HR 13-06-2006, NJ 2007, 48 Arrest Bloedvergiftiging
HR 13-06-2006, NJ 2007, 48 Arrest Bloedvergiftiging
NJ 2007 , 48
Hoge Raad (Strafkamer)
13 juni 2006, nr. 02393/05
(Mrs. C.J.G. Bleichrodt, G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, W.M.E. Thomassen;A-G Wortel)
m.nt. prof. mr. Y. Buruma
LJN AV8535
m.nt. Y. Buruma
JOL 2006, 365
RVDW 2006, 620
Regeling
Sr art. 287
Essentie
Vrijspraak van doodslag. ’s Hofs oordeel inzake het ontbreken van causaal verband tussen de messteek en de dood van het slachtoffer geeft blijk van miskenning van de aan te leggen maatstaf: een hoogstonwaarschijnlijke mogelijkheid van een alternatieve gang van zaken staat aan bewezenverklaring van het causaal verband niet in de weg.
Vrijspraak doodslag i.v.m. ontbreken causaal verband onvoldoende gemotiveerd.
Samenvatting
Feiten: Door een messteek in de rug loopt het slachtoffer een klaplong en een bloeding in de borstholte op. Na 5 dagen ziekenhuis wordt hij daaruit ontslagen, om 6 dagen later weer te worden opgenomen, waarna hij overlijdt. Oorzaak van overlijden: algeheel orgaanfalen bij een ernstige bloedvergiftiging. Hof: Volgens deskundige A. kan niet met zekerheid worden gezegd vastgesteld dat de infectie (de bloedvergiftiging) is veroorzaakt door de messteek; volgens deskundige B. is het in theorie mogelijk dat het slachtoffer de infectie heeft opgelopen tussen beide ziekenhuisopnames. Gelet hierop blijft de mogelijkheid bestaan (hoe klein en onwaarschijnlijk ook) dat het slachtoffer, anders dan door de messteek, de infectie heeft opgelopen. Om die reden kan het hof het causale verband tussen verdachte’s handelen en de dood van het slachtoffer niet met zekerheid vaststellen, zodat die dood niet redelijkerwijs als het gevolg van de tenlastegelegde gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend. HR: Het feit dat de infectie de directe doodsoorzaak is, sluit niet uit dat er een zodanig verband is geweest tussen de messteek en de daardoor noodzakelijke medische behandelingen enerzijds en de infectie anderzijds, dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs als gevolg van het toebrengen van de messteek aan verdachte kan worden toegerekend. ’s Hofs overweging over de mogelijkheid, ‘hoe klein en onwaarschijnlijk ook’, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat ook een hoogstonwaarschijnlijke mogelijkheid dat een andere omstandigheid (dan de messteek en de medische behandelingen) heeft geleid tot het overlijden, aan een bewezenverklaring in de weg staat. Dat oordeel geeft blijk van miskenning van de aan te leggen maatstaf: een hoogstonwaarschijnlijke mogelijkheid van een alternatieve gang van zaken staat aan bewezenverklaring van het causaal verband niet in de weg.
Tekst
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 mei 2005, nummer 23/005052–04, in de strafzaak tegen:
H. Adv. mr. J. Kuijper te Amsterdam.
HOF:
De uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. ‘poging tot doodslag’ en 3. ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’ veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
Cassatiemiddel:
Middel I
Schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 287 Wetboek van Strafrecht, 415 jo. 350, 352, 358 en 359 Wetboek van Strafvordering en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen,
doordat
A. het hof overwegende:
Gelet op het voorgaande blijft de mogelijkheid bestaan (hoe klein en onwaarschijnlijk ook) dat het slachtoffer, anders dan door het toebrengen van de messteek door verdachte, voornoemde bacteriële infectie heeft opgelopen, bijvoorbeeld buiten het ziekenhuis nadat hij op 2 juni 2004 was ontslagen. Om die reden kan het hof het causale verband tussen de gedraging van verdachte (de messteek) en het intreden van de dood van het slachtoffer niet met zekerheid vaststellen en kan naar het oordeel van het hof de dood van Chaqlou niet redelijkerwijs als gevolg van de tenlastegelegde gedraging aan de verdachte worden toegerekend.
blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting: te weten dat de omstandigheid dat het causale verband tussen de gedraging van verdachte (de messteek) en het intreden van de dood van het slachtoffer niet met zekerheid kan worden vastgesteld zonder meer met zich zou brengen dat de dood van het slachtoffer niet redelijkerwijs als gevolg van de messteek aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof had niet mogen volstaan met dit oordeel maar had dienen te onderzoeken of zich in casu bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan kan worden aangenomen dat er sprake is van een gevolg dat redelijkerwijs aan het tenlastegelegde handelen van de verdachte kan worden toegerekend.
