HR 13 juni 1989, NJ 1990, 48 Arrest In de steek gelaten vrouw
HR 13 juni 1989, NJ 1990, 48 Arrest In de steek gelaten vrouw
NJ 1990 , 48
HOGE RAAD (Strafkamer)
13 juni 1989, nr. 85290
(Mrs. Bronkhorst, Van den Blink, Beekhuis, Keijzer, Bleichrodt; A-G Leijten; m.nt. ‘tH)
DD 89.464
m.nt. ‘t H
DD 1989, 464
Regeling
Sr art. 40; Sv art. 359 lid 2
Essentie
Het beroep op overmacht is niet naar behoren weerlegd.
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Hof te Amsterdam van 18 juli 1988 in de strafzaak tegen Margje W., geboren te Baarn op 16 april 1942, te Baarn.
Hoge Raad:
1
De bestreden uitspraak
Het hof heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Rb. te Utrecht van 21 juli 1987 — de verdachte terzake van ‘doodslag’ veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf.
2
Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens haar heeft Mr. G. Spong, adv. te ’s Gravenhage, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de art. 359, 415 Sv geschonden, doordien ’s hofs arrest met betrekking tot het bewezen verklaarde opzet innerlijk tegenstrijdige, althans onverenigbare beslissingen bevat en wel op grond van het navolgende.
1
In een nadere overweging met betrekking tot het bewijs heeft het hof voor zover hier van belang, zakelijk weergegeven, overwogen:
Met name op grond van de herinnering van verdachte dat zij uit woede met een mes enige keren op het slachtoffer heeft ingestoken, neemt het hof aan dat de verdachte in zodanige mate heeft beseft wat zij deed dat zij geacht moet worden willens en wetens gehandeld te hebben.
Uit evenbedoelde bewijsmiddelen (te weten die met betrekking tot de aard van de bewezen verklaarde handeling en die met betrekking tot het besef dat de verdachte daarvan heeft gehad) volgt tevens dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat haar handeling de dood van M tot gevolg zou hebben, zodat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op levensberoving.
2
Nu het ten laste gelegde en bewezen verklaarde een handeling — het steken met een mes — betreft houden vorenweergegeven bewijsoverwegingen in, dat het hof ten aanzien van rekwirante bewezen acht dat zij zowel opzet in de zin van willens en wetens handelen als voorwaardelijk opzet heeft gehad met betrekking tot het ten laste gelegde en bewezen verklaarde steken. Twee verschillende vormen van opzet op een handeling bewezen achten is innerlijk tegenstrijdig, aangezien nu juist het zogeheten voorwaardelijk opzet van stal pleegt te worden gehaald als het gewone opzet (willens en wetens handelen) niet bewezen kan worden.
3
Weliswaar leidt het aanvaarden van voorwaardelijk opzet ook tot een bewezenverklaring, maar dit neemt niet weg, dat rekwirante een redelijk belang bij deze bewijsklacht heeft, omdat het hof bij de verwerping van het beroep op psychische overmacht en afwezigheid van alle schuld heeft overwogen:
dat deze verweren afstuiten op het oordeel van het hof dat verdachte zich willens en wetens heeft begeven in een situatie waarin het optreden van een hevige gemoedsbeweging voorspelbaar was en een handeling als de bewezenverklaring niet denkbeeldig.
Het hof acht mitsdien ‘dolus-in-causa’, en/of culpa-in-causa aanwezig (vgl. G.A.M. Strijards, Strafuitsluitingsgronden, Studiepockets strafrecht, 1987, p. 45, 46).
4
Volgens Strijards doet het er niet toe welk van beide constructies de rechter hanteert, omdat we hier bezig zijn binnen het kader van de ‘veronderstelde’ strafbaarheidsvoorwaarden. Bronkhorst daarentegen differentieert meer en erkent de mogelijkheid, dat de rechter aan de hand van de welbewustheid oordeelt, dat de dader zich buiten de grenzen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid heeft bewogen (vgl. C. Bronkhorst, Overmacht in het strafrecht, diss. 1952, p. 229, 230).
5
Niet weersproken zal worden, dat culpa in causa zich ook bij voorwaardelijk opzet kan voordoen en dat ook in zo’n situatie een beroep op overmacht weerlegd kan worden. Het hof heeft hier bij de weerlegging van het beroep op overmacht echter geoordeeld, dat rekwirante zich willens en wetens heeft begeven in een, vrij vertaald, problematische situatie. Aangezien, zoals Bronkhorst stelt, de rechter in ieder concreet geval moet oordelen of de dader zich buiten de grenzen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid heeft bewogen, blijft mitsdien de mogelijkheid bestaan, dat i.c. een beroep op psychische overmacht wel aanvaard kan worden, indien er van uitgegaan wordt dat rekwirante zich slecht willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans, dat de door het hof bedoelde situatie zich zou voordoen. Met andere woorden de weerlegging van het beroep op psychische overmacht, waarbij van gewoon opzet uitgegaan is, dekt niet dat beroep, voorzover daarbij van voorwaardelijk opzet uitgegaan moet worden.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de art. 359, 415 Sv geschonden, doordien het hof het namens rekwirante gevoerd verweer inhoudende een beroep op psychische overmacht c.q. afwezigheid van alle schuld heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
’s Hofs arrest is in zoverre niet voldoende met redenen omkleed.
Toelichting:
1
Met betrekking tot voormelde verweren heeft het hof, zakelijk weergegeven, als volgt overwogen:
2.2
Al deze verweren stuiten af op het oordeel van het hof dat de verdachte zich willens en wetens heeft begeven in een situatie waarin het optreden van een hevige gemoedsbeweging voorspelbaar was, en een handeling als de bewezen verklaarde niet denkbeeldig.
2.3
Het hof baseert dit oordeel op de navolgende feiten en omstandigheden:
a
verdachte is een intelligente, ontwikkelde en geschoolde vrouw; daarom wist zij, althans had zij kunnen weten dat in relationele crisissituaties gelijk aan de hare de afgewezen partner wel eens overgaat tot tevoren niet beoogde gewelddadigheden, soms zelf tot doodslag;
b
in voorafgaande dagen had M de verdachte reeds meermalen zeer grof bejegend, o.m. door onverholen een gedeelte van de nacht door te brengen met haar rivale, en door die rivale rond te leiden in het huis dat hij met de verdachte zou gaan betrekken;
c
uitlatingen van de verdachte tegen haar echtgenoot, gedaan kort voor het bewezen verklaarde feit, wijzen uit dat zij ernstig rekening hield met de mogelijkheid dat M de relatie met haar niet zou willen herstellen;
d
vlak voordat de verdachte naar M toeging had deze haar telefonisch gezegd geen prijs te stellen op haar voorgenomen bezoek;
e
dit bezoek vond plaats rond het middernachtelijk uur en na alcoholgebruik door de verdachte;
f
verdachte wist dat M zich veelvuldig te buiten ging aan excessief alcoholgebruik.
