HR 10-02-2004, NJ 2004, 286 Arrest Caferuzie

HR 10-02-2004, NJ 2004, 286 Arrest Caferuzie

NJ 2004 , 286
HOGE RAAD (Strafkamer)
10 februari 2004 , nr. 00536/03 J
(Mrs. W.J.M. Davids, F.H. Koster, G.J.M. Corstens; A-G Vellinga; m.nt. YB)

m.nt. YB
JOL 2004 , 84

Regeling

Sr art. 41

Essentie

De omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, behoeft niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.
Ontkennen van het feit en noodweerexces.

Tekst

Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch van 11 december 2002, nummer 20/000687–02, in de strafzaak tegen: Van H., adv. mrs. J. Goudswaard en B.S. Schnier.
HOF:
1 De uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep de verdachte ter zake van ‘zware mishandeling’ veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 140 uren, in plaats van drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
CASSATIEMIDDEL:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt. In het bijzonder zijn de art. 358, 359 en 415 Sv geschonden, doordat het Hof het beroep op noodweer dan wel noodweerexces heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
TOELICHTING
Ten aanzien van verzoekster is bewezenverklaard dat zij aan C. opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door deze opzettelijk met een kapot glas in diens gezicht te steken.
Verzoekster heeft het tenlastegelegde ontkend. Haar raadsman heeft primair een bewijsverweer gevoerd en subsidiair een beroep op noodweer (exces) gedaan.
Het Hof heeft dit beroep als volgt verworpen:
Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de aanleiding voor het handelen van verdachte was, dat zij zich bedreigd voelde door de houding van C., dat haar vriend klappen kreeg van die C., dat het overvolle café zich tegen verdachte en haar vriend keerde en dat zij zich bevond in een situatie waarin zij niet kon vluchten. Door een eerdere gewelddadige ervaring zou zij in paniek zijn geraakt.
Het hof verwerpt dit verweer. Door de verdachte is niet alleen ontkend dat zij met opzet C. met een glas in het gezicht zou hebben gestoken, maar ook dat zij een glas heeft vastgehouden toen C. in het gezicht werd gestoken. De verdachte heeft verklaard dat zij haar vriend, die gevallen zou zijn ten gevolge van hem toegediende klappen, heeft vastgehouden. De haar ten laste gelegde handeling heeft zij derhalve ten stelligste ontkend. Gelet daarop ontbreekt aan het namens haar gedane beroep op noodweer dan wel noodweerexces de feitelijke grondslag.
Procesrechtelijk moet het altijd mogelijk zijn om een verweer in een primaire en subsidiaire vorm te gieten. Dit geldt ook voor een verweer dat primair ontkenning van daderschap of van opzet inhoudt en subsidiair een beroep op noodweer dan wel noodweerexces. Dat dergelijke verweren niet geheel in elkaars verlengde liggen, doet daaraan niet af (vgl. de noot van de De Hullu bij HR 31 oktober 2000, NJ 2001, 11).