(…)
I
Toelichting van het middel
Ad A.
A.1 De redelijke toerekening als beslissend criterium voor de vaststelling van causaliteit steunt onder meer op de volgende uitspraken: HR 12 september 1978, NJ 1979, 60 (longembolie-arrest), HR 23 december 1980, NJ 1981, 534 (aorta-arrest), HR 26 november 1985, NJ 1986, 368, HR 7 mei 2002, NJ 2002, 551, HR 20 september 2005, LJN: AT8303.
Uit verschillende van deze en andere uitspraken blijkt tevens dat de causaliteitsketen niet wordt doorbroken door later optredende complicaties bij het slachtoffer (bv HR 25 juni 1996, NJ 1997, 563), ook al zijn die mogelijk het gevolg van te kort schietend medisch handelen (b.v. aorta-arrest). Ook tijdsverloop tussen het letsel veroorzakend handelen van verdachte en het overlijden van het slachtoffer hoeft de keten niet te doorbreken (HR 7 mei 1985, NJ 1985, 821, Hof Den Haag 7 mei 2002, NJ 2002, 551).
Preëxistente kwalen van het slachtoffer of gebruik van alcohol of drugs hoeven die keten ook niet te doorbreken (zie recent: HR 20 maart 2001, NJ 2001, 340 en HR 20 september 2005, HR 8 juni 1971, NJ 1972, 90, HR 26 november 1985, NJ 1986, 368).
A.2 Uit geen van de aangehaalde uitspraken komt naar voren dat door de Hoge Raad de eis wordt gesteld dat met zekerheid moet vaststaan dat de dood van slachtoffers veroorzaakt is door handelen van de verdachte, maar dat het gevolg redelijkerwijs aan het handelen van de verdachte kan worden toegerekend. Daarbij speelt de ‘condititio sine qua non’ wel een belangrijke rol: immers wanneer het aan verdachte toe te rekenen gevolg ook zou zijn ingetreden zonder diens gewraakte gedraging, dan is er van enig verband tussen verdachtes gedraging en dat gevolg geen sprake en kan het gevolg verdachte ook niet worden toegerekend, (zie de conclusie van Vellinga bij HR 20 september 2005, LJN AT8303 en noot Knigge onder HR 30 september 2003, NJ 2005, 69: ‘De toerekeningsvraag komt dus pas aan de orde als vaststaat dat de gedraging in kwestie een schakel is geweest in de causale keten van gebeurtenissen doordat zij daaruit niet kan worden weggedacht.’)
Het hof is kennelijk van oordeel dat het niet met zekerheid vast te stellen is dat de messteek de doorslaggevende factor is geweest die de ontsteking en daarmee de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt en heeft daarmee kennelijk de messteek niet als ‘conditio sine qua non’ aangemerkt.
A.3 De vraag rijst echter of ondanks het feit dat dit verband niet met zekerheid kan worden aangetoond er toch niet sprake kan zijn van een gevolg dat redelijkerwijs aan het tenlastegelegde handelen kan worden toegerekend.
Zie de Conclusie Fokkens bij HR 18 mei 2004, LJN AO6457:
De omstandigheid dat er geen ‘conditio sine qua non-verband’ kan worden vastgesteld tussen het rijgedrag van de verdachte en het ongeval, is een factor die van groot belang is bij het beantwoorden van de vraag of het ongeval redelijkerwijs aan het gedrag van de verdachte is toe te rekenen (zie De Hullu, Materieel strafrecht, 2003, p. 190 waar wordt gesteld dat redelijke toerekening in beginsel niet goed denkbaar is als niet is voldaan aan het vereiste dat het gedrag ‘conditio sine qua non’ voor het gevolg was, vgl. verder HR 17 juni 1980, NJ 1980, 580 en HR 25 juni 1996, NJ 1997, 563 m.nt. ‘t H). Slechts in bijzondere omstandigheden (zoals in HR 30 september 2003, LJN AF9666) zal ondanks het feit dat een dergelijk verband niet kan worden aangetoond, kunnen worden aangenomen dat er sprake is van een gevolg dat redelijkerwijs aan het tenlastegelegde handelen van de verdachte kan worden toegerekend. Dat betekent dat de in het middel bestreden overweging redengevend is voor het oordeel dat de causaliteit ontbreekt en dat het oordeel van het Hof dat niet bewezen is dat het ongeval het gevolg is van het in de tenlastelegging omschreven handelen van verdachte, in het licht daarvan niet onbegrijpelijk is.
A.4 In het geval van HR 30 september 2003, NJ 2005, 69, hiervoor door Fokkens ook genoemd, was sprake van een verzuim van verdachte om medische hulp in te roepen ten behoeve van zijn zoontje, waardoor hij het gevaar dat het kind zou komen te overlijden, hetgeen ook gebeurde, in zodanige mate heeft verhoogd, dat dat overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kon worden toegerekend als gevolg van zijn nalaten tijdig adequate medische hulp in te roepen.
