HR 08-05-1979, NJ 1979, 481 Arrest Danszaal Soranus
HR 08-05-1979, NJ 1979, 481 Arrest Danszaal Soranus
NJ 1979 , 481
HOGE RAAD (Strafkamer)
8 mei 1979 , nr. 70458.
(Mrs. Moons, Royer, Van den Blink, De Waard, Hermans).
DD 79.278.
DD 1979 , 278
Regeling
Sr. art. 48
Essentie
Medeplichtigheid; toereikend bewijs van voorwaardelijke opzet.
Samenvatting
Het door art. 48, lid 2, Sr. vereiste opzet is niet slechts dan aanwezig indien de medeplichtige bij het verschaffen van gelegenheid enz. ‘wist of behoorde te weten’ dat de dader voornemens was daarvan tot het plegen van het misdrijf gebruik te maken maar ook indien hij zich daarbij welbewust blootstelt aan de aanmerkelijke kans dat die gelegenheid enz. zal strekken tot het plegen van het misdrijf.
Tekst
Arrest, gewezen op het beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Hof te ’s Hertogenbosch van 23 okt. 1978 in de strafzaak tegen de verdachte Hubertus Nicolaas C., geboren te Swalmen op 13 juni 1955, wonende te Swalmen.
1
De bestreden uitspraak.
Het Hof heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Rb. te Roermond van 3 nov. 1977 — de verdachte t.z.v. ‘medeplichtigheid aan doodslag’ veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, met verbeurdverklaring van het in ’s Hofs arrest vermelde voorwerp.
2
Het cassatieberoep.
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft Mr. A.L.C.M. Oomen, adv. te ’s Gravenhage, het navolgende middel van cassatie voorgesteld:
‘Verzuim van vormen en/of schending en/of verkeerde toepassing van het recht en met name art. 175 Gw., art. 20 Wet RO, artt. 47, lid 1, 48 en 287 Sr. en artt. 338, 339, 350, 358 en 359 Sv. doordat het Hof in tegenstelling tot de Rb. het primair ten laste gelegde bewezen heeft verklaard zonder zulks te motiveren althans voldoende met redenen te omkleden naar de eisen der Wet althans dat de motieven de conclusies niet kunnen dragen.
Toelichting:
Uit geen van de gerelateerde processen-verbaal noch uit getuigenverklaringen kan als bewezen volgen dat H.N.C., toen hij zijn zakmes voor de zoveelste en laatste maal aan Jo M. gaf om evenals de vorige keren daarmee aan zijn wrat te peuteren, wist of behoorde te weten dat Jo M. daarmede het voornemen had Hans Blomen dood te steken of te mishandelen, zodat H.N.C. met het geven van het mes niet de opzet op het misdrijf heeft gehad en het misdrijf daardoor niet heeft willen bevorderen. De feiten dat H.N.C. ermede bekend was dat er spanningen bestonden tussen de familie M. en de familie Blomen en dat Jo M. vlak voor het begaan van het misdrijf het zakmes op gebiedende toon vroeg en dat H.N.C. het met bloed besmeerde mes met kracht wegwierp zijn ten ene male onvoldoende om opzettelijke behulpzaamheid vast te stellen. Ruzies bestaan wel meer tussen families. Van een vriend accepteert men eerder een gebiedende toon of is daaraan gewend. Niemand blijft graag met een met bloed besmeurd mes rondlopen. Geen van de getuigen hebben iets m.b.t. de opzet van H.N.C. kunnen verklaren.
3
De conclusie van het OM. (Enz. Red.).
4
Bewezenverklaring en gebezigde bewijsmiddelen.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard:
dat P.J.M. op 11 juli 1977 in de gem. Swalmen met het opzet J.A.M. Blomen van het leven te beroven deze Blomen opzettelijk met een mes eenmaal in het lichaam heeft gestoken, tengevolge waarvan deze J.A.M. Blomen zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat deze als gevolg daarvan is overleden, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, toen daar opzettelijk middelen heeft verschaft, hierin bestaande dat hij, verdachte, bovenbedoeld mes ter beschikking van genoemde M. heeft gesteld en aan deze heeft overhandigd.
Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:
A
een ambtsedig p.-v. van het Korps Rijkspolitie, district Roermond, van 19 juli 1977, bijlage (Rood) 72, opgemaakt door M.P. Beckers en W.J.M. Rovers, beiden wachtmeester der Rijkspolitie 1e klasse/districtsrechercheur, behorende tot de Recherchegroep Roermond, ter standplaats Herkenbosch, voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — als verklaring van de verdachte:
dat hij op zondag 10 juli 1977 met zijn vrouw en met Jo M. en diens vrouw naar de kermis Boukoul is gegaan; dat hij tevoren een mes in zijn broekzak heeft gestopt; dat zij gedurende de avond gezamenlijk heen en weer zijn getrokken tussen het cafe Maan, het cafe van Lei en de danszaal Soranus; dat zij toen, na sluitingstijd van cafe Maan, vanuit dit cafe naar de danszaal Soranus zijn gelopen;
dat hij, ter hoogte van cafe Lei, hoorde en zag dat er onenigheid was tussen de vrouw van Piet M. en Hans Blomen;
dat Jo M. toen tegen hem, verdachte, op gebiedende toon zei: ‘geeft mij het koutje’ of ‘geef mij het mes’; dat hij toen zijn mes uit zijn broekzak heeft gehaald en dit in gesloten toestand aan Jo M. heeft gegeven; dat hij toen zag dat Jo M. regelrecht op Hans Blomen afliep;
dat hij, toen Jo M. bij Hans Blomen kwam, zag dat Jo M. een slaande beweging met zijn rechterhand in de richting van Hans Blomen maakte;
dat hij zag, dat Jo M. Hans Blomen op zijn lichaam raakte;
dat Hans Blomen omviel nadat hij enige tijd met de handen op zijn buik in elkaar gekrompen had gestaan;
dat hij — verdachte — en de anderen in zijn gezelschap naar binnen zijn gegaan in de zaal achter cafe Soranus en dat Jo M. hen daar vertelde, dat hij Hans met zijn, verdachtes, mes gestoken had;
dat zij vervolgens weer naar buiten zijn gegaan en dat hij — verdachte — daar voor de uitgang van de zaal zijn mes in geopende toestand van Jo M. terugkreeg;
dat hij het mes toen met kracht heeft weggegooid
B
een p.-v. van verhoor van getuigen van 15 sept. 1977 door de R–C belast met de behandeling van strafzaken in voormelde Rb., voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — als verklaring van getuige Wijnand Margaretha Blomen in de zaak tegen P.J.M.: (Enz. Red.).
5
Beoordeling van het middel.
Blijkens de toelichting gaat het middel uit van de opvatting dat het door art. 48, sub 2e, Sr. vereiste opzet gericht op bevordering van de totstandkoming van het betrokken misdrijf slechts dan bij de medeplichtige aanwezig is indien deze bij het verschaffen aan de dader van gelegenheid, middelen of inlichtingen ‘wist of behoorde te weten’ dat deze laatste voornemens was daarvan tot het plegen van het misdrijf gebruik te maken.
Deze opvatting vindt evenwel geen steun in het recht, en met name niet in genoemde wetsbepaling, krachtens welke toch van het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen als daar bedoeld ook sprake is in het geval dat degene die het een of het ander verschaft zich daarbij welbewust blootstelt aan de aanmerkelijke kans dat die gelegenheid, middelen of inlichtingen zullen strekken tot het plegen van het misdrijf.
Het Hof heeft kennelijk geoordeeld — en o.g.v. de hiervoren onder 4 weergegeven inhoud der gebezigde bewijsmiddelen ook geredelijk kunnen oordelen dat een geval als evenbedoeld zich te dezen heeft voorgedaan, welk oordeel geen nadere redengeving behoeft.
Het middel wordt derhalve tevergeefs voorgesteld.
6
Slotsom.
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de HR ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het cassatieberoep worden verworpen.
7
Beslissing.
De HR verwerpt het beroep.
Conclusie Adv.-Gen. Mr. Remmelink.
