HR 09-06-1981, NJ 1983, 412 Arrest Culpa in causa
HR 09-06-1981, NJ 1983, 412 Arrest Culpa in causa
NJ 1983 , 412
HOGE RAAD (Strafkamer)
9 juni 1981, nr. 72872.
(Mrs. Moons, Van den Blink,
De Waard, Hermans, Jeukens,
A-G Remmelink, m.nt. ThWvV).
DD 81.358.
m.nt. ThWvV
DD 1981, 358
Regeling
Sv art. 359 lid 1 en 3; Sr art. 37, 287
Essentie
1.
Verdachtes verklaring dat hij heeft gestoken met het oogmerk om het gillen van het slachtoffer te doen ophouden, is niet onverenigbaar met het bewezenverklaarde opzet om haar van het leven te beroven.
2.
Toetsing van het oordeel van de feitenrechter omtrent ontoerekeningsvatbaarheid.
3.
Ziekelijke storing van de geestesvermogens en verwijtbaarheid.
Samenvatting
Ad 2. In cassatie kan niet ten toets komen of het Hof terecht tot het — feitelijke — oordeel is gekomen, dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een zodanige ernstige geestelijke afwijking dat de verdachte dientengevolge tijdens het begaan van het bewezene van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken was.
Ad 3. Het Hof kon oordelen dat de doodslag aan verdachte kan worden toegerekend, ook al was hij ten tijde van het begaan daarvan lijdende aan een paranoïde psychose tengevolge van cocaïne-intoxicatie. De opvatting dat het bewezene slechts aan de verdachte zou kunnen worden toegerekend indien hij zou hebben ‘geweten of begrepen’ dat hij na het gebruik van cocaïne in een toestand kon geraken waarin hij de draagwijdte van zijn handelen niet meer zou kunnen overzien, vindt geen steun in het recht. Met juistheid heeft het Hof i.c. beslissend geoordeeld of de verdachte ‘verwijtbaar’ is komen te verkeren in een toestand van ziekelijke storing van zijn geestesvermogens, terwijl het tot een bevestigende beantwoording van deze vraag is kunnen komen op grond van de vastgestelde omstandigheden.
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Hof te Amsterdam van 29 dec. 1980 in de strafzaak tegen Joan Paulus G., geboren te Amsterdam op 8 aug. 1960, te Amsterdam.
1
De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Rb. te Amsterdam van 30 nov. 1979 — de verdachte ter zake van ‘doodslag’ veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf.
2
Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. J.Th. Vermeulen, adv. te ’s Gravenhage, de navolgende middelen van cassatie voorgesteld:
I
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften omdat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen het opzet van verzoeker om Maria Bolten opzettelijk van het leven te beroven niet kan volgen.
Toelichting.
Het Hof concludeert uit de gedragingen van verzoeker zoals deze zijn gerelateerd in de door verzoeker voor het Hof afgelegde verklaring en welke door het Hof als bewijsmiddel is gebezigd dat verzoeker het opzet had om te doden. Uit de verklaring blijkt echter niet, dat bij verzoeker het opzet voor zat om te doden. Weliswaar zijn de gedragingen op zichzelf van dien aard, dat daarvan de dood het gevolg kan zijn, maar uit de verklaring blijkt tevens dat verzoeker de messteken toediende om het gillen van het slachtoffer te doen stoppen.
Alhoewel niet gebezigd als bewijsmiddel is in dit verband toch van belang kennis te nemen van een passage uit de verklaring van de getuige deskundige Dr. Alex Meijer, afgelegd ter zitting van het Hof op 15 dec. 1980 en luidende: ‘Toen verdachte zijn grootmoeder met een mes stak, gebeurde dit onder invloed van een prikkel — te weten het geschreeuw dat zij toen voortbracht — en hij wilde deze prikkel zodoende elimineren.
In het door het Hof gebezigde psychiatrisch rapport van Dr. Meijer van 24 sept. 1979 komt een beeld van verzoeker naar voren hetwelk het opzet tot doden al zeer onwaarschijnlijk maakt mede in verband met de vertrouwensrelatie, welke hij met zijn grootmoeder had.