A.5 In het geval van HR 20 september 2005, LJN AT8303 is sprake van een geval waarin bij sectie geen anatomische doodsoorzaak werd gevonden, die teruggeleid kon worden op het tenlastegelegde handelen van de verdachten. Gezien het ontbreken van een andere (anatomische of toxologische) doodsoorzaak, diende volgens de deskundige een hartritme stoornis als doodsoorzaak sterk te worden overwogen. Het hof oordeelde hierop dat de tijdens of (kort) na de overval ingetreden dood van het slachtoffer in redelijkheid aan (de handelwijze) van de verdachte en zijn mededader kon worden toegerekend. De Hoge Raad heeft dit oordeel in stand gelaten waarbij hij overwoog dat het, zoals in ’s hofs overwegingen besloten lag, een feit van algemene bekendheid is dat het geconfronteerd worden met gewelddadige overval in de eigen woning, zeker bij een slachtoffer op leeftijd, hevige emoties oproept die, zoals de deskundige ook aangeeft, tot de dood kunnen leiden.
AG Vellinga zegt in zijn conclusie bij dit arrest:
11
Uit de hiervoor beschreven inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het slachtoffer op de in de bewezenverklaring genoemde tijd en plaats niet zou zijn overleden, wanneer zij niet op de onderhavige wijze was overvallen. Immers: geen overval, niet op de grond gelegd en handen op de rug gebonden, niet geëmotioneerd, niet dood. Gelet op de algemene ervaring dat bejaarden door een overval als de onderhavige hevig geëmotioneerd kunnen raken en wel zo dat zij deze niet overleven(3) kan de mogelijkheid dat de dood van het slachtoffer aan een andere, los van de onderhavige overval en de daardoor bij het slachtoffer opgeroepen emoties, staande gebeurtenis zou moeten worden toegeschreven — zoals het Hof kennelijk heeft geoordeeld en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder het sectierapport, heeft kunnen oordelen — als hoogst onwaarschijnlijk buiten beschouwing blijven.
12
Anders dan het middel wil, doet daaraan niet af dat het precieze verloop van de processen, die zich in het lichaam van het slachtoffer hebben afgespeeld en uiteindelijk tot de dood hebben geleid, achteraf niet meer volledig vallen te reconstrueren, al was het alleen maar omdat deze (…) niet steeds sporen achterlaten en het ontbreken van sporen dus niet aan het aannemen van causaal verband in de weg hoeft te staan.
A.6 In HR NJ 1972, 90 was sprake van een combinatie van drie factoren die mogelijk tot de dood van het slachtoffer hadden geleid, waarvan het handelen van de verdachten er een opleverde en waaraan bovendien beslissende betekenis werd toegekend.
A.7 In geen van de genoemde gevallen was zonneklaar dat het handelen van verdachte met zekerheid de dood van het slachtoffer had veroorzaakt. Steeds blijkt er echter van onderzoek of er desondanks bijzondere omstandigheden aan te wijzen zijn die het redelijk maken dat verdachte voor het ingetreden gevolg aansprakelijk gehouden wordt, waarbij onwaarschijnlijkheden buiten beschouwing gelaten worden.
(Zie ook de Hullu 2003, p. 190: ‘De leer van de redelijke toerekening lijkt mij met andere woorden op zichzelf juist en goed aanvaardbaar, vooral wanneer de motivering van beslissingen voldoende aandacht krijgt. In dit verband is weer illustratief het arrest over de dood van het zwaargewonde slachtoffer dat geen verdere medische behandeling wilde. A G Meijers gaf in zijn conclusie duidelijk aan dat het causaliteitsoordeel in een dergelijk geval een complexe afweging vergt met diverse ‘elementen op de weegschaal’. In de bewijsmotivering van (problematische) causaliteitsoordelen zouden die elementen expliciet moeten worden verwoord. In de eerste plaats kan daarbij worden gedacht aan het gedrag van de verdachte dat veel gewicht heeft. Zoals de Hoge Raad in het betrokken arrest bijvoorbeeld terecht opmerkt is hij degene geweest die met zijn zeer ernstige en gevaarlijke gedrag de omstandigheden voor het uiteindelijk intreden van het gevolg heeft gecreëerd. Hij staat nadrukkelijk aan het begin van de keten van gebeurtenissen.’)
A.8 Gelet op het voorgaande en mede gelet op de omstandigheid dat het hof de mogelijkheid dat het slachtoffer anders dan door het toebrengen van de messteek door verdachte de (uiteindelijk fatale) bacteriële infectie heeft opgelopen kennelijk als klein en onwaarschijnlijk beoordeelde, heeft het hof in de onderhavige zaak dit onderzoek ten onrechte nagelaten en is daarmee uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting omtrent de leer van de redelijke toerekening.