Het feit dat verzoekster heeft ontkend ontneemt aan het beroep op noodweer (exces) niet per definitie zijn feitelijke grondslag. De ontkenning van verzoekster kan diverse redenen hebben gehad: zij zou, gelet op de toenmalige panieksituatie, een vertekende herinnering aan de gebeurtenissen kunnen hebben, terwijl het eveneens mogelijk is dat zij bang was om de feitelijke toedracht te vermelden. Kennelijk heeft de raadsman met deze en dergelijke mogelijkheden rekening gehouden, nu hij het oordeel van het Hof vroeg over de vraag of er sprake was van een noodweer of noodweerexcessituatie, voor het geval het feit wèl bewezen zou worden verklaard. Door het beroep reeds op voorhand te verwerpen en niet inhoudelijk hierop in te gaan, heeft het Hof de mogelijkheid van dit beroep in feite bij voorbaat uitgesloten, hetgeen verzoekster onjuist voorkomt (vgl. conclusie A G Fokkens voor bovengenoemd arrest).
Bovendien verdraagt de overweging van het Hof dat het beroep op noodweer (exces) feitelijke grondslag mist op grond van de ontkenning van verzoekster zich niet met het feit dat het Hof blijkens zijn bewezenverklaring wèl van oordeel is dat verzoekster het tenlastegelegde feit heeft gepleegd.
’s Hofs verwerping van het beroep op noodweer (exces) is dan ook niet naar behoren gemotiveerd.
HOGE RAAD:
3 Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt dat het Hof het beroep op noodweer(exces) op ontoereikende gronden heeft verworpen.
3.2.1
Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
zij op 30 april 2000 te Kortgene, gemeente Noord-Beveland, aan een persoon, genaamd E., opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een ernstige oogbeschadiging) heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een kapot glas in diens gezicht te steken.
3.2.2
De in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsvoering luidt, voorzover nu van belang, als volgt:
3
De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 27 november 2002, houdt onder meer zakelijk weergegeven in:
Op 30 april 2000 ben ik met O. en zijn vrouw en mijn vriend IJ naar café ’‘t Kompas’ in Kortgene gegaan.
4
De verklaring van de getuige L., afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 27 november 2002, houdt onder meer zakelijk weergegeven in:
Op 30 april 2000 was ik aanwezig in het café ’‘t Kompas’ te Kortgene toen daar een vechtpartij plaatsvond. Ik kende toen IJ en de verdachte Van H.. Zij waren ook in het café aanwezig. Ik hoorde en zag dat de verdachte tegen de toenmalige vriendin van M. schreeuwde. M. is er toen bij gekomen en daarna is de ruzie geëscaleerd. De verdachte schreeuwde tegen iedereen die zich met het opstootje bemoeide. Zij was opgefokt. E. gaf IJ. een tikje tegen zijn schouder. Ik heb gezien dat de verdachte met twee stukken glas in haar handen tegen elkaar stond te slaan. Dat was vlak voordat E. naar haar, IJ. en M. toeliep. Toen E. op de schouder van IJ. tikte, zag ik dat de verdachte met een glas in haar hand over de schouder van IJ. heen E. in een oog stak. Ik stond op een tafel en kon het gebeuren goed zien. Ik zag dat E. een afwerende beweging maakte en daarna terugdeinsde. Hij reageerde alsof hij iets voelde.
5
Een proces-verbaal van verhoor van politie Zeeland, Oosterscheldebekken, nummer PL1950/00–314565, d.d. 5 juni 2000, in de wettelijke vorm opgemaakt door J. Bakker, hoofdagent van politie, houdt onder meer zakelijk weergegeven in:
als de op 5 juni 2000 afgelegde verklaring van K.:
Op 30 april 2000 was ik in het café ’‘t Kompas’ te Kortgene. Op een gegeven moment zag ik dat er een opstootje was. Ik zag dat de vriendin van IJ. tegen E. stond te schreeuwen en te gillen. Ik zag toen dat die vriendin van IJ. met twee glazen in haar hand stond. Ik zag dat ze met een hand uithaalde naar E. die vlak bij haar stond.
