HR 07-05-1996, NJ 1997, 7 Arrest Moord te Klazinaveen (Opzettelijk (…) van het leven beroven)

HR 07-05-1996, NJ 1997, 7 Arrest Moord te Klazinaveen (Opzettelijk (…) van het leven beroven)

NJ 1997 , 7
HOGE RAAD
7 mei 1996, nr. 102 538
(Mrs. Hermans, Davids, Corstens; A-G Van Dorst)

Regeling

Sr art. 289

Essentie

’Opzettelijk (…) van het leven beroven’ geschiedt ook waar degene die zich daaraan schuldig maakt met het opzet een ander te doden zijnerzijds heeft gedaan wat tot de dood van het slachtoffer leidt en niet slechts op de plaats waar het slachtoffer aan het door de dader gepleegde geweld bezwijkt.
‘Opzettelijk (…) van het leven beroven’ ook als schuldige met opzet ander te doden zijnerzijds heeft gedaan wat tot dood slachtoffer leidt en niet slechts op plaats waar slachtoffer aan door dader gepleegde geweld bezwijkt

Tekst

Arrest op het beroep in cassatie van R.B., te Veenoord, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen te Zwolle, adv. mr. F.A. Dronkers te Leeuwarden
BEWEZENVERKLARING
Bewezenverklaard dat zij op 13 februari 1994 te Klazienaveen, gemeente Emmen, opzettelijk en met voorbedachten rade Fatima Bojadzija van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, Fatima Bojadzija meermalen met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde Fatima Bojadzija is overleden.
WEERLEGGING VERWEER
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat verdachte de uitvoeringshandelingen van het bewezenverklaarde delict, te weten het steken met een mes in het lichaam van het slachtoffer, verrichtte te Klazienaveen (gelegen in de gemeente Emmen). Dat het gevolg van deze uitvoeringshandelingen eerst intrad in het ziekenhuis te Emmen kan niet afdoen aan de bewezenverklaring, dat verdachte het feit pleegde ‘te Klazienaveen, gem. Emmen’. Het hof verwerpt het verweer.
CASSATIEMIDDELEN:
Middel I:
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 261 Wetboek van Strafvordering (Sv), en/of verzuim van vormen, op straffe van nietigheid voorgeschreven.
Toelichting:
Ten laste van requirante is bewezen verklaard, voor zoveel hier van belang, dat
zij op 13 februari 1994 te Klazienaveen, gemeente Emmen, opzettelijk en met voorbedachte rade Fatima Bojadzija van het leven heeft beroofd (…),
zulks terwijl Fatima Bojadzija blijkens de gebezigde bewijsmiddelen te Emmen is overleden, welke bewijsmiddelen derhalve niet redengevend kunnen zijn voor het bewezen verklaren dat het slachtoffer 13 februari 1994 van het leven werd beroofd te Klazienaveen, hetgeen daarmee immers uit de inhoud van die bewijsmiddelen niet valt af te leiden.
Ten laste is gelegd dat zij ‘op of omstreeks 13 februari te Klazienaveen, gemeente Emmen (…) Fatima (…) van het leven heeft beroofd’.
Het slachtoffer is (later) op een andere locatie overleden. Klazienaveen was — gelet op de leer van het gevolg — in tegenstelling tot de gemeente Emmen als locus delicti niet aan de orde.
De toevoeging ‘gemeente Emmen’ in de telastelegging, slaat terug op Klazienaveen, als precisering van de plaats alwaar de steken aan het slachtoffer werden toegebracht. Eén en ander is gemotiveerd uiteengezet door de raadsman van requirante. (…)
Hoge Raad:
5 Beoordeling van het eerste middel
5.1
Het middel behelst blijkens de toelichting de klacht dat nu als plaats waar het slachtoffer van het leven is beroofd is telastegelegd en bewezenverklaard ‘Klazienaveen’ — zijnde de plaats waar de uitvoeringshandelingen van dat feit hebben plaatsgevonden — zulks terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer te Emmen is overleden — zijnde de plaats waar het dodelijk gevolg van dat feit is ingetreden — de bewijsmiddelen niet redengevend kunnen worden geacht voor het bewezenverklaarde feit zoals hiervoor is weergegeven.
5.2
Deze klacht kan niet tot cassatie leiden aangezien het ‘opzettelijk (…) van het leven beroven’ ook geschiedt op de plaats waar degene die zich daaraan schuldig maakt met het opzet een ander te doden harerzijds datgene heeft gedaan wat tot de dood van het slachtoffer leidt en niet slechts op de plaats waar het slachtoffer aan het door de dader gepleegde geweld bezwijkt.
5.3
Het middel faalt derhalve.
(…)
7 Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
8 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie

A G mr. Van Dorst
1
Bij arrest van het gerechtshof te Leeuwarden is verzoekster veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren wegens moord .
2
Namens verzoekster heeft mr F.A. Dronkers, advocaat te Leeuwarden, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3
Het eerste middel betreft de plaats waar het misdrijf is gepleegd.
4
Ter terechtziting in hoger beroep heeft de raadsman van verzoekster aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verzoekster het slachtoffer ‘te Klazienaveen, gemeente Emmen’ van het leven heeft beroofd. In dat verband is betoogd dat de steken weliswaar zijn toegebracht te Klazienaveen, maar dat de dood daar niet is ingetreden (het slachtoffer is overleden in het Scheperziekenhuis te Emmen). Het hof heeft hieromtrent het volgende overwogen en beslist: (enz.; zie onder Hof; red.)
5
Het gevoerde verweer vertoont gelijkenis met het eerste middel voorgesteld in HR NJ 1985, 821 m.n. ‘t H (tijd van het feit). Mutatis mutandis meen ik dat het hof terecht ervan is uitgegaan dat ‘opzettelijk van het leven beroven’ ook geschiedt ter plaatse waar degene die zich daaraan schuldig maakt met het opzet een ander te doden zijnerzijds datgene heeft gedaan wat tot de dood van het slachtoffer leidt en niet slechts ter plekke waar het slachtoffer aan het door de dader gepleegde geweld bezwijkt. Zie ook Cleiren/Nijboer, in T&C Strafrecht aant. 4 bij titel XIX; Hazewinkel-Suringa/Remmelink, 14e druk, p. 257. Daaraan doet niet af dat de steller der telastelegging het feit aan de hand van het ingetreden gevolg ook elders had kunnen lokaliseren. Het middel faalt dus.
(…)
10
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.