2
Vorenweergegeven weerlegging is onbegrijpelijk aangezien:
a
de onder 2b weergegeven omstandigheid dat M rekwirante meermalen zeer grof heeft bejegend bezwaarlijk anders kan worden uitgelegd, dan dat bij rekwirante zulks meermalen geen aanleiding is geweest voor de verwerkelijking van de door het hof bedoelde niet denkbeeldige handeling en mitsdien niet redengevend kan zijn voor ’s hofs oordeel als vervat onder r.o. 2.2.
b
de onder 2c weergegeven omstandigheid tot uitdrukking brengt, dat rekwirante was voorbereid op herhaalde afwijzing, hetgeen niet goed te rijmen is met een voorwaardelijk opzettelijke doodslag.
d
de omstandigheden e en f naar algemene ervaringsregels niet duiden op de door het hof bedoelde niet denkbeeldige handeling.
e
de omstandigheid dat M zich veelvuldig te buiten ging aan excessief alcoholgebruik slechts redengevend kan zijn voor een eventueel hevige gemoedsbeweging bij M.
Op grond van het voorgaande is ’s hofs oordeel te dezer zake, ofschoon feitelijk van aard, onbegrijpelijk.
Middel III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de art. 359, 415 Sv geschonden, doordien het hof zonder motivering het oordeel van de deskundige over de toerekeningsvatbaarheid van rekwirante heeft gesplitst en zonder motivering het oordeel van de deskundige met betrekking tot de vraag of rekwirante sterk verminderd toerekeningsvatbaar is geweest ter zijde heeft geschoven. De motivering van de straf is op grond hiervan onvoldoende.
Toelichting:
1
Voor zover hier van belang heeft het hof met betrekking tot de strafoplegging, zakelijk weergegeven, als volgt overwogen:
Tenslotte moet de persoon van de verdachte in de overwegingen worden betrokken, meer in het bijzonder de vraag of het feit haar geheel dan wel slechts gedeeltelijk kan worden toegerekend. Daaromtrent heeft de deskundige Van Leeuwen als zijn oordeel uitgesproken dat de verdachte het feit heeft gepleegd niet slechts als reactie op haar verstoting door M, maar tevens als reactie op een eerdere verstoting, die bij de verdachte emoties, driften, woede en agressie teweeggebracht heeft die zij jarenlang had verdrongen. Het hof acht dit aannemelijk, en deelt het oordeel van de deskundige dat dit de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte vermindert. Het hof deelt echter niet het inzicht van de deskundige dat de eerdere verstoting en de agressieve gevoelens die daarvan het gevolg zijn geweest ten tijde van het bewezen verklaarde een zodanig overheersende rol hebben gespeeld dat de verdachte op dat tijdstip sterk verminderd toerekeningsvatbaar is geweest.
2
Het oordeel over de waarde en de betrouwbaarheid van een verklaring van een deskundige is volgens vaste rechtspraak van Uw Raad voorbehouden aan de feitenrechter (vgl. HR 16 dec. 1986, NJ 1987, 636). Ook behoeft de rechter niet te motiveren, waarom hij zich aan de verklaring van een deskundige houdt (vgl. HR 18 mei 1927, NJ 1927, 906). Wanneer de rechter zich evenwel met betrekking tot de straftoemeting distantieert van de enig deskundige, maar daarbij niet zegt waarom, wordt het oordeel over de straf onbegrijpelijk, althans onduidelijk en is dat bovendien nog in strijd met de wet.
3
Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt, dat de hier bepleite motiveringsplicht van de rechter geldt voor zover het een afwijking van de deskundige-verklaring nopens de straftoemeting betreft.
Immers, in tegenstelling tot de vrijheid van de rechter af te wijken van deskundige-verklaringen in zoverre het bewijsrechtelijke thema’s betreft, schrijft de wet in art. 359 lid 6 Sv laatste volzin voor, dat het vonnis zoveel mogelijk de omstandigheden aangeeft, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.
4
De term ‘zoveel mogelijk’ brengt tot uitdrukking, dat de rechter voor zover dat in zijn vermogen ligt duidelijk moet maken waarom hij kiest voor een bepaalde strafsoort of strafduur, hetgeen zeker het geval is wanneer er iets bijzonders aan de hand is (vgl. m.v.t., Wet van 31 maart 1983, Stb. 1983, 153, hoofdstuk 1.4.6).
Dat is ongetwijfeld het geval indien de rechter afwijkt van een deskundige-verklaring over de straf. Dat zal, zo moet men aannemen, weloverwogen zijn gebeurd, en dan brengt de hier aan de orde zijnde wettelijke motiveringsplicht mee, dat zodanig weloverwogen redenen ook in het vonnis c.q. arrest staan.
5
Indien men, zoals in de artikelsgewijze toelichting op art. 359 Sv in voormelde Wet van 31 maart 1983 wordt opgemerkt, er van uit moet gaan, dat de laatste zin van het zesde lid gezien moet worden als het doortrekken van de in de eerste zin van het zesde lid uitgestippelde lijn, dan moet men tot de slotsom komen dat i.c. een nadere motivering geboden was voor de afwijking van het deskundige-oordeel, omdat die afwijking niets meer of minder is dan een bijzondere reden die de duur van de straf heeft bepaald.
Anders gezegd: bijzondere redenen die de duur van de straf bepalen moeten ingevolge voormelde m.v.t. in de strafmotivering staan. Nu dit hier niet het geval is — het hof zegt er immers niet bij waarom het inzicht van de deskundige in zoverre niet gedeeld wordt — lijdt ’s hofs arrest aan nietigheid.
6
Rekwirante is zich er uiteraard van bewust, dat voormeld betoog zo op het eerste gezicht geen steun vindt in HR 13 dec. 1983, NJ 1984, 653, m.nt. ALM. In dit arrest besliste Uw Raad, dat het hof niet gehouden was zijn van de deskundige afwijkend oordeel te motiveren. Toch zal dit arrest thans niet aan rekwirante kunnen worden tegengeworpen, omdat dit arrest betrekking heeft op een arrest van het Hof te ’s Gravenhage van 14 okt. 1982. Toen — in 1982 — bestond die gehoudenheid inderdaad niet. De wet is echter per 31 maart 1983 gewijzigd en houdt sindsdien, zoals hiervoren betoogd, deze motiveringsplicht wel in. De motiveringsplicht is, zoals in de m.v.t. wordt opgemerkt, verzwaard.
3
De conclusie van het OM (enz.; Red.)
4
Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
zij op 3 april 1987 te Baarn opzettelijk J.B. M. van het leven heeft beroofd, hebbende zij, verdachte, toen aldaar opzettelijk meermalen, die M met een mes in de borststreek gestoken, tengevolge waarvan (o.m.) perforaties van de bovenkwab van de linker long en perforaties van de wanden van de linker en rechter kamer van het hart van die M zijn ontstaan hetgeen zeer ernstig acuut bloedverlies tot gevolg heeft gehad, waardoor de dood van die M is ingetreden.
4.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: (enz.; Red.)
