang (par. 3 aanhef en onder d:) Het is verboden: op enig gedeelte van de stations of in de treinen te vechten, handtastelijkheden te plegen, vuurwerk af te steken, anderen uit te schelden of lastig te vallen dan wel zich op andere wijze onbehoorlijk te gedragen.
Aangenomen kan worden dat het middel niet meer terugkomt op de verwerping door de Rb. van het volgens haar gevoerde verweer, dat de telastelegging onder 1 wegens die vaagheid nietig is.
Het beroep op art. 1 Sr kan m.i. niet slagen omdat er in ieder geval wel een aan de strafbaarverklaring van verzoekster voorafgegane wettelijke strafbepaling bestond en bestaat. Voorts heeft de Rb. omtrent dit verweer overwogen:
Namens verdachte is — naar de Rb. begrijpt en afleidt uit de aangevoerde uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 26 april 1979, NJ 1980, 146 — kennelijk bedoeld als verweer op te werpen dat art. 4 Algemeen Reglement Vervoer niet kan worden toegepast, omdat de daarin voorkomende term ‘onbehoorlijk gedrag’ zo vaag zou zijn, dat deze bepaling daardoor in strijd met het Europees Verdrag mensenrechten zou zijn.
De Rb. verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande dat geen enkele bepaling van dit Verdrag — met name ook niet art. 7 — meebrengt dat de bepaling van art. 14 Algemeen Reglement Vervoer als in strijd met het Verdrag buiten toepassing dient te blijven.
Dit verweer, erop neerkomende dat art. 7 Europees Verdrag mensenrechten niet wraakt de strafbaarstelling met behulp van vage normen komt mij juist voor tenzij men zou volhouden dat een te vaag geformuleerde verbodsbepaling niet kan worden gekwalificeerd als ‘strafbaar feit’. Dan zou ook art. 1 lid 1 Sr toch een rol kunnen spelen want art. 7 lid 1 Europees Verdrag mensenrechten is de Verdragsvertaling met uitbreiding van het nationale art. 1 Sr. M.i. kan de zaak niet over deze boeg gegooid worden al hangt zij er wel mee samen. Daarmee is echter niet alles gezegd, want men kan zich afvragen of ‘onbehoorlijk gedrag’ niet een te vaag begrip is om als zodanig strafbaar gesteld te worden.
Hazewinkel-Suringa-Remmelink, 9e druk, bespreekt het probleem op p. 107 en noemt o.m. als voorbeeld art. 25 WVW en art. 1 Prijsvormingsbesluit 1941 en stelt ook vast, dat die vage termen ‘de garantiefunctie van het strafrecht danig vermindert’ Jeschek, Lehrbuch des Strafrechts, 3e druk, 1977, p. 101–102 oordeelt dat Generalisierung ook oplevert ‘eine Gefahr fur die Rechtssicherheit, in dem namlich durch Einebnung der sachlichen Unterschiede Generalklauseln geschaffen werden konnen, die die Garantiefunktion des Strafgesetzes aufheben … Als voorbeeld noemt Jeschek een ‘Gesetz’ van de radenrepubliek Munchen uit 1919: ‘Jeder Verstoss gegen revolutionare Grundsatze wird bestraft. Die Art der Strafe steht im freien Ermessen des Richters’. In heel ander verband zou men ook kunnen noemen: misdrijven tegen de mensheid uit het na-oorlogse Neurenbergse internationale oorlogsrecht.
Is hier het beginsel van de lex certa in die mate overtreden dat de bepaling niet verbindend is? Ik meen van niet omdat het hier betreft in de telastelegging nader te detailleren onbehoorlijk gedrag op stations, waar men een speciaal soort ordelijkheid in het belang van de veiligheid en van het gerief van de andere reizigers, niet kan missen, terwijl dan een algemene typering als deze onvermijdelijk is ‘om de eenvoudige reden, dat er een oeverloze varieteit van gedragingen is welke de delictsinhoud kan vervullen, zodat het niet doenlijk is te proberen deze meer concreet op te sommen’ (Hazewinkel-Suringa-Remmelink, p. 107). Ook wanneer, als in dit geval, tevens een aantal concrete onbehoorlijke gedragingen in het Reglement worden genoemd en strafbaar gesteld, zal toch een rest van onbehoorlijke gedragingen overblijven, die onder de (nogal) vage maar vooral erg algemene verbodsbepaling vallen. Ik acht dit overigens wel een grensgeval. In een gemeentelijke APV zou ik strafbaarstelling van onbehoorlijk gedrag op de openbare weg te algemeen vinden om de verbodsbepaling aanvaardbaar te maken. Ik acht de (plenaire) beslissing van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 26 april 1979, NJ 1980, 146, m.nt. Alkema met het voorafgaande niet in strijd:
Again, whilst certainty is highly desirable, it may bring in its train excessive rigidity and the law must be able to keep pace with changing circumstances. Accordingly, many laws are inevitably couched in terms which, to a greater or lesser extent, are vague and whose interpretation and application are questions of practice.
Hier is ongetwijfeld sprake van ‘to a greater extent’ maar de vraag of er voorts sprake is van to great an extent beantwoord ik, niet zonder aarzeling, toch maar ontkennend. Daarmee zou het middel toch falen.
Het derde middel herhaalt dat art. 4 ARV onverbindend is dan wel buiten toepassing moet blijven omdat ‘gedragingen in een restauratie, gelegen bij een station te ver af staan van de uitoefening der spoorwegdienst.’
De Rb. heeft dit verweer in haar vonnis op p. 6 en 7 uitvoerig en naar ik meen op goede gronden verworpen. Ik wijs er op dat de aanduiding ‘een restauratie, gelegen bij een station’ wat suggestief is. In haar door de Rb. als bewijsmiddel gebezigde verklaring heeft verzoekster gezegd: ‘… bevond ik mij samen met mijn zuster … ’s ochtends in de restauratie, gelegen op perron 1 van het station Rotterdam CS’. Dat veel bezoekers niet-treinreizigers zijn is, zoal waar, niet beslissend. Er zijn ook nogal wat perron-betreders die geen treinreizigers zijn, maar treinreizigers afhalen of gewoon naar binnenkomst en aftocht van treinen willen kijken, dan wel aldaar om welke reden dan ook tijdelijk verblijf houden.
Ik acht het middel op de door de Rb. aangevoerde gronden niet aannemelijk.
Het vierde middel bestrijdt dat de Rb. mocht aannemen dat de restauratie, gelegen aan perron 1, deel uitmaakt van enig gedeelte van het station. Als betoogd acht ik het middel ondeugdelijk. De eventuele beslotenheid van de restauratie behoeft niet in te houden dat de stationsrestauratie niet tot het station zou behoren. Ware het anders, zo’n restauratie zou in zekere zin een ‘vrijplaats’ worden. Dat kan volgens mij niet de bedoeling zijn.
Resumerend herhaal ik dat met name het tweede middel ernstig te denken geeft maar dat mijn slotsom toch de conclusie inhoudt dat het beroep moet worden verworpen.