HR 17-01-2006, NJ 2006, 303 Arrest Overstekend kind
HR 17-01-2006, NJ 2006, 303 Arrest Overstekend kind
NJ 2006 , 303
Hoge Raad (Strafkamer)
17 januari 2006 , nr. 00155/05
(Mrs. F.H. Koster, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, J.W. Ilsink, W.M.E. Thomassen; A-G Knigge)
m.nt. prof.mr. Y. Buruma
LJN: AU3447
m.nt. Y. Buruma
RVDW 2006 , 116
JOL 2006 , 32
Regeling
WVW art. 6; Sv art. 359 lid 5
Essentie
Dood door schuld in het verkeer.
1.
De bewezenverklaring dat verdachte zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, is toereikend gemotiveerd, nu verdachte met zijn bus de kruising is opgereden zonder dat hij had geverifieerd of een met de fiets overstekend kind de weg al volledig was overgestoken, waardoor hij over dat voor de bus gevallen kind is gereden.
2.
Onbegrijpelijke strafmotivering dat verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt.
Dood door schuld in het verkeer; bewezenverklaarde schuldgraad toereikend gemotiveerd; onbegrijpelijke strafmotivering.
Samenvatting
1.
Verdachte heeft zich zeer onvoorzichtig en onoplettend gedragen door een fietsersoversteekplaats op te rijden zonder dat hij had gezien dat een achter zijn moeder fietsend kind, dat toen aan zijn zicht was onttrokken en voor zijn bus was gevallen, de weg al was overgestoken. ’s Hofs oordeel dat de verdachte zich er van had moeten vergewissen of hij zijn weg kon vervolgen zonder gevaar voor het overstekende kind, geeft in het licht van de omstandigheden van het geval en tegen de achtergrond van de van de verdachte als bestuurder van een motorvoertuig te vergen zorgvuldigheid ten aanzien van een zeer kwetsbare verkeersdeelnemer als het slachtoffer, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.
Gelet op de voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte dat hij erkent dat hij zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en zich er onvoldoende van heeft vergewist waar het slachtoffer zich bevond, is de overweging in de strafmotivering dat verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, onbegrijpelijk.
Tekst
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 mei 2004, nummer 23/003141–03, in de strafzaak tegen: J.A. van H. Adv. mr. R.F. Thunnissen te ’s Gravenhage.
HOF:
De uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep de verdachte ter zake van ‘als bestuurder van een motorrijtuig overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood’ veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.
Cassatiemiddel:
(zie 3.1 en 4.1; red.)
Hoge Raad:
3 Beoordeling van het tweede middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaarde schuld niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
hij op 15 oktober 2001 te Amstelveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenbus, daarmee rijdende over de weg, Assering, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, genaamd Devin, werd gedood, bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte is met die door hem bestuurde personenbus vanaf de Assering bij de kruising met de Noorddammerweg rechtsaf geslagen teneinde de Noorddammerweg op te rijden. Hij heeft zijn personenbus tot stilstand gebracht voor de haaientanden die op het wegdek waren aangebracht voor de fietsersoversteekplaats van het parallel aan de Assering gelegen en daarvan deeluitmakende fietspad;
verdachte had de personenbus daar tot stilstand gebracht om twee hem op dat fietspad tegemoetkomende fietsers, mevr. B. en haar achter haar fietsende kindje Devin, op die fietsersoversteekplaats vrije doorgang te verlenen;
verdachte had het redelijke vermoeden dat de twee fietsers bij elkaar hoorden;
tijdens het oversteken van mevr. B. en haar kindje Devin is verdachte zich niet voldoende op de hoogte blijven stellen van de aanwezigheid van Devin op de fietsersoversteekplaats;
immers is verdachte, nadat hij had gezien dat mevr. B. de fietsersoversteekplaats was overgestoken, zonder zich voldoende te vergewissen waar Devin zich op die fietsersoversteekplaats bevond en zonder zich voldoende ervan te overtuigen dat hij dit kon doen zonder die Devin in gevaar te brengen, die fietsersoversteekplaats opgereden;
Devin was toen met zijn fiets gevallen en lag voor de personenbus van verdachte op het wegdek van de fietsersoversteekplaats;
verdachte heeft toen met de personenbus die Devin overreden.
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen:
a
de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voorzover inhoudende:
Desgevraagd verklaar ik dat ik het door de rechtbank bewezen verklaarde feit beken, te weten:
dat ik op 15 oktober 2001 te Amstelveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenbus, daarmee rijdende over de weg, Assering, mij zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend, heb gedragen dat een aan mijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een kind, genaamd Devin, werd gedood.
Het volgende is gebeurd:
ik ben met die door mij bestuurde personenbus vanaf de Assering bij de kruising met de Noorddammerweg rechtsaf geslagen teneinde de Noorddammerweg op te rijden. Ik heb mijn personenbus tot stilstand gebracht voor de haaientanden die op het wegdek waren aangebracht voor de fietsersoversteekplaats van het parallel aan de Assering gelegen en daarvan deeluitmakende fietspad;
ik had de personenbus daar tot stilstand gebracht om twee mij op dat fietspad tegemoetkomende fietsers, mevr. B. en haar achter haar fietsende kindje Devin, op die fietsersoversteekplaats vrije doorgang te verlenen;
ik vermoedde dat de twee fietsers bij elkaar hoorden;
tijdens het oversteken van mevr. B. en haar kindje Devin ben ik mij niet voldoende op de hoogte blijven stellen van de aanwezigheid van Devin op de fietsersoversteekplaats;
immers ben ik, nadat ik had gezien dat mevr. B. de fietsersoversteekplaats was overgestoken, zonder mij voldoende te vergewissen waar Devin zich op die fietsersoversteekplaats bevond en zonder mij voldoende ervan te overtuigen dat ik dit kon doen zonder die Devin in gevaar te brengen, die fietsersoversteekplaats opgereden;
Devin was toen met zijn fiets gevallen en lag voor mijn personenbus op het wegdek van de fietsersoversteekplaats;
ik heb toen met de personenbus die Devin overreden.