4.3
Het hof heeft met betrekking tot het bewijs nader overwogen:
1
Voor zover het bewezen verklaarde opzet niet reeds volgt uit de bewijsmiddelen met betrekking tot de aard van de bewezen verklaarde handeling, volgt het uit de als bewijsmiddel gebezigde passages uit het aanhoudingsp.v. Die passages behelzen twee verklaringen van verdachte (bewijsmiddelen 2.1 en 2.3), de eerste afgelegd op het politiebureau onmiddellijk na haar eerste aankomst aldaar, de tweede opgenomen in de woning van het slachtoffer, tevens de plaats van het misdrijf, korte tijd na de eerste verklaring. De inhoud van genoemde verklaringen en de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen, brengen het hof evenals de Rb. tot de overtuiging dat die verklaringen herinneringen bevatten van verdachte aan de gebeurtenissen voor, tijdens en na het begaan van het feit.
Met name op grond van de herinnering van verdachte dat zij uit woede met een mes enige keren op het slachtoffer heeft ingestoken, neemt het hof aan dat de verdachte in zodanige mate heeft beseft wat zij deed dat zij geacht moet worden willens en wetens gehandeld te hebben.
2
Uit evenbedoelde bewijsmiddelen (te weten die met betrekking tot de aard van de bewezen verklaarde handeling en die met betrekking tot het besef dat de verdachte daarvan heeft gehad) volgt tevens dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat haar handeling de dood van M tot gevolg zou hebben, zodat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op levensberoving.
5
Beoordeling van het eerste middel
5.1
Anders dan in het middel wordt betoogd, heeft het hof niet twee verschillende vormen van opzet op een handeling bewezen geacht. Het hof heeft immers in zijn hiervoren onder 4.3 weergegeven overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte, toen zij met een mes enige keren op het slachtoffer instak, willens en wetens handelde en voorts — ten aanzien van de gevolgen van dat handelen — dat zij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat haar handeling de dood van M tot gevolg zou hebben. ’s Hofs evenvermelde overwegingen zijn derhalve niet innerlijk tegenstrijdig.
5.2
Het middel is mitsdien vruchteloos voorgesteld.
6
Beoordeling van het bestreden arrest naar aanleiding van het tweede middel en ambtshalve
6.1
Blijkens het p.-v. van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman daar o.m. aangevoerd:
‘Mocht Uw hof van oordeel zijn dat art. 37 Sr niet van toepassing is, dan wordt een beroep gedaan op psychische overmacht. Cliente verkeerde op het moment van het begaan van het feit geestelijk in een zodanige toestand, dat zij niet anders kon handelen dan zij deed.
Er was sprake van een onvoorziene toestand van emotionele ontremming, veroorzaakt door een van buiten komende gebeurtenis, waardoor vrijheid van wilsbepaling uitgesloten was. Deze toestand sluit schuld uit.
Dit verweer heeft een aantal raakvlakken met het vorige. Hier zal speciaal het accent worden gelegd op het causale verband tussen cliente’s toestand en de van buiten komende gebeurtenis, het vermijdbaarheidsaspect en het verwijtbaarheidsaspect.
Hoe de botte afwijzing van haar door M precies in zijn werk is gegaan, valt niet meer na te gaan. Deze moet echter onverdraaglijk zijn geweest: alleen al de bewoordingen die hij gebruikte geven hiervan een indicatie. Het feit dat het alcoholgehalte van zijn bloed 2,70 promille bleek te bedragen, doet voorts vermoeden dat ook zijn non-verbale gedrag dreigend c.q. beledigend is geweest.
Maar dit was niet de enige overmacht opleverende factor. Verwezen wordt naar de diepere dimensie die blijkens het oordeel van de psychiater aan het handelen van cliente ten grondslag lag. Omwille van cliente’s privacy wil ik deze diepere dimensie hier niet nader omschrijven. Volstaan wordt met de opmerking dat de psychische druk ongekend zwaar moet zijn geweest.
Het is hier de plaats om nader in te gaan op de overwegingen van de Rb. omtrent de vermijdbaarheid en de verwijtbaarheid.
De Rb. verwierp het beroep op psychische overmacht c.q. het ontbreken van verwijtbaarheid op twee gronden: a. van deze verdachte had zelfbeheersing geeist mogen worden; b. er is sprake van culpa in causa.
Ad a. R.o. 6.2.6.7 van de Rb. luidt:
Voorts is de Rb. van gevoelen dat van deze verdachte geeist had mogen worden dat zij in de beschreven situatie zoveel zelfbeheersing had opgebracht dat zij het pakken van het mes en/of het in den blinde daarmee op het slachtoffer insteken had nagelaten.
Deze overweging wekt bevreemding. De Rb. heeft de bevindingen van Dr. Van Leeuwen op vele punten tot de hare gemaakt. Op een zeer essentieel punt legt zij deze bevindingen kennelijk naast zich neer.
Mij dunkt dat uitgangspunt moet zijn dat van iedereen geeist mag worden om in een bepaalde situatie zelfbeheersing op te brengen en strafrechtelijk gedrag achterwege te laten.
Echter: juist deze verdachte was niet in staat om nog enige zelfbeheersing op te brengen en enige wilsvrijheid te hebben met betrekking tot de beslissing om al dan niet een mes te pakken en te steken.
De psychiater voelt zich heel zeker omtrent zijn diagnose, dat hier een explosieve reactie heeft plaatsgevonden. Begrijp ik hem goed, dan was cliente niet in staat om op het fatale moment deze reactie te bedwingen, met andere woorden een afweging te maken of zij deze explosieve reactie al dan niet achterwege zou laten.
Zoals Dr. Van Leeuwen op de zitting van de Utrechtse Rb. zei (p.-v. zitting, p. 10): ‘Hier speelt de vermijdbaarheid een rol. De vermijdbaarheid kan doorbroken worden door een stoornis. Er is dan sprake van onvrijheid. (…) In dit geval hebben zich uitzonderlijke interacties voorgedaan’.
Opvallend is dat de Rb. op twee gedachten hinkt. Enerzijds is zij van mening dat van deze verdachte zelfbeheersing had mogen worden geeist, anderzijds gebruikt zij in r.o. 6.2.6.3 tweemaal het woord ongewild:
Verdachte is een intelligente, ontwikkelde en geschoolde vrouw. Daarom wist zij, althans had zij kunnen weten, dat in relationele crisissituaties gelijk aan de hare de afgewezen partner tot ongewilde daden als de onderhavige in staat bleek. Verdachte had, te meer gelet op haar intra-psychische problematiek die zij zich in meerdere of mindere mate bewust was, erop bedacht moeten zijn dat ook zij in staat was zulk een daad — ongewild — te plegen.
Met name de context waarin het woord ongewild de tweede maal gebruikt wordt suggereert dat ook de Rb. van mening is dat cliente met betrekking tot het plegen van het feit haar wil niet in vrijheid kon bepalen.
Indien de explosieve reactie van cliente op het gedrag van M psycho-pathologisch gezien onvermijdbaar was en in onvrijheid van wilsbepaling plaatsvond meen ik dit juridisch als volgt te kunnen vertalen: cliente is ten gevolge van van buiten komende gebeurtenissen ongewild in een zodanige geestestoestand komen te verkeren, dat zij niet anders kon handelen dan zij gehandeld heeft.