HOGE RAAD:
3 Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt over de door het Hof gegeven vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde.
3.2
Aan de verdachte is onder 1 primair tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 27 mei 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk C. van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en/of een of meer van zijn, verdachtes, mededader(s) met dat opzet die C. met een mes, althans met een (scherp en/of puntig) voorwerp in de rug (ter hoogte van de long), althans in het lichaam gestoken, althans geprikt, tengevolge waarvan voornoemde C. is overleden.
3.3
Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Het heeft dienaangaande het volgende overwogen:
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
De verdediging heeft, zo begrijpt het hof, de vraag aan de orde gesteld of het causale verband tussen de door de verdachte gestelde handelingen en het intreden van de dood van het slachtoffer vastgesteld kan worden.
Het hof stelt daartoe de volgende feiten vast.
Verdachte heeft in de late avond van 27 mei 2004 C. met een mes in de rug gestoken, ten gevolge waarvan laatstgenoemde een klaplong rechts en een bloeding in de borstholte rechts heeft opgelopen. C. is op 28 mei 2004 opgenomen in het VU Medisch Centrum.
Op 2 juni 2004 heeft C. vervolgens in stabiele toestand het ziekenhuis verlaten.
Op 8 juni 2004 is C. wederom opgenomen in het ziekenhuis, waarna hij op 23 juni 2004 is overleden.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van een rapport van 10 augustus 2004 van dr. B. Kubat, arts-patholoog, betreffende de in en uitwendige schouwing van het lijk van C., terwijl dr. Kubat voorts door zowel de rechtbank als door het hof ter terechtzitting als deskundige is gehoord.
Dr. Kubat komt in voornoemd rapport tot de conclusie dat C. is overleden ten gevolge van algeheel orgaanfalen bij een ernstige bloedvergiftiging. Zij schrijft voorts dat een relatie tussen de steekletsels en het optreden van de infectie, te weten een gegeneraliseerde bacteriële infectie (bloedvergiftiging), op grond van de sectiebevindingen niet met zekerheid is te leggen. Naar het hof begrijpt, uit voornoemd rapport, heeft een zeer ernstige longontsteking met pusvorming op basis van een bacterie (pseudomonas aeruginosa) en de daardoor ontstane bacteriële infectie (bloedvergiftiging) — in combinatie met de slechte lichamelijke conditie waarin C. reeds verkeerde voor het steekincident — uiteindelijk tot algeheel orgaanfalen en de dood geleid. Dr. Kubat heeft verklaard dat zij niet met zekerheid kan vaststellen dat de infectie is ontstaan door het steken met het mes.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de zich in het dossier bevindende stukken betreffende het tweede verblijf van C. in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis (SLAZ) en het Kennemer Gasthuis. De behandelend longarts in het SLAZ, dr. B.T.J. van den Berg, is zowel bij de rechtbank als bij het hof ter terechtzitting als deskundige gehoord.
Ook dr. Van den Berg heeft verklaard dat niet met volledige zekerheid is vast te stellen hoe de ontsteking is ontstaan en daaraan ter terechtzitting in hoger beroep toegevoegd dat het in theorie mogelijk is dat C. de bacterie pseudomonas aeruginosa (waardoor de longontsteking en de bacteriële infectie zou zijn ontstaan) heeft opgedaan in de periode gelegen tussen het ontslag uit het VU Medisch Centrum en de opname in het SLAZ.
Gelet op het voorgaande blijft de mogelijkheid bestaan (hoe klein en onwaarschijnlijk ook) dat het slachtoffer, anders dan door het toebrengen van de messteek door verdachte, voornoemde bacteriële infectie heeft opgelopen, bijvoorbeeld buiten het ziekenhuis nadat hij op 2 juni 2004 was ontslagen. Om die reden kan het hof het causale verband tussen de gedraging van verdachte en het intreden van de dood van het slachtoffer niet met zekerheid vaststellen en kan naar het oordeel van het hof de dood van C. niet redelijkerwijs als gevolg van de tenlastegelegde gedraging aan de verdachte worden toegerekend.
3.4
Vooropgesteld moet worden dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen de door de verdachte aan C. toegebrachte messteek en de dood van C., dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van het toebrengen van die messteek aan de verdachte kan worden toegerekend.
In deze zaak staat vast dat een bacteriële infectie de directe doodsoorzaak is geweest. Dat sluit op zichzelf echter niet uit dat er een zodanig verband is geweest tussen bedoelde messteek en/of de daardoor noodzakelijk geworden medische behandelingen enerzijds en de bacteriële infectie anderzijds, dat de dood van C. redelijkerwijs als gevolg van het toebrengen van de messteek aan de verdachte kan worden toegerekend.