6
Een proces-verbaal van verhoor van politie Zeeland, Oosterscheldebekken, nummer PL1950/00–314565, d.d. 17 juni 2000, in de wettelijke vorm opgemaakt door J. Bakker, hoofdagent van politie, houdt onder meer zakelijk weergegeven in:
als de op 17 juni 2000 afgelegde verklaring van H.:
Van 29 april 2000 op 30 april 2000 was ik in café ’‘t Kompas’ in Kortgene. IJ. was met zijn vriendin Van H. binnen gekomen. Ik zag dat er een opstootje was bij de bar en het tafeltje waar IJ. en Van H. zaten. Ik zag dat M. naar IJ. toeliep. M. en IJ. kregen ruzie. Ik zag toen dat M. werd vastgepakt en door S. mee naar buiten werd genomen. Toen kwam E. aangelopen. Ik zag dat Van H. twee glazen in haar hand had. Eén van de glazen sloeg ze kapot op de tafel. Ik zag toen dat ze met het kapotte glas voor zich uit zwaaide. Dat was toen E. tegenover IJ. stond. Ze zwaaide met het glas vlakbij E. E. werd vervolgens door omstanders weggeduwd. Nadat E. naar buiten was gebracht, zag ik dat er glas in zijn rechteroog zat en dat zijn ooglid bloedde als gevolg van een snee.
3.3
In het bestreden arrest heeft het Hof de in het middel bedoelde verweren als volgt samengevat en verworpen:
Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de aanleiding voor het handelen van verdachte was, dat zij zich bedreigd voelde door de houding van E., dat haar vriend klappen kreeg van die E., dat het overvolle café zich tegen verdachte en haar vriend keerde en dat zij zich bevond in een situatie waarin zij niet kon vluchten. Door een eerdere gewelddadige ervaring zou zij in paniek zijn geraakt.
Het hof verwerpt dit verweer. Door de verdachte is niet alleen ontkend dat zij met opzet E. met een glas in het gezicht zou hebben gestoken, maar ook dat zij een glas heeft vastgehouden toen E. in het gezicht werd gestoken. De verdachte heeft verklaard dat zij haar vriend, die gevallen zou zijn ten gevolge van hem toegediende klappen, heeft vastgehouden. De haar ten laste gelegde handeling heeft zij derhalve ten stelligste ontkend.
Gelet daarop ontbreekt aan het namens haar gedane beroep op noodweer dan wel noodweerexces de feitelijke grondslag.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.
3.4
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg behoeft te staan. Voorzover het middel ervan uitgaat dat het Hof dat heeft miskend, berust het op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak.
In de in het middel aangevallen overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat, mede gelet op de ontkenning door de verdachte van de aan haar verweten gedraging, de door de verdediging aan die — subsidiair gevoerde — verweren ten grondslag gelegde lezing van de gebeurtenissen niet aannemelijk is geworden.
Dat oordeel is tegen de achtergrond van ’s Hofs in de gebezigde bewijsmiddelen vervatte vaststellingen omtrent de feitelijke toedracht — die onder meer een weerlegging inhouden van de door de verdediging betrokken stelling dat verdachtes vriend van E. klappen heeft gekregen — niet onbegrijpelijk, terwijl het in cassatie niet verder kan worden getoetst.
Het Hof heeft de verwerping van het beroep op noodweer en noodweerexces daarom toereikend gemotiveerd, zodat het middel faalt.
4 Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie

A G mr. Vellinga
6
Het Hof heeft het in het middel bedoelde beroep als volgt samengevat en verworpen:
Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de aanleiding voor het handelen van verdachte was, dat zij zich bedreigd voelde door de houding van E., dat haar vriend klappen kreeg van die E., dat het overvolle café zich tegen verdachte en haar vriend keerde en dat zij zich bevond in een situatie waarin zij niet kon vluchten. Door een eerdere gewelddadige ervaring zou zij in paniek zijn geraakt.
Het hof verwerpt dit verweer. Door de verdachte is niet alleen ontkend dat zij met opzet E. met een glas in het gezicht zou hebben gestoken, maar ook dat zij een glas heeft vastgehouden toen E. in het gezicht werd gestoken. De verdachte heeft verklaard dat zij haar vriend, die gevallen zou zijn ten gevolge van hem toegediende klappen, heeft vastgehouden. De haar ten laste gelegde handeling heeft zij derhalve ten stelligste ontkend. Gelet daarop ontbreekt aan het namens haar gedane beroep op noodweer dan wel noodweerexces de feitelijke grondslag.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.
7
Deze overweging van het Hof moet als volgt worden verstaan. Als verdachte naar haar zeggen geen glas heeft vastgehouden en daarmee vervolgens E. niet in het gezicht heeft gestoken doch zij volgens haar zeggen haar vriend heeft vastgehouden, dan valt niet in te zien hoe zij de bewezenverklaarde handeling als handeling ter verdediging van haar vriend en/of haarzelf tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door E. heeft verricht. In haar lezing van de gebeurtenissen heeft zij zich juist niet verdedigd. Dat betekent dat niet aannemelijk is geworden dat zij de bewezenverklaarde handeling heeft verricht ‘ter verdediging’, dat wil zeggen dat de voor noodweer vereiste verdedigingswil* [1] niet aanwezig was. Daarmee ontbreekt aan het beroep op noodweer c.q. noodweerexces de feitelijke grondslag.
8
De onderhavige zaak onderscheidt zich van het in het middel genoemde arrest HR 31 oktober 2000, NJ 2001, 11 m.nt. JdH door de omstandigheid dat in laatstgenoemde zaak verdachte zijn handelen als zodanig niet ontkende — er zou in zijn beleving sprake zijn geweest van een ongeluk en niet van een opzettelijke handeling — hetgeen het beroep op noodweer voor wat betreft de feitelijke grondslag daarvan op zichzelf nog niet behoefde uit te sluiten, terwijl in de onderhavige zaak verdachte blijkens de vaststellingen van het Hof nu juist de tenlastegelegde gedragingen geheel en ten stelligste heeft ontkend. Dat laatste staat in de weg aan de aannemelijkheid van haar bewering dat zij de bewezenverklaarde handeling ter verdediging had verricht.
9
In de schriftuur wordt nog gesteld, dat verdachtes processuele opstelling aldus moet worden verstaan dat zij ontkent het tenlastegelegde te hebben gepleegd, doch als de rechter wel tot een bewezenverklaring zou komen dat zij dan een beroep op noodweer c.q. noodweerexces doet. Het Hof heeft de verklaring van verdachte en het betoog van haar raadsman, gezien in onderling verband en samenhang, niet zo begrepen en zo ook niet behoeven te begrijpen. Juist omdat verdachte ieder handelen tegen E. ontkent valt niet in te zien hoe daarmee te rijmen valt dat als eenmaal komt vast te staan dat zij E. wel zwaar heeft mishandeld, zij die mishandeling heeft gepleegd ter verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van E. Kennelijk heeft verdachtes raadsman dit aan een beroep op noodweer(exces) verbonden zwakke punt wel aangevoeld, want hij betoogt niet dat verdachte een beroep op noodweer(exces) doet, maar stelt dat als het feit wordt bewezenverklaard, zij heeft gehandeld onder druk van omstandigheden die meebrengen dat haar een beroep op noodweer(exces) toekomt. Die omstandigheden beschrijft hij niet als enige agressieve handeling van E. jegens verdachte en/of een ander maar als de algemene dreiging die uitging van de situatie waarin verdachte zich bevond.
10
Een en ander brengt mee, dat ’s Hofs verwerping van het beroep op noodweer c.q. noodweerexces, niet onbegrijpelijk is, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en geen nadere motivering behoeft.
11
Het middel faalt.