Ad b. Uiteraard kan dit gegeven de strafbaarheid slechts opheffen als er geen sprake is van anterieure verwijtbaarheid.
De Rb. overweegt hieromtrent (geparafraseerd) dat cliente als intelligente, ontwikkelde en geschoolde vrouw had kunnen weten dat afgewezen partners tot dergelijke ongewilde daden kunnen komen. Daarom had zij erop bedacht moeten zijn dat dit kon gebeuren en had zij die bewuste nacht niet naar het slachtoffer moeten gaan ofwel maatregelen moeten nemen om voor haar voorzienbare explosieve handelingen te voorkomen. Ook hier wijkt de Rb. ineens af van het oordeel van de psychiater. Deze is immers zeer stellig in zijn oordeel omtrent de anterieure verwijtbaarheid. Ik citeer uit het rapport (p. 29): ‘In dezelfde context meen ik als rapporterend deskundige als informatie te moeten geven dat onderzochte met name niet vanuit vroege ervaringen kon weten dat zij zo explosief zou kunnen gaan reageren zoals uiteindelijk het geval is geweest. Daarvoor was zij zich bovengenoemde samenhang al te zeer totaal onbewust’.
En uit de verklaring van de psychiater ter zitting (p. 10 p.-v. terechtzitting): ‘Zij had nog nooit eerder zo explosief gehandeld. Zij kon dan ook niet weten dat zij zo explosief zou handelen’.
Los van het feit dat de Rb. hier ineens weer het oordeel van de psychiater naast zich neerlegt, stelt zij op dit punt uberhaupt een veel te hoge eis aan cliente.
Cliente deed niet anders dan wat juist praktisch ieder intelligent, ontwikkeld en geschoold mens in haar plaats eveneens zou hebben gedaan: het proberen uit te praten van een conflict. Door te praten proberen verbaal ontwikkelde mensen conflicten op te lossen c.q. spanningen hanteerbaarder te maken. Het behoeft geen betoog dat dit in het algemeen een betere methode is dan een non-verbale benadering, die meestal geweld impliceert. Het is dan ook volstrekt onredelijk om cliente deze begrijpelijke handeling later tegen te werpen onder het motto dat zij had behoren te weten dat er zo iets ernstigs zou kunnen gebeuren. Hoe had zij dit kunnen voorzien?
Ik stel mij even voor wat het oordeel zou zijn geweest als hetzelfde ernstige feit had plaatsgevonden als cliente niet naar het slachtoffer was toegegaan, maar hem toevallig was tegen gekomen. Was haar dan tegengeworpen dat zij — door niet te proberen het uit te praten — haar spanningen dermate had opgekropt dat zij kon weten dat het in zo’n situatie tot een explosieve ontlading kan komen?
Ik meen dat de eis die de Rb. stelt menselijkerwijs niet aan iemand gesteld kan worden en dat in het onderhavige geval geen sprake is van culpa in causa.
Afwezigheid van alle schuld
Bovenstaande verweren betreffen geschreven strafuitsluitingsgronden.
Mocht Uw hof van mening zijn dat deze hier niet van toepassing zijn, dan wordt meer in het algemeen een beroep gedaan op de ongeschreven strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld. Cliente verkeerde tijdens het begaan van het feit in een onvoorziene toestand van emotionele ontremming, waardoor vrijheid van wilsbepaling uitgesloten was.
In deze situatie moet schuld in de zin van verwijtbaarheid worden uitgesloten.
Het volgen van een van deze verweren zal moeten leiden tot niet-strafbaarheid van cliente met als gevolg ontslag van rechtsvervolging.’
6.2
Het hof heeft dienaangaande overwogen en beslist als in de toelichting op het middel is weergegeven.
6.3
Aldus heeft het hof de verweren — welke er op neer komen dat de verdachte zou hebben gehandeld onder invloed van een drang waaraan zij redelijkerwijze geen weerstand kon bieden — verworpen op daartoe ondeugdelijke gronden. ’s Hofs vaststelling, dat de verdachte zich willens en wetens heeft begeven in een situatie waarin het optreden van een hevige gemoedsbeweging voorspelbaar en een handeling als de bewezen verklaarde ‘niet denkbeeldig’ was, sluit immers niet de mogelijkheid uit dat de verdachte niettemin heeft gehandeld onder invloed van een drang waaraan zij geen weerstand kon bieden zonder zich aan het optreden van een zodanige drang willens en wetens te hebben blootgesteld.
6.4
’s Hofs arrest is mitsdien niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
7
Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mede dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft, en verwijzing moet volgen.
8
Beslissing
De HR vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar het Hof te ’s Gravenhage ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Conclusie
A G Mr. Leijten
Het Hof te Amsterdam heeft de verzoekster tot cassatie op 18 juli 1988 wegens doodslag in hoger beroep veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De Rb. te Amsterdam had haar in eerste aanleg tot een aanzienlijk lagere straf: achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, veroordeeld. Van het vonnis van de Rb. waren de verzoekster en de OvJ in hoger beroep gekomen.
Volgens de bewezenverklaring van het hof had de verzoekster op 3 april 1987 te Baarn J.B.M. met een mes in de borststreek gestoken als gevolg waaraan het slachtoffer is bezweken.
Aan deze kille, juridische vaststelling liggen een aantal feiten ten grondslag, die ik heel in het kort zal weergeven. De verzoekster, die gehuwd was en uit wier huwelijk drie kinderen waren geboren kreeg een relatie met het slachtoffer, ook gehuwd en vader van kinderen. Na enige tijd verbrak het slachtoffer de relatie om betrekkingen aan te knopen met een andere vrouw. De verzoekster daarvan op de hoogte, ging naar de woning van het slachtoffer om deze ter verantwoording te roepen. Bij die confrontatie zijn de dodelijke steken toegebracht.
Tegen het arrest van het hof heeft de verzoekster zich van beroep in cassatie voorzien. Mr. G. Spong, adv. te ’s Gravenhage, heeft bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel houdt als klacht in, dat het arrest van het hof met betrekking tot het bewezen verklaarde opzet innerlijk tegenstrijdig is, althans onverenigbare beslissingen bevat.
Ik geef de passages uit het arrest die tegenstrijdig worden geacht, letterlijk weer (en duidt ze aan met A en B):
A
‘Met name op grond van de herinnering van verdachte dat zij uit woede met een mes enige keren op het slachtoffer heeft ingestoken, neemt het hof aan dat de verdachte in zodanige mate heeft beseft wat zij deed dat zij geacht moet worden willens en wetens gehandeld te hebben.’
B
‘Uit evenbedoelde bewijsmiddelen (te weten die met betrekking tot de aard van de bewezen verklaarde handeling en die met betrekking tot het besef dat de verdachte daarvan heeft gehad) volgt tevens dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat haar handeling de dood van M tot gevolg zou hebben, zodat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op levensberoving.’
Passage A houdt het betoog in, dat de verzoekster toen zij met het mes steken toebracht, besef had van wat zij deed, nl. met dat mes insteken op het slachtoffer.
Passage B houdt in dat zij met dit besef handelende, zich daardoor bloot heeft gesteld aan de aanmerkelijke kans dat M door dat handelen de dood zou vinden.