Het Hof heeft in dit verband overwogen dat de mogelijkheid blijft bestaan ‘hoe klein en onwaarschijnlijk ook’ dat C. anders dan door de messteek de bacteriële infectie heeft opgelopen en heeft op grond daarvan het causaal verband tussen die messteek en de dood van C. niet bewezen geacht. Dat oordeel kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat ook een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid dat een andere omstandigheid (dan de messteek en de daarop volgende noodzakelijke medische behandelingen) heeft geleid tot de dood van C., aan een bewezenverklaring van het causaal verband tussen de gedraging van de verdachte en het overlijden van C. in de weg staat. Dat oordeel geeft blijk van miskenning van de hier aan te leggen maatstaf. Immers, een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid van een alternatieve gang van zaken staat niet aan bewezenverklaring van bedoeld causaal verband in de weg.
3.5
Onderdeel A van het middel is dus terecht voorgesteld.
4 Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Conclusie
A G mr. Wortel
2
Het cassatieberoep is ingesteld door de advocaat-generaal bij het Hof, die bij schriftuur een cassatiemiddel heeft voorgesteld
3
De vrijspraak ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde ‘doodslag’ komt voort uit overwegingen betreffende het causaal verband tussen verzoekers handelen en het intreden van de dood. Het middel komt er op neer dat het Hof in deze overwegingen vaste rechtspraak heeft miskend, en bovendien verklaringen van deskundigen heeft gedenatureerd.
4
De desbetreffende overwegingen luiden:
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
De verdediging heeft, zo begrijpt het hof, de vraag aan de orde gesteld of het causale verband tussen de door de verdachte gestelde handelingen en het intreden van de dood van het slachtoffer vastgesteld kan worden.
Het hof stelt daartoe de volgende feiten vast.
Verdachte heeft in de late avond van 27 mei 2004 C. met een mes in de rug gestoken, ten gevolge waarvan laatstgenoemde een klaplong rechts en een bloeding in de borstholte rechts heeft opgelopen. C. is op 28 mei 2004 opgenomen in het VU Medisch Centrum.
Op 2 juni 2004 heeft C. vervolgens in stabiele toestand het ziekenhuis verlaten.
Op 8 juni 2004 is C. wederom opgenomen in het ziekenhuis, waarna hij op 23 juni 2004 is overleden.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van een rapport van 10 augustus 2004 van dr. B. Kubat, arts-patholoog, betreffende de in en uitwendige schouwing van het lijk van C., terwijl dr. Kubat voorts door zowel de rechtbank als door het hof ter terechtzitting als deskundige is gehoord.
Dr. Kubat komt in voornoemd rapport tot de conclusie dat C. is overleden ten gevolge van algeheel orgaanfalen bij een ernstige bloedvergiftiging. Zij schrijft voorts dat een relatie tussen de steekletsels en het optreden van de infectie, te weten een gegeneraliseerde bacteriële infectie (bloedvergiftiging), op grond van de sectiebevindingen niet met zekerheid is te leggen. Naar het hof begrijpt, uit voornoemd rapport, heeft een zeer ernstige longontsteking met pusvorming op basis van een bacterie (pseudomonas aeruginosa) en de daardoor ontstane bacteriële infectie (bloedvergiftiging) — in combinatie met de slechte lichamelijke conditie waarin C. reeds verkeerde voor het steekincident — uiteindelijk tot algeheel orgaanfalen en de dood geleid. Dr. Kubat heeft verklaard dat zij niet met zekerheid kan vaststellen dat de infectie is ontstaan door het steken met het mes.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de zich in het dossier bevindende stukken betreffende het tweede verblijf van C. in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis (SLAZ) en het Kennemer Gasthuis. De behandelend longarts in het SLAZ, dr. B.T.J. van den Berg, is zowel bij de rechtbank als bij het hof ter terechtzitting als deskundige gehoord.
Ook dr. Van den Berg heeft verklaard dat niet met volledige zekerheid is vast te stellen hoe de ontsteking is ontstaan en daaraan ter terechtzitting in hoger beroep toegevoegd dat het in theorie mogelijk is dat C. de bacterie pseudomonas aeruginosa (waardoor de longontsteking en de bacteriële infectie zou zijn ontstaan) heeft opgedaan in de periode gelegen tussen het ontslag uit het VU Medisch Centrum en de opname in het SLAZ.
Gelet op het voorgaande blijft de mogelijkheid bestaan (hoe klein en onwaarschijnlijk ook) dat het slachtoffer, anders dan door het toebrengen van de messteek door verdachte, voornoemde bacteriële infectie heeft opgelopen, bijvoorbeeld buiten het ziekenhuis nadat hij op 2 juni 2004 was ontslagen. Om die reden kan het hof het causale verband tussen de gedraging van verdachte en het intreden van de dood van het slachtoffer niet met zekerheid vaststellen en kan naar het oordeel van het hof de dood van C. niet redelijkerwijs als gevolg van de tenlastegelegde gedraging aan de verdachte worden toegerekend.