Dr. Meijer concludeert dat ook ‘Deze daad is niet goed te rijmen met zijn karakter. Een man die bevreesd is voor geweld’, terwijl de behandelend psychiater Dr. R. Tonneijck over verzoeker mededeelde ‘Ik heb hem leren kennen als een zeer verlegen en depressieve jongen. Ik was zeer verbaasd toen ik hoorde wat er gebeurd was. Zo iets had ik nooit verwacht of voor mogelijk gehouden.’ (rapport Dr. Meijer p. 2).
II
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften omdat het Hof op de in het arrest vermelde gronden beslist dat de ten tijde van het plegen van het bewezene, opgetreden ziekelijke storing van verzoekers geestvermogens aan verzoeker te wijten is, zodat de in deze toestand bedreven handelingen aan hem moeten worden toegerekend.
Toelichting.
Het Hof passeerde het door verzoeker gevoerde verweer dat hem op grond van de ziekelijke storing van zijn geestvermogens het ten laste gelegde niet kan worden toegerekend.
Het Hof kwam tot zijn beslissing omdat verzoeker verwijtbaar in die toestand is komen te verkeren.
Het Hof geeft voor die beslissing drie gronden. Bij de beoordeling hiervan moet ervan worden uitgegaan dat toerekenbaarheid insluit dat men de draagwijdte van zijn handelen kan bepalen. De eerste en derde door het Hof genoemde gronden geven een aantal gevolgen weer, die zich bij verzoeker voordeden na cocainegebruik. Deze zijn echter niet van dien aard dat gezegd kan worden dat verzoeker zich dientengevolge in een dusdanige toestand bevond, waarvan hij moet hebben geweten of begrepen, dat hij na cocainegebruik de draagwijdte van zijn handelen niet meer kon bepalen.
Als tweede grond vermeldt het Hof dat het van algemene bekendheid is:
dat cocaine een stof is waarvan de Wetgever wegens de daaraan voor de volksgezondheid verbonden gevaren zelfs het enkele aanwezig hebben heeft verboden;
dat zowel heroine als cocaine bij gebruik van enige duur de wil van gebruiker en het normbesef van deze (kunnen) aantasten.
Ook al is cocaine een stof waarvan het enkele aanwezig hebben bij de Wet verboden is wegens de daaraan voor de volksgezondheid verbonden gevaren, dan wil dat nog niet zeggen, dat dit van algemene bekendheid is en zeker niet dat deze jeugdige, uit een eenvoudig Amsterdams gezin afkomstige verdachte hiermede bekend was. Maar bovendien zelfs al zou verzoeker wel bekend zijn geweest met het feit dat het aanwezig hebben van cocaine bij de Wet verboden is wegens de daaraan voor de volksgezondheid verbonden gevaren, dan houdt dit nog niet in, dat verzoeker na gebruik van cocaine moet hebben geweten of begrepen dat hij in een toestand kon komen te verkeren waarin hij de draagwijdte van zijn handelen niet meer kon begrijpen.
Het hierboven vermelde rapport van Dr. Meijer vermeldt op p. 4: ‘De uitwerking van deze drug is — helaas — vrij onbekend, zowel bij gebruikers als bij behandelaars.’ ‘Het is niet zo dat de uitwerking van dit middel in de ‘sien’ goed bekend is, dit in tegenstelling met bijvoorbeeld heroine of alcohol.’
Hetgeen hiervoor is opgemerkt geldt mede omtrent de door het Hof aangenomen algemene bekendheid dat zowel heroine als cocaine bij gebruik van enige duur de wil van de gebruiker en het normbesef van deze (kunnen) aantasten’.
3
De conclusie van het OM (enz. Red)
4
Bewezenverklaring, gebezigde bewijsmiddelen en nadere motivering van de bewezenverklaring
4.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
dat hij te Amsterdam op of omstreeks 26 juli 1979 opzettelijk M. Bolten van het leven heeft beroofd door haar met een mes met kracht op een zodanige wijze in de hals te steken dat daardoor een diepe steekwond ontstond, waarbij een zodanige bloeding is opgetreden dat M. Bolten is overleden.
4.2
Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen: (enz. Red.)