Zo gelezen, en daarvoor is geen geestelijke krachttoer nodig, hebben de door het hof ontvouwde gedachtengangen niets tegenstrijdigs. Met name volgt uit het onder A en B overwogene niet, dat het hof met betrekking tot het handelen van de verzoekster zowel gewoon opzet als voorwaardelijk opzet aanwezig heeft geoordeeld. Passage A slaat op het gewilde handelen, passage B op het gevolg van dit gewilde handelen. Dat gevolg is misschien niet gewild (gewoon opzet) maar met de aanmerkelijke kans dat het zou optreden had de verzoekster ter dege rekening moeten houden (voorwaardelijk opzet).
De hiervan afgeleide klacht als weergegeven in de schriftuur onder 3–5 faalt m.i. en niet alleen omdat zij afhankelijk is gesteld van het — niet juiste — uitgangspunt, dat het hof zowel gewoon als voorwaardelijk opzet bewezen heeft geacht.
De aangevallen overweging van het hof betreft de weerlegging van het beroep op psychische overmacht. Het verdedigde standpunt is, dat bij voorwaardelijk opzet weliswaar ‘culpa in causa’ aanwezig kan zijn
dat wil zeggen: dat ook dan de situatie, die tot het handelen leidt willens en wetens door de dader is teweeggebracht, zodat hij zich niet op overmacht kan beroepen
maar dat de mogelijkheid blijft bestaan, dat dan een beroep op overmacht toch wel aanvaard kan worden.
Uit de omstandigheid dat het gevolg van het handelen de dood, als opzet aan de dader wordt toegerekend met behulp van de constructie van het voorwaardelijk opzet, volgt echter, zover ik zie, in het geheel niets voor het antwoord op de vraag of de situatie, waarin het handelen geschiedt, er een was, die willens en wetens door de dader in het leven was geroepen. Dit zijn geheel gescheiden circuits. De zgn. culpa-in-causa gedachtengang:
Je hebt het aan je eigen optreden te wijten dat je in een overmachtssituatie terecht kwam
gaat aan het handelen vooraf. Of dat handelen oplevert opzettelijk doodslag omdat het opzet op het doden was gericht dan wel opzettelijk doodslag omdat het handelen van dien aard was dat de dader met de grote kans had moeten rekening houden, dat zulks de dood tengevolge zou hebben wordt niet op andere criteria beoordeeld als er culpa in causa aanwezig is. De welbewustheid van het handelen was immers zoals het hof vaststelde aanwezig. Daarom lijkt mij het beroep op C. Bronkhorst, Overmacht in het strafrecht, diss. 1952, p. 229 vergeefs gedaan. Ik acht het middel niet gegrond.
Het tweede middel houdt in, dat het hof het namens de verzoekster gedane beroep op psychische overmacht c.q. afwezigheid van alle schuld heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. Het hof heeft dienaangaande als volgt overwogen:
2.2
‘Al deze verweren stuiten af op het oordeel van het hof dat de verdachte zich willens en wetens heeft begeven in een situatie waarin het optreden van een hevige gemoedsbeweging voorspelbaar was, en een handeling als de bewezen verklaarde niet denkbeeldig.
2.3
Het hof baseert dit oordeel op de navolgende feiten en omstandigheden:
a
verdachte is een intelligente, ontwikkelde en geschoolde vrouw; daarom wist zij, althans had zij kunnen weten dat in relationele crisissituaties gelijk aan de hare de afgewezen partner wel eens overgaat tot tevoren niet beoogde gewelddadigheden, soms zelfs tot doodslag;
b
in voorafgaande dagen had M de verdachte reeds meermalen zeer grof bejegend, o.m. door onverholen een gedeelte van de nacht door te brengen met haar rivale, en door die rivale rond te leiden in het huis dat hij met de verdachte zou gaan betrekken;
c
uitlatingen van de verdachte tegen haar echtgenoot, gedaan kort voor het bewezen verklaarde feit, wijzen uit dat zij ernstig rekening hield met de mogelijkheid dat M de relatie met haar niet zou willen herstellen;
d
vlak voordat de verdachte naar M toeging had deze haar telefonisch gezegd geen prijs te stellen op haar voorgenomen bezoek;
e
dit bezoek vond plaats rond het middernachtelijk uur en na alcoholgebruik door de verdachte;
f
verdachte wist dat M zich veelvuldig te buiten ging aan excessief alcoholgebruik.’ Die weerlegging wordt onbegrijpelijk bevonden, omdat (kort weergegeven):
I
de onder b genoemde omstandigheid juist aantoont dat er in het verleden vergelijkbare situaties waren, waarin het niet zo ver is gekomen, zodat de verzoekster met het opkomen van een hevige gemoedsbeweging geen rekening behoefde te houden.
II
de onder e genoemde omstandigheid tot uitdrukking brengt, dat de verzoekster op een herhaalde afwijzing voorbereid was.
III
de onder e en f genoemde omstandigheden niet duiden op de door het hof bedoelde niet denkbeeldige handeling.
IV
de onder f genoemde omstandigheid slechts redengevend kan zijn voor een hevige gemoedsbeweging bij het slachtoffer.
Het komt mij voor dat deze klachten falen, omdat elk van de door het hof opgesomde omstandigheden — en met name ook die welke in het middel op de korrel worden genomen — een kleine of grote steen kon bijdragen aan het besef van de verzoekster dat zij door naar het huis van de minnaar die haar afwees te gaan om deze tot verantwoording te roepen zich begaf in de situatie waarin het tot doodslag zou kunnen komen.
De voorafgaande grove bejegening van de verzoekster door het latere slachtoffer (2.3.b), het tijdstip van het bezoek en verzoeksters wetenschap omtrent het veelvuldig excessief gebruik van alcohol van deze, terwijl zijzelf ook ‘gedronken’ had (2.3.e en f) en de omstandigheid dat de verzoekster er rekening mee hield dat haar optreden niet tot het door haar gewenste goede resultaat zou leiden (2.3.c) dat alles kan ertoe bijgedragen hebben, dat de verzoekster zich in een situatie begaf waarin hetgeen later zou volgen voor haar rekening kwam reeds omdat zij die situatie had kunnen en moeten vermijden. Voor wat betreft het als eerste door het hof aangevoerde in het middel niet uitdrukkelijk aangevallen argument (2.3.a) zie Strijards, Strafuitsluitingsgronden, p. 46, IV. 1.4 eerste alinea. Het middel zal niet kunnen slagen.
Middel III klaagt erover dat het hof zonder motivering het oordeel van de deskundige over de toerekeningsvatbaarheid van de verzoekster heeft gesplitst en diens oordeel dat de verzoekster sterk verminderd toerekeningsvatbaar was zonder motivering ter zijde heeft geschoven.
In de toelichting wordt in aansluiting daarop aangevoerd:
Wanneer de rechter zich … met betrekking tot de straftoemeting, distantieert van de enige deskundige, maar daarbij niet zegt waarom, wordt het oordeel voor de straf onbegrijpelijk en is dat bovendien nog in strijd met de wet.