5
Causaliteit tussen gedraging en gevolg dient naar vaste rechtspraak te worden bepaald aan de hand van ‘redelijke toerekening’. Indien de gedraging naar haar aard geschikt was om het uiteindelijk resultaat teweeg te brengen, doorbreken tussenkomende factoren de causaliteitsketen niet. Dit wordt niet anders doordat de nadien opgekomen omstandigheden in belangrijke mate tot het intreden van het gevolg hebben bijgedragen, of zelfs moeten worden aangemerkt als de rechtstreekse oorzaak van dat gevolg.
6
Dit komt naar voren in klassiekers als ‘letale longembolie’ (HR NJ 1979, 60: een massale longembolie, voortgekomen uit het letsel dat is ontstaan bij een door verkeersschuld ontstane botsing, is niet van zodanige aard dat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijs niet meer als gevolg van de botsing kan worden gezien) en ‘aortaperforatie’ (HR NJ 1981, 534; ook indien de dood haar onmiddellijke oorzaak zou hebben gevonden in medische nalatigheid waardoor enkele perforaties van de aorta over het hoofd zijn gezien, is er redelijkerwijs nog altijd causaal verband te leggen tussen de messteek die de perforaties veroorzaakte en de dood. Zelfs indien het slachtoffer in de hand heeft gewerkt dat medische zorg, en behandeling van het levensbedreigend letsel, is uitgebleven wordt de causaliteitsketen tussen zijn dood en het toebrengen van dat letsel niet doorbroken, HR NJ 1997, 563.
7
Een recenter voorbeeld is te vinden in HR NJ 2001, 340: een hoogbejaarde en met hartklachten kampende man wordt slachtoffer van een overval waarbij hij met geweld werd geconfronteerd en vastgebonden werd achtergelaten. Na ontdekking werd hij per ambulance overgebracht naar een ziekenhuis, alwaar hij overleed. Zelfs indien leeftijd en medische predispositie zouden hebben meegebracht dat het overlijden in rechtstreekse zin is te wijten aan de emoties van het vervoer in de ambulance en de ziekenhuisopname, is dat geen verhindering om de dood toe te rekenen aan de gewelddadige overval.
8
Er ligt natuurlijk ergens wel een grens, waarbuiten niet meer kan worden gezegd dat het gevolg in redelijkheid is te verbinden aan de aard van de gedraging. Een indicatie voor deze begrenzing meen ik te kunnen vinden in HR NJ 2004, 512, waarbij het ging om een verkeersongeval met tragische afloop. De tenlastelegging hield in essentie in dat het ongeval was veroorzaakt door voorafgaand alcoholgebruik en een te hoge snelheid. Van ‘dood door verkeersschuld’ sprak het Hof vrij, overwegende dat de botsing volgens deskundigen ook kon zijn ontstaan indien de verdachte zich aan de maximumsnelheid had gehouden en zijn auto (ook overigens) adequaat had bestuurd.
9
Deze vrijspraak hield in cassatie stand. In algemene zin kan naar mijn inzicht worden gezegd dat het causaal verband doorbroken raakt indien er een reële mogelijkheid is dat het gevolg ook zou zijn ingetreden indien de als strafbaar aan te merken gedraging was uitgebleven. Dan kan men als het ware die als strafbaar aan te merken gedraging wegdenken, en vaststellen dat een min of meer aanmerkelijk risico van intreden van het gevolg was gelegen in andere omstandigheden dan een gedraging die naar haar aard geschikt is dat gevolg teweeg te brengen.
10
Het lijkt me dat een dergelijke situatie zich in de nu te beoordelen zaak niet voordoet, reeds omdat het Hof zelf heeft gesignaleerd dat de mogelijkheid dat de doodsoorzaak met de messteek geen verband houdt klein en onwaarschijnlijk is, en overigens omdat het toebrengen van een messteek (in de romp) een gedraging is die naar haar aard geschikt is om dodelijk letsel te veroorzaken.
11
Hierover klaagt het middel terecht. Ook moet de steller van het middel worden nagegeven dat de door het Hof gegeven samenvatting van de bevindingen van de deskundigen aan hun verklaringen geen recht doet, in zoverre in die samenvatting niet naar voren komt dat deze deskundigen niet kunnen uitsluiten dat de bacteriële vergiftiging op andere wijze is ontstaan dan door de messteek of de daarop volgende ziekenhuisopname, doch het verband tussen de messteek en de vergiftiging zeer waarschijnlijk noemen.