4.3
Ten aanzien van de bewezenverklaarde opzet heeft het Hof voorts nog overwogen:
dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd, dat deze ten tijde van het begaan van het bewezene verkeerde in een toestand van paranoide psychose als gevolg waarvan hij geen opzet kan hebben gehad een ander te doden;
dat echter de gedragingen van de verdachte — zoals weergegeven in zijn hierboven vermelde verklaring — van dusdanige aard zijn dat hij moet worden geacht te hebben gehandeld met het opzet om te doden;
dat dit slechts anders zou zijn ingeval zich bij verdachte zou hebben voorgedaan een zodanige ernstige geestelijke afwijking dat hij — dientengevolge — tijdens het plegen van het bewezene van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken;
dat echter niet aannemelijk is geworden dat zodanig geval zich heeft voorgedaan.
5
Overwegingen van het Hof ten aanzien van de toerekenbaarheid van de verdachte
Dienaangaande heeft het Hof overwogen:
dat een rapport van sept. 1979 omtrent de geestvermogens van de verdachte, opgemaakt door A. Meyer, psychiater te Amsterdam op diens eed als vaste gerechtelijke deskundige, als conclusie inhoudt — zakelijk —, dat de verdachte ten tijde van het plegen van het hem telastegelegde lijdende was aan een ziekelijke storing zijner geestvermogens, bestaande uit een paranoide psychose als gevolg van een cocaine intoxicatie, welke conclusie het hof met de daarvoor in dat rapport aangevoerde gronden overneemt; dat de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht dat op grond van deze conclusie het telastegelegde niet aan de verdachte kan worden toegerekend;
dat het Hof dit standpunt niet deelt;
dat toch de verdachte aansprakelijk is voor zijn tijdens een toestand van ziekelijke storing zijner geestvermogens bedreven handelingen, indien hij verwijtbaar in die toestand is komen te verkeren;
dat voor de beoordeling hiervan het volgende van belang is:
1
verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven:
dat hij voor het begaan van het bewezene langdurig heroine en geruime tijd cocaine heeft gebruikt, een en ander in aanmerkelijke hoeveelheden;
dat hij van tijd tot tijd sindsdien meende verschijnselen waar te nemen waarvan hij (telkens even later) begreep dat zij in werkelijkheid niet plaatsvonden en zo bijvoorbeeld meende waar te nemen dat in zijn kamer thuis de regen naar binnen viel door het plafond heen;
dat hij — evenmin — kort voor het begaan van het bewezene een extra dosis heroine en een zeer grote dosis cocaine in zijn lichaam heeft gespoten, waardoor hij zich nog onrustiger dan tevoren en ‘opgefokt’ voelde;
2
het is van algemene bekendheid:
dat cocaine een stof is waarvan de wetgever wegens de daaraan voor de volksgezondheid verbonden gevaren zelfs het enkele aanwezig hebben heeft verboden;
dat zowel heroine als cocaine bij gebruik van enige duur de wil van de gebruiker en het normbesef van deze (kunnen) aantasten;
3
voormeld psychiatrisch rapport houdt als verslag van het door de psychiater verrichte onderzoek o.m. in dat verdachte bij gebruik van cocaine wel ging fantaseren over bankovervallen en vuurwapens — iets waaraan hij ‘normaal’ (naar het Hof begrijpt: voor en na elke cocaine roes) niet zou durven denken;
dat op grond van een en ander verdachte geacht moet worden een zodanig inzicht te hebben gehad in de gevaren van cocaine voor en de uitwerking ervan op zijn geestvermogens dat geoordeeld moet worden dat de — ten tijde van het plegen van het bewezene — opgetreden ziekelijke storing zijner geestvermogens aan de verdachte te verwijten is, zodat de in die toestand bedreven handelingen aan hem moeten worden toegerekend’.
6
Beoordeling van het eerste middel
Uit de hiervoren onder 4.2. weergegeven inhoud van de aldaar vermelde bewijsmiddelen — inzonderheid uit de aldaar sub A weergegeven verklaring van de verdachte — heeft het Hof geredelijk kunnen afleiden, dat de verdachte heeft gehandeld met het opzet om M. Bolten van het leven te beroven.
Anders dan het middel betoogt doet hieraan niet af, dat evenbedoelde verklaring van de verdachte o.m. inhoudt, dat hij, verdachte, M. Bolten verscheidene malen met het mes heeft gestoken om, toen zij was begonnen te gillen, ‘dit gillen te doen stoppen’, aangezien laatstbedoeld oogmerk niet onverenigbaar is met het bewezenverklaarde opzet om haar van het leven te beroven.