Aan dat standpunt
dat alleen zou gelden voor zover het betreft een afwijking van de deskundigenverklaring nopens de straftoemeting en niet als het bijv. gaat over bewijsrechtelijke thema’s
wordt ten grondslag gelegd, dat art. 359 lid 6 Sv voorschrijft dat het vonnis zoveel mogelijk de omstandigheden aangeeft, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.
Eerst een formeel aandoend punt: het hof heeft zich niet gedistantieerd van het advies van de deskundige
met betrekking tot de straftoemeting
maar met betrekking tot een factor die mede van belang is althans kan zijn voor de straftoemeting: de vraag of de verzoekster sterk verminderd dan wel verminderd toerekeningsvatbaar was. (De in het rapport geopperde mogelijkheid van algehele ontoerekeningsvatbaarheid werd gekoppeld aan de door het hof ontzenuwde voorwaarde, dat de verzoekster zich haar handelen op de relevante momenten niet kon herinneren (zie r.o. A).) Dat betekent, dat het hof, vaststellende dat er sprake was van verminderde en niet van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid op dit punt nauwkeurig de omstandigheid heeft aangegeven waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.
Naar het mij voorkomt geldt echter vooral dat ook inzake de toerekeningsvatbaarheid en de mate waarin die wel of niet bestaat de rechter gerechtigd is zonder nadere motivering van het door een deskundige gegeven advies af te wijken (HR 18 mei 1927, NJ 1927, 906, HR 13 dec. 1983, NJ 1984, 653, m.nt. Melai). Het is een wezenlijk element van ons strafproces, dat de rechter vrij is wat betreft het hem aangereikte bewijsmateriaal — ook als het van een deskundige afkomstig is — om daarvan naar eigen inzicht en overtuiging gebruik te maken of het terzijde te schuiven en niet gehouden is de wijze waarop hij dat gedaan heeft te motiveren. Indien een deskundige zich rechtstreeks met de straftoemeting inlaat (HR 6 mei 1975, NJ 1975, 416) kan de rechter zich daar zonder verdere motivering bij aansluiten, en hij kan dat advies ook zonder meer naast zich neerleggen. Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Noot
1
De verdachte, door haar vriend in de steek gelaten voor een andere vrouw, heeft zich naar het huis van haar gewezen vriend begeven om de zaak uit te praten. Daarbij is het tot een emotionele ruzie gekomen. Verdachte zag ter plaatse een mes liggen en heeft daarmee haar gewezen vriend enige malen gestoken, ten gevolge waarvan hij is overleden. Deswege is zij veroordeeld voor doodslag.
In het eerste middel wordt aangevoerd dat het hof het bestanddeel opzet van dit misdrijf in tweeerlei vorm bewezen heeft verklaard en derhalve tegenstrijdige beslissingen heeft gegeven. Het hof heeft nl. uit het feit, dat de verdachte heeft verklaard in woede te hebben gestoken, afgeleid dat zij willens en wetens heeft ‘gehandeld’; vervolgens overweegt het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad aangezien zij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat haar handeling de dood van het slachtoffer tot gevolg zou hebben.
Doodslag is een standaardvoorbeeld van een materieel delict, waarbij het dus gaat om het gevolg. Het handelen, waarmee dat gevolg wordt gerealiseerd, wordt in de delictsomschrijving niet expliciet omschreven. Als het hof derhalve overweegt, dat de verdachte geacht moet worden willens en wetens te hebben ‘gehandeld’, rijst de vraag wat daarmee wordt bedoeld. In het middel wordt dit handelen aldus gelezen, dat het zou betekenen ‘de dood veroorzaken’. Dan zou er inderdaad sprake zijn van strijdigheid met de volgende overweging over voorwaardelijk opzet. Maar die uitleg van de overwegingen van het hof is niet noodzakelijk en ook niet de meest voor de hand liggende, zoals de A G Leijten in zijn conclusie betoogt. Het woord ‘gehandeld’, zoals vermeld in de als eerste geciteerde overweging van het hof, slaat kennelijk op het daar besproken steken met een mes. De verdachte heeft willens en wetens enige keren gestoken met een mes, waardoor zij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat haar handeling de dood van het slachtoffer tot gevolg zou hebben. Zo opgevat is er geen sprake meer van innerlijke tegenstrijdigheid.
2
Van meer belang, zelfs van principieel belang, lijkt mij de uitspraak die de HR doet naar aanleiding van het tweede middel en ambtshalve. Die uitspraak is van gewicht voor de ontwikkeling van het leerstuk der strafuitsluitingsgronden in het algemeen en van hun verhouding tot de in de doctrine nog niet zo helder omlijnde figuur van de ‘dolus in causa’ en ‘culpa in causa’.
De verdachte heeft ter terechtzitting in beide feitelijke instanties een beroep gedaan op psychische overmacht en afwezigheid van alle schuld. Over de ontwikkeling en de huidige stand van zaken van het leerstuk overmacht, mede in verband met de culpa in causa, zie De Amsterdamse straatmuzikant, in E.A. Alkema e.a., NJ 1913–1988, annotatoren kijken terug, Zwolle 1988, p. 69–79. Het hof heeft dit verweer gepareerd met een overweging, gebaseerd op de dolus/culpa in causa-figuur, waarvan de strekking is dat de verdachte zich willens en wetens heeft begeven in een situatie waarin een hevige gemoedsbeweging voorspelbaar en een handeling als de bewezen verklaarde — dus het steken met een mes — niet denkbeeldig was. De vraag rijst nu of deze weerlegging door middel van de eigen schuldconstructie deugdelijk en afdoende is.
3
De onderhavige kwestie moet m.i. worden bezien tegen de achtergrond van twee sterk uiteenlopende invalshoeken om het leerstuk van de strafuitsluitingsgronden en hun verhouding tot de ‘dolus in causa’ en de ‘culpa in causa’ te benaderen. Beide perspectieven spelen een rol in de onderhavige zaak.