Ik zou dit geen ‘denaturering’ willen noemen, maar in het licht van de verschillende verklaringen en bevindingen van de deskundigen, zoals in de schriftuur weergegeven, acht ik de betekenis die het Hof daaraan heeft gegeven niet zonder meer begrijpelijk.
12
Het middel treft doel, hetgeen tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te voeren.
Noot
1
Causaliteit betreft een klassiek leerstuk dat in het strafrecht sinds het lethale longembolie-arrest (NJ 1979, 60 m.nt. ThWvV) wordt beheerst door de z.g. redelijke toerekening. Een belangrijk probleem is dat de rechter door de vaagheid van dit criterium steeds opnieuw wordt gedwongen tot casuïstische oplossingen, hetgeen in laatste instantie ten koste gaat van de voorzienbaarheid van strafrechtelijke aansprakelijkheid. Terecht wijst De Hullu (Materieel strafrecht, derde druk, p. 176–177) erop dat ook oudere theorieën vaag waren. Het is dan ook interessanter om te proberen tot een zekere mate van concretisering te komen van dit criterium dan om steeds opnieuw de oude theorieën als theorie te beschrijven (zie voor een andere poging Klaas Rozenmond, De methode van het materiële strafrecht, Ars Aequi Libri 2006, p. 53–58). Daarbij zal moeten worden onderkend dat causaliteit primair van doen heeft met de objectieve kant van het strafbare feit (zo ook Kelk, Studieboek materieel strafrecht, derde druk p. 248). Het verschil tussen de objectieve oorzakelijkheidsrelatie van de actus reus (gedraging) en het gevolg enerzijds en de betekenis van de mens rea (opzet, verwijtbaarheid) voor de juridische toerekening van de gevolgen van een gedraging moet niet uit het zicht raken. Terecht achtte de Hoge Raad het onvoldoende om de causaliteit bewezen te achten, toen wel vaststond dat verdachte het gevolg had voorzien, maar overigens geen objectieve bewijsmiddelen voor het causale verband waren gegeven (NJ 2006, 548).
Zou dat anders zijn, dan is de weg open om uiteindelijk zelfs in het geval dat er geen sprake is van een conditio sine qua non toerekening van het gevolg redelijk te achten. Dat leek zich te hebben voorgedaan toen een vader had nagelaten hulp in te schakelen ten behoeve van een ’battered child’, maar die hulp waarschijnlijk geen baat had gehad (NJ 2005, 69 m.nt Kn). Ik schrijf voorzichtig ‘leek’, omdat we daarbij voor ogen moeten houden dat bij een omissiedelict de conditio sine qua non eigenlijk niet scherp te formuleren is. In beginsel lijkt het minst genomen niet aantrekkelijk om bij commissiedelicten causaliteit toe te rekenen in gevallen waarin de gedraging van de verdachte geen conditio sine qua non is (verg. NJ 2004, 512). De gekozen oplossing om in het geval van de nalatige vader toe te kunnen rekenen maakte het arrest evenwel interessant. Knigge signaleerde in zijn noot de overeenkomst met de civielrechtelijke omkeringsregel, die werd omgevormd tot een materieelrechtelijke toerekeningsregel (zie ook W. den Harder, Redelijke en onredelijke toerekening van causaliteit, D&D 2006 (33), p. 486–501; en C.L.A. de Sitter, Causaliteit, in Cleiren, De Roos en Khan, NbSr Select, SDU 2005, p. 333–352).
Die omkering leek ook in de onderhavige zaak aan de orde, al speelde hier een heel ander probleem dan dat van de omissie, namelijk dat van wat de Engelsen noemen de ’novus actus interveniens’. Daarvan is sprake als de eigenlijke oorzaak a.h.w. wordt verdrongen door een nog beslissender gebeurtenis. In casu werd een niet per se dodelijke messteek in de rug gevolgd door een fatale bacteriële infectie; iets dergelijks deed zich voor in het geval van de lethale longembolie en in het geval waarin het ernstig gewonde slachtoffer welbewust ervoor koos een longontsteking niet te laten behandelen met fataal gevolg (NJ 1997, 563 m.nt JdH). In de leer van de causa proxima — de naaste, dichtstbijzijnde oorzaak — zou dan de feitelijke causaliteit geacht worden te zijn vervallen, hetgeen tot vrijspraak zou leiden. Maar dat resultaat wordt in het Nederlandse strafrecht niet aanvaard. Die doorbreking van de causa proxima gedachte is te rechtvaardigen in geval van een laakbare mens rea van de dader, maar dan moeten we wel scherp voor ogen houden hoe de redelijke toerekening wordt opgebouwd.