Tevergeefs beroept het middel zich voorts nog op de daarin aangehaalde gedeelten van de verklaring van de getuige-deskundige Dr. A. Meijer en het door deze uitgebrachte psychiatrisch rapport. Immers het Hof heeft, door te overwegen zoals hiervoren onder 4.3 is weergegeven, het in die overwegingen vermelde verweer van de raadsman verworpen op gronden welke deze verwerping kunnen dragen, terwijl in cassatie niet ten toets kan komen of het Hof terecht tot het — feitelijke — oordeel is gekomen, dat niet aannemelijk is geworden, dat te dezen sprake is geweest van een zodanig ernstige geestelijke afwijking dat de verdachte dientengevolge tijdens het begaan van het bewezene van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken was.
Het middel faalt derhalve.
7
Beoordeling van het tweede middel
Op grond van de hiervoren onder 5 weergegeven overwegingen is het Hof tot het oordeel kunnen komen, dat het bewezenverklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, ook al was hij tijdens het begaan daarvan lijdende aan een paranoide psychose tengevolge van cocaine intoxicatie.
Voor zover het middel betoogt, dat het bewezene slechts dan aan de verdachte zou kunnen worden toegerekend, indien hij zou hebben ‘geweten of begrepen’, dat hij na het gebruik van cocaine en/of heroine in een toestand kon geraken waarin hij de draagwijdte van zijn handelen niet meer zou kunnen overzien, stelt het een eis welke steun vindt in het recht. Met juistheid heeft het Hof te dezen beslissend geoordeeld, of de verdachte ‘verwijtbaar’ is komen te verkeren in een toestand van ziekelijke storing van zijn geestvermogens, terwijl het — anders dan het middel betoogt — tot een bevestigende beantwoording van laatstbedoelde vraag is kunnen komen op grond van de in zijn overwegingen onder 1., 2. en 3. vermelde, in onderlinge samenhang beschouwde omstandigheden.
Het middel treft mitsdien geen doel.
8
Slotsom
Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de HR ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
9
Beslissing
De HR verwerpt het beroep.
Conclusie
A.G. Mr. Remmelink
In deze zaak waarin het Hof requirant in appel heeft veroordeeld ter zake van ‘doodslag’ (requirant zou een vrouw — zijn grootmoeder — met een mes hebben doodgestoken) tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaar, tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens hem twee middelen van cassatie voorgesteld.
In middel I klaagt requirant erover, dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet het opzet (op de dood) bewezen heeft kunnen achten. Het komt mij voor, dat zulks wel het geval is, omdat, wie een ander met een mes steekt redelijkerwijze zal hebben beseft, dat de dood van het slachtoffer dan geredelijk kan volgen. Vgl. 12 mei 1964, NJ 1965, 12. Zulks is alleen anders, indien bij de dader elk inzicht in de draagwijdte van zo’n gedraging en de mogelijke gevolgen daarvan zou ontbreken. Vgl. HR 22 juli 1963, NJ 1968, 217. De geeerde steller van het middel doet in dit opzicht nog wel een beroep op enkele passages uit een verklaring resp. een rapport van de psychiater Meijer, maar deze doen reeds deswege niet ter zake, omdat door het Hof niet zijn vastgesteld.
In middel II wordt de culpa in causu-argumentatie aangevallen, die het Hof bezigt om requirant toch zijn ziekelijke stoornis der geestvermogens te kunnen toerekenen.
Allereerst gaat het daarbij om de stelling van het Hof, dat requirant telkens geconfronteerd werd met het verschijnsel van waandenkbeelden of hallucinaties kennelijk als gevolg van het gebruik van verdovende middelen, en dat hij niettemin kort voor het begaan van het onderhavige feit een extra dosis heroine en een zeer grote dosis cocaine in zijn lichaam heeft gespoten. Mij dunkt, dat het Hof hieruit geredelijk heeft kunnen afleiden, dat requirant een verwijt trof voor het komen te verkeren in de betreffende geestestoestand. Voorts om de stelling van het Hof, dat het van algemene bekendheid is, dat cocaine een stof is, waarvan de wetgever wegens de daaraan voor de volksgezondheid verbonden gevaren zelfs het enkele aanwezig hebben heeft verboden, en dat zowel heroine als cocaine bij gebruik van enige duur de wil van de gebruiker en het normbesef van deze (kunnen) aantasten. Ook dit lijkt mij een houdbare stelling. Ik kan mij nauwelijks voorstellen, dat er een jongmens in Nederland rondloopt, die daarvan geen besef zal hebben. Met andere woorden Uw Raad zal zich bij deze laatste vaststelling van het Hof eveneens moeten neerleggen. Ook hier doet requirant nog een beroep op een (wat ‘afzwakkende’) passage uit de verklaring van voormelde psychiater, maar ook hier geldt, dat hiervan in cassatie niets vaststaat.