In deze zaak waarin het Hof in appel req. heeft veroordeeld t.z.v. ‘medeplichtigheid aan doodslag’ (req. zou de doodslager het mes ter beschikking hebben gesteld), tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem een middel in cassatie voorgesteld, waarin erover wordt geklaagd, dat het Hof het opzet van req. bewezen heeft geacht. Toegegeven moet worden, dat het bewijs in dit opzicht niet overvloedig is. Wanneer wij met de heersende leer evenwel aanvaarden, dat onder ‘opzettelijk’ in art. 48 Sr. mede de vorm kan hebben van voorwaardelijk opzet (aldus ook Van Hamel-Van Dijck, p. 403; Van Hattum, p. 463; Hazewinkel-Suringa, zevende druk, p. 384; Noyon-Langemeijer I, zevende druk, p. 371; Noyen-Langemeijer, I, zesde druk, p. 344; Sch.-Schr., 19e druk, p. 388, met beroep op een arrest van het RG Evenzo Jescheck derde druk, p. 565; vermoedelijk anders, een ‘doelbewust’, bijzonder opzet, eisend: Vanhoudt-Calewaert II, 2e druk, p. 599, gelijk vroeger Noyon in de oudere drukken van de thans als Noyon-Langemeijer geciteerde commentaar op het wet boek van strafrecht), en derhalve aannemen, dat de medeplichtige, die zich bewust bloot stelt aan een aanmerkelijke kans, dat hij door zijn handeling de totstandkoming van het grondfeit bevordert (zie over deze formule van Uw Raad de aantekeningen van Nieboer bij diens belangrijke Tilburgse intreerede, Wetens en Willens, 1978, p. 18, waar o.m. wordt genoemd HR 9 nov. 1954, NJ 1955, 55; 26 febr. 1957, NJ 1957, 385; 26 juni 1962, NJ 1962, 10; 21 juni 1966, NJ 1966, 409 en 3 jan. 1978, NJ 1978, 627), zullen wij moeten toegeven, dat het Hof aan de hand van het gebezigde bewijsmateriaal tot zijn bewezenverklaring heeft kunnen komen. En dan is het de HR m.i. niet gegeven om dit feitelijk oordeel nader (op zijn juistheid) te toetsen.
Dat het Hof dit kansweten (Nieboer, o.c.), dit voorwaardelijk opzet, heeft kunnen bewezen achten zou ik in het bijzonder willen aantonen door te wijzen op de omstandigheid, dat req., toen hij en zijn mede-kermisgangers (onder wie Jo M.) na sluitingstijd van het ene cafe naar het andere (d.w.z. een danszaal) gingen en ter hoogte van nog een derde cafe (cafe Lei) hoorde en zag, dat er onenigheid was tussen de vrouw van Piet M. en Hans Blomen, kennelijk ook behorend tot voormelde groep, aan Jo M. op diens ‘gebiedende’ toon (‘geef mij het koutje’ of ‘geef mij het mes’) zijn mes heeft gegeven, waarop voormelde M., naar hij zag, regelrecht op Hans Blomen afliep (en deze vervolgens met het mes stak). Het komt mij voor, dat het Hof aan de hand van de regels van de menselijke ervaring heeft kunnen ‘aannemen’ (bewezen achten), dat als iemand onder dergelijke omstandigheden een mes aan iemand ter hand stelt, hij wel zal hebben beseft, dat de kans zeer reeel was, dat degene, die er om vroeg, dat op dat moment niet zou gaan gebruiken om aan een wrat te peuteren of iets dergelijks, maar om dat als (eventueel dodelijk) wapen te gebruiken. Het gedrag van req. nadat hij het mes had afgegeven, is — als men van de bewijsmiddelen kennisneemt — ook niet zodanig geweest dat hieruit is af te leiden, dat er iets gebeurde resp. gebeurd was, dat req. niet had verwacht. Ik denk voorts aan het weggooien van het mes, toen hij dat teruggekregen had. Tenslotte attendeer ik nog op de verklaring van de getuige Kremers, die stelt, dat req. het mes aan M. gaf ‘met gesloten vuist’. Hieruit zal het Hof hebben afgeleid: Als hier een mes was ter hand gesteld voor een onschuldig doel, zou het mes niet op deze wijze gegeven zijn.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.