De eerste invalshoek is die van Strijards, geciteerd in het eerste middel. Zie G.A.M. Strijards, Strafuitsluitingsgronden, Studiepockets strafrecht nr. 14, Zwolle 1987, p. 44–46, 77–79. Volgens deze auteur kan men zich in het algemeen pas met vrucht op een strafuitsluitingsgrond beroepen als aan de normkrenkende gedraging geen anterieure verwijtbaarheid ten grondslag ligt (p. 45). Die anterieure verwijtbaarheid wordt vervolgens opgesplitst in dolus in causa (waarbij het zou gaan om ‘desbewustheid: heeft de dader ingezien dat het zeker was dat hij zo’n gedraging zou moeten begaan of dat daarop een geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans bestond’) en culpa in causa (neerkomend op een onverschoonbare dwaling, p. 46). Hieruit kan de indruk ontstaan dat de afwezigheid van anterieure verwijtbaarheid als het ware een voorwaarde zou zijn waaraan moet zijn voldaan voordat men aan een strafuitsluitingsgrond toekomt. Met andere woorden: voor het aannemen van een strafuitsluitingsgrond is dan eerst de vaststelling nodig dat er geen anterieure verwijtbaarheid is, te reconstrueren in termen van redelijke kenbaarheid (p. 78) en te benoemen in termen van dolus in causa of culpa in causa; pas daarna lijken de strafuitsluitingsgronden zelf aan bod te komen. Hoewel ook Strijards een onweerlegbaarheid van de ‘verwijtbaarheidsveronderstelling’ afwijst (p. 78), wordt de ruimte voor de strafuitsluitingsgronden op deze manier wel erg eng. Die sterke beperking van de ruimte voor strafuitsluitingsgronden vormt de wijdere strekking van zijn betoog en blijkt bijv. eveneens waar de ongeschreven schulduitsluitingsgrond ‘afwezigheid van alle schuld’ wordt afgewezen omdat hij niet goed zou passen in het dogmatisch systeem: de term geeft de toereikende rechtsgrond van de strafuitsluiting niet, hij geeft niet circumscript aan waarom een strafbaarheidsvoorwaarde afwezig is zoals het motiveringsbeginsel in het strafrecht zou eisen (p. 123). Die afwijzing van de afwezigheid van alle schuld, om de reden dat zij niet goed zou passen in het dogmatisch systeem, kan weer gezien worden in het licht van het uitgangspunt van Strijards’ benadering, dat dogmatiek en dogmatisch systeem voortdurend maatstaf en referentiepunt zijn van het denken van de jurist. Zie G.A.M. Strijards, Facetten van dwaling in het strafrecht, Arnhem 1983, o.a. p. 1, 11, 12, 19, 60.
De tweede invalshoek is die, waarin de dolus in causa en de culpa in causa in alle duidelijkheid de plaats krijgen toegewezen van specifieke en beperkte juridische correcties op de straffeloosheid bij eenmaal reeds aangenomen aanwezigheid van strafuitsluitingsgronden. Met andere woorden: bij een beroep op een strafuitsluitingsgrond moet eerst beoordeeld worden of er inderdaad een strafuitsluitingsgrond — de aangevoerde, dan wel een andere — aanwezig is; is dat inderdaad het geval, dan kan niettemin in specifieke gevallen van ‘eigen schuld’ de straffeloosheid toch weer gecorrigeerd en teniet gedaan worden via de constructie van dolus/culpa in causa. Bij dat laatste is het weer niet zo, dat al op voorhand anterieure verwijtbaarheid in beginsel de straffeloosheid opheft via dolus dan wel culpa in causa, zij het dat er geen onweerlegbare ‘verwijtbaarheidsveronderstelling’ mag ontstaan, maar opnieuw — precies andersom denkend — kan de straffeloosheid op grond van de reeds als vaststaand aangenomen strafuitsluitingsgrond uitsluitend weer worden gecorrigeerd en opgeheven wanneer er sprake is van dolus in causa of culpa in causa, wat specifieke juridische — en daarmee beperkte — vormen zijn van datgene wat als een veel wijdere en meer algemene categorie de anterieure verwijtbaarheid kan worden genoemd. Bij deze denkrichting, die inderdaad precies tegengesteld is aan die van de eerste invalshoek, past het niet om afwezigheid van schuld alleen in rechte te erkennen indien dat goed zou aansluiten bij en passen in het dogmatisch systeem. Hier is het niet de dogmatiek die de grenzen van het denken markeert, maar het kritisch denken dat de grenzen van de dogmatiek aftast. Het dogmatisch systeem is hier dan ook geen uitgangspunt van denken waarnaar zich de werkelijkheidservaring van onschuld maar moet schikken: het is het dogmatisch systeem dat zich moet schikken en zodanig moet worden geconstrueerd en bijgesteld dat het de maatschappelijke ervaring — in het bijzonder die van onschuld — kan inpassen, zo goed of zo kwaad als dat mogelijk is. Lukt die inpassing uiteindelijk niet, dan kan dat niet betekenen dat hetgeen als niet (voldoende) schuldig wordt ervaren toch maar gestraft moet worden, maar hooguit dat hetgeen als strafwaardig wordt ervaren toch niet kan worden gestraft. Het motiveringsbeginsel, dat inderdaad de hele strafrechtspleging doortrekt, brengt dan niet zozeer mee dat straffeloosheid alleen kan worden toegestaan indien de basis daarvan binnen de juridische dogmatiek circumscript kan worden aangegeven en geplaatst, maar wel dat de bestraffing alleen kan worden toegestaan indien de basis daarvan circumscript kan worden aangegeven en geplaatst binnen de op schuld gebaseerde strafrechtelijke dogmatiek. Denkend vanuit deze invalshoek is er een veel ruimere plaats voor een beroep op al dan niet geschreven strafuitsluitingsgronden.
4
De grotere ruimte, die vanuit deze tweede invalshoek voor strafuitsluitingsgronden wordt opengelaten, heeft niet alleen betrekking op de erkenning van ongeschreven gronden maar ook op de concrete afbakening van de reikwijdte van iedere erkende grond in een bepaald geval: dus ook bij de vraag of de straffeloosheid al dan niet weer teniet moet worden gedaan met behulp van een dolus//culpa in causa-constructie. Zo is zelfs bij zelfintoxicatie, ondanks de anterieure verwijtbaarheid die men daarmee verbonden kan zien, die constructie zeker geen panacee om alle beroepen op strafuitsluitingsgronden te weerleggen: zie het slot van de noot onder HR 28 juni 1983, NJ 1984, 53.
Deze denkwereld kan ook aansluiting vinden bij de open en genuanceerde benadering in het nog steeds actuele proefschrift van Bronkhorst. Zie C. Bronkhorst, Overmacht in het strafrecht, Nijmegen 1952. Bronkhorst keert zich daar (p. 229–230) tegen het toekennen van algemene gelding aan het uitgangspunt dat wie zich vrijwillig en welbewust in een bepaalde situatie heeft begeven zich niet meer kan beroepen op overmacht die gelegen is in die situatie. Telkens weer zal de rechter, van geval tot geval naar best vermogen oordelend, moeten uitmaken of de dader zich binnen of buiten de grenzen van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid heeft bewogen. Het betoog van Bronkhorst toont enerzijds hoe gering de theoretische onderbouwing van de figuur van dolus c.q. culpa in causa nog is. Anderzijds toont zijn betoog eveneens een verzet tegen de neiging om dan maar het probleem puur op het niveau van de dogmatiek glad te strijken en voor het gemak van de dogmatische inpasbaarheid dan toch maar een algemeen uitgangspunt te aanvaarden dat telkens de straffeloosheid opheft in iedere situatie die onder dat dogmatisch uitgangspunt valt, waarbij dan de veelvormigheid van maatschappelijke situaties maar onder het juk van de dogmatiek als uitgangspunt van denken zou moeten doorgaan. Bronkhorst erkent in ieder geval met zoveel woorden dat vormen van anterieure verwijtbaarheid de straffeloosheid bij aanwezigheid van een strafuitsluitingsgrond kunnen opheffen, maar hij stelt tegelijkertijd dat die correctie toch niet altijd dient plaats te vinden en dat, bij gebrek aan een theoretisch fundament dat kan dienen als een algemeen geldend uitgangspunt, de rechter maar binnen ieder afzonderlijk geval een normatief en feitelijk oordeel moet vellen wat in het betreffende geval van de verdachte verwacht en gevergd kon worden.