Beide middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
Noot
1
Aan de redactie van de NJ is gebleken dat dit arrest voor de rechtstoepassing van bijzondere betekenis wordt geacht en dat is voor haar de reden alsnog tot publikatie over te gaan. Het gaat om de wijze waarop het Hof in Amsterdam het opzet heeft bewezen en om de motivering van de verwerping van het beroep op ontoerekeningsvatbaarheid van de dader.
Het Hof heeft vastgesteld, dat de dader met een mes heeft gestoken, net zo lang tot het gillende slachtoffer rochelend op de grond lag, om, naar hij zegt aan het gillen een eind te maken. Wie zo handelt moet geacht worden te hebben willen doden. Het Hof hanteert daarmee in feite het voorwaardelijk opzet. Pas als zou zijn aannemelijk geworden dat de dader niet kon hebben begrepen, dat door het steken met een mes de dood van zijn slachtoffer kon worden veroorzaakt zou het Hof de opzet niet bewezen hebben geacht. Maar uit de verklaring van de verdachte blijkt eerder het tegendeel.
Deze opvatting is de gangbare en zij past geheel in het systeem van ons strafwetboek. Opzet laat zich het best omschrijven als ‘niet bij ongeluk’, als doelgericht handelen. Bij doodslag wordt niet meer vereist dan dit opzet. Het oogmerk dat de dader heeft gehad is niet relevant. Al is opzet een geestesgesteldheid, het opzet kan worden bewezen uit omstandigheden. De ervaring met waarneming van menselijk gedrag is daarbij beslissend. (bijv. HR 12 mei 1964, NJ 1965, 26; zie verder Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1981, blz. 152 e.v.).
2
De rechter staat even vrij tegenover wat deskundigen verklaren als tegenover wat getuigen en verdachten verklaren. In cassatie kan niet met enig succes worden geklaagd over de waarde die de rechter aan die verklaringen heeft toegekend. Die grens is in de middelen niet strikt in acht genomen. Wel kan de redegeving in het arrest zelf op zijn consistentie worden aangevallen, zoals in dit geval ook is gebeurd.
Het Hof heeft geconstateerd, dat de dader gebruiker was van verdovende middelen en de werking daarvan kende. Bovendien is vastgesteld door het Hof, dat de dader voor het plegen van zijn daad verdovende middelen heeft gebruikt.
Dan is de dader strafrechtelijk aansprakelijk voor wat hij doet. Het arrest biedt een schoolvoorbeeld van culpa in causa. Het sluit geheel aan bij de gangbare opvatting over de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor delicten in dronkenschap begaan.
Een andere opvatting is, gezien haar consequenties niet aanvaardbaar. Zij zou er toe leiden, dat het gebruik van alcohol en andere de geest beinvloedende stoffen een ‘vrijbrief’ voor het plegen van delicten zou worden. Wie deze middelen gebruikt en daarmee anderen blootstelt aan de gevolgen van zijn ongecontroleerde gedragingen, moet weten, dat hij zich bloot stelt aan bestraffing. De aansprakelijkheid schuift naar voren, naar het moment dat de dader middelen of drank gebruikt. Dat deze verschuiving vanuit de persoon van de dader gezien vlekkeloos billijk is, kan op goede gronden worden verdedigd. Maar vanuit de samenleving en vanuit de slachtoffers gezien, zit er niets anders op en is zij redelijk. Heel bewust is de storing van de geestvermogens door alcoholgebruik buiten art. 37 Sr gehouden (zie Hazewinkel-Suringa/Remmelink, 1981, blz. 220 e.v.). Alcoholgebruik is in art. 36 lid 3 WVWals een strafverzwarende omstandigheid opgenomen.