Noot

1
Verdachte beweert het slachtoffer niet te hebben gestoken en beweert voorts het slachtoffer te hebben gestoken uit noodweer(exces). Deze verweren zijn onverenigbaar. De vraag is hoe de rechter daarmee om moet gaan.
Ouders zijn in dergelijke gevallen (‘ik sloeg Pietje niet, maar hij sloeg eerst’), geneigd in de onverenigbaarheid aanleiding te zien om de gehele ontkenning van het kind te verwerpen en het beroep op noodzaak of excuus niet nader te onderzoeken wegens ‘kennelijke leugenachtigheid’ van hun kind.
In rechte — zo leert de Hoge Raad in r.o. 3.4 — behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlaste gelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.
2
Dat lijkt juist, al was het maar omdat we in rechte niet van de verdachte (zoals van een kind) mogen eisen dat hij volledig oprecht is (art. 29 Sv): waarom zou de verdachte in zijn verdediging de rechter niet voor een dilemma mogen stellen? ‘Of ik heb het niet gedaan, of ik heb het wel gedaan maar kon het niet helpen. In beide gevallen moet ik vrijuit gaan’.
Een logisch juiste benadering van zo’n dilemma is dat de rechter het dilemma bij de horens neemt en toetst of beide proposities juist zijn. Een andere nu niet ter zake doende mogelijkheid is dat het dilemma wordt getoetst door te onderzoeken of er een alternatief voor het onvermijdelijk lijkende gevolg bestaat. Als bij toetsing van de proposities blijkt dat het ene argument het andere ‘opeet’ (in de retorica wordt gesproken van autofagie; Ch. Perelman, Retorica en argumentatie, Ambo 1979, p. 63) is het — zoals ook in deze casus — eenvoudig degene die zich verweert belachelijk te maken. Maar als men dat doet gaat men zelf ook ‘retorisch’ te werk met een argumentum ad hominem. Men zou dan haast vergeten dat het ook mogelijk is dat de onverenigbaarheid slechts in abstracto bestaat, maar niet als de argumenten concreet worden onderzocht.
3
De juistheid van die ook door de Hoge Raad gewenste benadering is met voorbeelden te staven. Zo stelde A G Fokkens reeds in zijn conclusie bij HR 31 oktober 2000, NJ 2001, 11 m.nt JdH dat het ontkennen van (voorwaardelijk) opzet op bijvoorbeeld zwaar lichamelijk letsel niet per definitie onverenigbaar is met een beroep op noodweer. Voorts meen ik dat gijzelaars die na kalm beraad, dat zij ontkennen, hun gijzelnemer zwaar verwonden niet uitgesloten moeten worden van de mogelijkheid een beroep op noodweer te doen (verg. Machielse Noodweer, diss. 1986, p. 602).
Het onderhavige geval onderscheidt zich van deze voorbeelden, omdat het nu niet gaat om de (on)verenigbaarheid van de psychische component van het feit met het beroep op de strafuitsluitingsgrond, maar om de ontkenning van de gedraging zelf. De Hoge Raad maakt evenwel terecht geen verschil.
Het is immers ook wel mogelijk een casus te bedenken waarbij de onverenigbaarheid van de ontkenning van de gedraging en het beroep op de strafuitsluitingsgrond niet evident is. Men stelle zich het geval voor waarbij twee agenten worden belaagd door een woedende menigte. Beide agenten voelen zich zo in het nauw gedreven dat beiden een schot lossen. Een belager wordt neergeschoten. Het verweer van een van de agenten is dan: ik heb feitelijk in de lucht geschoten, maar het was ook een noodweersituatie.
4
Dat het ene verweer (de ontkenning van de daad) het andere verweer (het beroep op de strafuitsluitingsgrond) dikwijls wel ongeloofwaardig zal maken, doet hier niet aan af. A G Vellinga neigt tot een andere conclusie en leidt in dit geval uit de ontkenning van de gedraging af dat de verdedigingswil niet aannemelijk is geworden, waardoor z.i. aan het beroep op noodweer(exces) de feitelijke grondslag ontbreekt. Maar daarmee roept de A G de vraag op hoever de rechter mag gaan in het stellen van eisen ten aanzien van het aannemelijk maken van het verweer (verg. NJ 1975, 465 m.nt. ThWvV). Er zal moeten zijn aangevoerd dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding (verg. NJ 2000, 280) en er zullen voldoende feiten en omstandigheden gesteld moeten worden om van een uitdrukkelijk voorgedragen verweer te kunnen spreken (verg. NJ 1998, 52 en NJ 2002, 373 m.nt. CAG). Volgden we de A G dan zouden we de eisen aan het beroep op een strafuitsluitingsgrond toch wel erg hoog stellen.
De Hoge Raad doet dat niet en beperkt zich ertoe uitdrukkelijk te aanvaarden dat het Hof op de ontkenning lette bij de beslissing om de lezing van klaagster inzake het beroep op noodweer niet aannemelijk te achten. Als zelfs dat niet zou mogen, zou dat moeilijk te rijmen zijn geweest met de erkenning van ‘kennelijke leugenachtigheid’ als bewijsmiddel, of met de aanvaarding van het mee laten wegen van het zwijgen van een verdachte op hem gestelde vragen om een door hem gevoerd verweer te verduidelijken (NJ 1996, 540 m.nt. Sch en NJ 1997, 584). Maar dit doet er niet aan af dat blijkens dit arrest de enkele onverenigbaarheid van verweren niet per se kan worden aangevoerd als grond om die verweren niet te toetsen wegens het ontbreken van ‘feitelijke grondslag’ (of wegens de ‘kennelijke leugenachtigheid’ waarmee ouders de verklaringen van hun kinderen in vergelijkbare gevallen afdoen).