5
De uitspraak van de HR past in deze tweede gedachtenrichting. Volgens de HR zou de straffeloosheid bij aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond, waarop een beroep wordt gedaan, wel opgeheven worden indien de verdachte zich willens en wetens zou hebben blootgesteld aan de invloed van een drang waaraan zij geen weerstand kon bieden: maar die situatie blijkt niet uit de overwegingen van het hof. Het hof heeft, zo zou men de overweging van de HR kunnen parafraseren, uitsluitend vastgesteld dat de verdachte zich willens en wetens heeft begeven in een situatie waarvan ze heeft moeten kunnen voorzien dat er hevige emoties zouden spelen en waarin het dan niet alleen maar denkbeeldig zou zijn dat die emoties zouden leiden tot een uitbarsting in de vorm van een gewelddadige handeling, zoals het steken met een mes wanneer men dat mes juist op dat moment daar voorhanden ziet en waarbij dan de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat die steken de ander zullen doden. Tussen die vorm van ‘eigen schuld’ (de gerezen onderlinge problemen gaan uitspreken bij de gewezen vriend thuis) en het uiteindelijk vervullen van de delictsomschrijving van doodslag (door levensberoving) zitten zoveel schakels — het zich ook inderdaad voordoen van de voorspelbare hevige emoties, het vervolgens werkelijkheid worden van de tevoren slechts ‘niet-denkbeeldige’ kans op gewelddadig optreden, dan de vormgeving aan die gewelddadigheid op een door toevallige omstandigheden mede bepaalde wijze die zodanig is dat die tot de dood van de ander leidt en dan tenslotte de aanwezigheid daarbij van voorwaardelijk opzet gericht op die levensberoving — dat die ‘eigen schuld’ niet meer vanzelfsprekend de straffeloosheid bij aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond opheft. Derhalve mocht het hof het beroep op schulduitsluitingsgronden niet op deze wijze weerleggen. Evenmin als afwezigheid van anterieure verwijtbaarheid mag worden gezien als een voorwaarde om een strafuitsluitingsgrond te kunnen aannemen, mag op voorhand en in abstracto worden gesteld dat aanwezigheid van anterieure verwijtbaarheid althans in beginsel de straffeloosheid opheft die het gevolg is van een strafuitsluitingsgrond. Slechts in een beperkte groep van gevallen van anterieure verwijtbaarheid zal die verwijtbaarheid de specifieke gedaante kunnen aannemen van een dolus/culpa in causaconstructie die achteraf een correctie mag aanbrengen op de algemene regel van straffeloosheid bij strafuitsluitingsgronden. Bij het vellen van het oordeel hierover, dat neerkomt op een normatief oordeel aan de hand van hetgeen binnen de specifieke omstandigheden van het geval verwacht mag en moet worden, lijkt van bijzonder belang te zijn dat er een vrij directe band bestaat tussen enerzijds de anterieure verwijtbaarheid en anderzijds het uiteindelijke gedrag dat wettelijk strafbaar is gesteld en de eventueel toepasselijke strafuitsluitingsgrond: hoe indirecter de band, des te kleiner de mogelijkheden tot zo’n correctie zijn.
6
Tenslotte nog een opmerking over het derde middel, waaraan de HR niet is toegekomen. Volgens dit middel had het hof niet zonder nadere motivering mogen afwijken van het deskundigenoordeel betreffende de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid. Het hof had nl. het oordeel van de forensisch psychiater overgenomen, maar diens conclusie dat de verdachte ‘sterk verminderd toerekeningsvatbaar’ was terzijde gesteld voor het eigen oordeel dat de verdachte slechts ‘verminderd toerekeningsvatbaar’ zou zijn. Wat betreft de vraag naar het bewijs mag de rechter stilzwijgend aan het deskundigenoordeel voorbijgaan (hoewel dat enigszins genuanceerd dient te worden na het Poppenspel-arrest HR 28 febr. 1989, NJ 1989, 748; zie de noot onder dit arrest en onder HR 14 maart 1989, NJ 1989, 747), maar voor vragen die de straftoemeting betreffen wordt in het middel een bijzondere motiveringsplicht bij afwijking van het oordeel van de deskundige bepleit.
De vraag naar het toerekenen van het bewezen verklaarde aan de dader en naar de mate van toerekening is een normatieve vraag waarvan de beantwoording bij uitstek de taak is van de jurist, in het bijzonder van de rechter: het is geen specifieke taak of competentie van de medicus/psychiater, hoezeer de taken in de praktijk van vraagstelling aan forensische psychiaters en daarop toegeschreven conclusies in hun rapportages ook door elkaar plegen te lopen. In die zin ook de deskundige in kwestie, in zoverre hij in zijn oratie waarschuwt voor een psychiatrisering van de rechter en een juridisering van de psychiater: zie A.M.H. van Leeuwen, Altijd onvoltooid. Over toerekeningsvatbaarheid, Arnhem 1986, p. 26. Van Leeuwen bepleit vervolgens wel een andere uitbreiding en uitsplitsing van de bestaande terminologie in ‘toerekenbaarheid’, die het terrein van de rechter zou markeren, en ‘toerekeningsvatbaarheid’, die het psychiatrisch oordeel als voorfase van het werkterrein van de rechter zou moeten betreffen. Maar dit onderscheid is thans in rechtswetenschap noch rechtspraktijk gebruikelijk; de wet spreekt slechts van ‘toerekenen’ (art. 37, 39 Sr). In ieder geval: zodra het gaat om normatieve vragen, en daarom gaat het zowel bij de vraag naar de (mate van) toerekeningsvatbaarheid van de dader als bij de vraag naar de verdere invulling van de straftoemeting die beide vallen onder het wettelijke begrip ‘toerekenen’, dient in het strafproces de rechter aan het woord te zijn, zij het dat hij daartoe soms de basis behoeft van door de forensisch psychiater als deskundige verschafte gegevens en analyses betreffende die dader, diens persoonlijkheid en verdere achtergronden. In het voetspoor van Pompe en Enschede heeft onlangs Haffmans in zijn proefschrift weer gewezen op het onjuiste en misleidende gebruik van de term (on)toerekeningsvatbaarheid en op de onhoudbaarheid van een toedeling van het oordeel daarover aan de psychiater als zou dat oordeel losstaan van de normatieve beoordeling door de rechter. Zie uitvoerig Ch. Haffmans, De berechting van de psychisch gestoorde delinquent, Arnhem 1989, p. 42–45. In dit licht is het niet juist om de rechter een bijzondere motiveringsplicht op te leggen wanneer hij afwijkt van het oordeel van de forensisch psychiater over de (mate van) toerekeningsvatbaarheid als zou dat een afwijking betekenen van een oordeel van een deskundige op het vlak van diens specifieke competentie: integendeel, de rechter die de (mate van) toerekeningsvatbaarheid bepaalt, houdt zich bezig met een eerste deel van zijn eigen specifieke taak en competentie om in rechte normatieve vragen te beantwoorden.