2
Het onderhavige arrest lijkt te bevestigen dat het redelijk is de gevolgen toe te rekenen aan degene die een ander welbewust of door ernstige onzorgvuldigheid in een gevaarlijke toestand heeft gebracht of diens overlijden heeft bespoedigd — ook als zich een nieuwe interveniërende daad of gebeurtenis voordoet. Het gevolg is dan ‘naar algemene ervaringsregels’ — dus in objectieve zin — te voorzien geweest.
Er zijn twee uitzonderingen op deze hoofdregel denkbaar waardoor ondanks de voorzienbaarheid toerekening niet redelijk zou zijn. De eerste uitzondering heeft met de objectieve kern van de causaliteit te maken. Er kunnen interveniërende feitelijke omstandigheden zijn waaronder het niet langer redelijk is het gevolg toe te rekenen aan de verdachte. Dan weegt de nieuwe, interveniërende factor objectief zwaarder dan de gedraging van de verdachte.
In casu bleek, dat niet te snel onderzoek hoeft te worden gedaan om vast te stellen of daarvan sprake is. De Hoge Raad overwoog dat ‘een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid van een alternatieve gang van zaken aan bewezenverklaring van het causaal verband niet in de weg staat’. En in het hierna opgenomen arrest HR 28 november 2006, NJ 2007 , 51 ‘Het oordeel van het Hof dat aan een bewezenverklaring van het causaal verband in de weg staat dat niet geheel kan worden uitgesloten dat latere handelingen van derden mede hebben geleid tot dat letsel, geeft blijk van miskenning van de hier aan te leggen maatstaf’.
Ik denk niet dat we uit de voorzichtigheid van deze formuleringen (‘hoogst onwaarschijnlijk’; ‘niet geheel kan worden uitgesloten’) a contrario mogen afleiden dat een ‘waarschijnlijke of bepaaldelijk niet uit te sluiten’ alternatieve gang van zaken per definitie aan de toerekening in de weg staat. Het blijft immers om een uitzondering op de hoofdregel gaan. In de Engelse rechtspraak is bijvoorbeeld aanvaard dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de verdachte slechts vervalt als de nieuwe factor ‘was so independent of his acts, and in itself so potent in causing death, that (the jury) regard the contribution made by his acts as insignificant’ (R v Cheshire (1991) 3 AER 670). Het is niet gezegd dat de Hoge Raad een even streng criterium stelt als de Law Lords en eist dat de gedraging van de verdachte in verhouding tot de interveniërende factor onbeduidend is, maar dat zal vooreerst uit andere rechtspraak moeten blijken.
De tweede uitzondering raakt aan de mens rea van de verdachte, maar is niet helemaal hetzelfde. Als de verdachte de ander niet welbewust in een gevaarlijke toestand bracht, is dat een kwestie die niet de causaliteit maar het opzet betreft. Als de gedraging wel opzettelijk was, maar het gevaar niet door verdachte was voorzien, kan dit evenwel m.i. onder omstandigheden ook de redelijkheid van de toerekening — van een risico dat objectief, dus ‘naar algemene ervaringsregels’ voorzienbaar was — teniet doen. Dit is te begrijpen als we het verschil onderkennen tussen het risico dat iemand dood gaat en de kans daarop. Risico is het product van kans en ernst: bij een heel kleine kans is het niet altijd juist om een ernstig gevolg toe te rekenen (terwijl we het risico dan toch niet bagatelliseren). Of we het gevolg toerekenen zal moeten worden beoordeeld aan de hand van de finaliteit van de gedraging (‘was de gedraging op het ernstige gevolg gericht?’) en de concrete mate van voorzienbaarheid van (de kans op) het gevolg. Stel dat het slachtoffer niet door een opzettelijke messteek, maar door een roekeloze sliding op het voetbalveld in het ziekenhuis was terecht gekomen dan ware het m.i. niet noodzakelijk redelijk geweest hem de fatale gevolgen van de interveniërende bacterie toe te rekenen. Een sliding is immers niet intrinsiek op ‘dood’ gericht (wel op ‘mogelijk letstel’) en de kans op ‘dood door sliding’ is nu eenmaal vele malen geringer dan de kans op ‘dood door messteek’. Wellicht vindt dit laatste voorbeeld niet bij iedereen instemming, maar ik kies het om aan te geven dat wat mij betreft de vage eis van ‘redelijke toerekening’ wel degelijk een aanknopingspunt kan opleveren om van strafrechtelijke schuldigverklaring af te zien, als we de redenering waarmee we tot die redelijke toerekening komen enigszins preciseren. Dit neemt niet weg dat deze uitzondering niet te snel zal mogen worden ingeroepen. Hij zal bijvoorbeeld niet opgaan voor zwaktes in het gestel van het slachtoffer van een geweldsdelict (de ‘eierschedel’-problematiek; zie ook NJ 2006, 86): ‘je maakt een slachtoffer zoals je het aantreft’.