b
een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren J. Willems en J.P. Schilperoord, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel van een van hen:
Wegomschrijving:
Op de plaats waar het fietspad van de Assering de Noorddammerweg kruiste werd dit fietspad gemarkeerd door middel van een op de rijbaan aangebrachte blokmarkering. Zowel op de oostelijke als op het westelijke deel van de Noorddammerweg waren voor deze blokmarkering haaientanden op de rijbaan aangebracht.
Aangetroffen sporen op of aan de voertuigen.
Het frame van de fiets van het slachtoffer was ter hoogte van het achterwiel verbogen. Het frame was zodanig verbogen, dat er een kracht van de rechterzijde van de fiets naar de linkerzijde van de fiets had gewerkt.
Op de stootbalk van de taxibus troffen wij een geel verfspoor aan, vermoedelijk afkomstig van de fiets van het slachtoffer.
c
een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van mevr. B.:
Op maandag 15 oktober 2001 reed ik met mijn zoontje Devin (het hof begrijpt: B.) over het fietspad op de Asserring (naar het hof begrijpt: te Amstelveen). Ik wilde de Noorddammerweg oversteken. Devin fietste achter mij aan. Ik zag dat op de Asserring een blauwe taxibus mij tegemoet kwam rijden en rechtsaf de Noorddammerlaan (het hof leest: Noorddammerweg) op wilde rijden. Ik zag dat het taxibusje de bocht omging en voor de fietsersoversteekplaats stil stond. Ik zag dat de bestuurder naar mij een gebaar maakte dat ik kon oversteken. Ik fietste door. Toen ik de Noorddammerweg was overgestoken hoorde ik achter me dat Devin viel. Ik zag dat Devin was gevallen en dat hij en zijn fiets voor het taxibusje op straat lag. Ik zag dat het busje ging rijden. Ik zie dat de bestuurder met zijn taxibusje vervolgens over Devin heen rijdt.
d
een verslag van 15 oktober 2001, opgemaakt door M.J. van der Meulen, lijkschouwer van de gemeente Amsterdam, betreffende een niet natuurlijke dood, voorzover inhoudende:
Naam: B.
Voornamen: Devin
Geboren op: (…) 1996
—
Kind is aangereden door bus, hedenmiddag ongeveer 15:00 uur
—
Aankomst EHBO AZVU rond 15:25 uur; kind was constant in diep coma.
—
Reanimatiepogingen zonder resultaat. Kind is overleden verklaard om 16:05 uur.
Bij schouw: ernstig hoofdletsel met schade linkerzijde schedel (zou niet met het leven verenigbaar zijn wat hersenschade aangaat). Voorts zou inwendige verbloeding rechtstreekse doodsoorzaak zijn geweest.
3.4
Met betrekking tot de opgelegde straf heeft het Hof overwogen:
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee jaren.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft, nadat hij volgens de regels gestopt was voor het kruisende fietspad teneinde voorrang te verlenen aan een vrouw op een fiets en een achter haar fietsend kind, met zijn personenbus het kind dat vlak voor zijn bus ten val was gekomen en op dat moment door verdachte niet meer kon worden gezien, overreden. Het kind, op het moment van het ongeluk slechts vijf jaar oud, is aan zijn verwondingen overleden. Het ongeluk gebeurde voor de ogen van de moeder, die voor haar kind uitfietste en omkeek toen zij bemerkte dat haar zoontje was gevallen. In paniek heeft zij vergeefs geprobeerd verdachte tegen te houden, toen hij met zijn bus optrok terwijl haar kind voor de auto op de weg lag.
Het aangerichte leed is onherstelbaar en onvoorstelbaar groot.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het ongeluk weliswaar betreurt maar zichzelf niet volledig schuldig acht aangezien hij van mening is dat hij uit een handgebaar dat de moeder naar hem zou hebben gemaakt, af mocht leiden dat het jongetje — dat hij op dat moment niet kon waarnemen — uit de gevarenzone was. Verdachte heeft naar eigen zeggen niets van het ongeval gemerkt en werd er pas op geattendeerd dat er iets gebeurd was, toen hij mensen hoorde gillen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij beide fietsers, moeder en kind, heeft zien aankomen, voor hen gestopt was, had gezien dat zij beiden aan de oversteek van links naar rechts voor zijn bus langs waren begonnen en door zijn rechter zijruit had gezien dat de moeder over de kruising heen was. Verdachte wist dat zijn uitzicht op het wegdek voor hem enigszins beperkt was door de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte.
Desondanks is verdachte met zijn bus opgetrokken zonder dat hij had gezien dat het kind voor hem langs veilig de kruising was opgestoken.
De stelling van de verdachte dat hij reageerde op een handgebaar van de moeder is niet relevant. Een kind dat aan het verkeer deelneemt, is bijzonder kwetsbaar. Verdachte had dan ook extra alert moeten zijn op de positie van het jongetje en moeten wachten totdat hij met eigen ogen had gezien dat het kind veilig was overgestoken en met zijn moeder voort fietste op het voor verdachte zichtbare gedeelte van het fietspad. De verantwoordelijkheid en de schuld ligt dan ook enkel en alleen bij de verdachte.
Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 31 maart 2004, is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Verdachte is werkzaam geweest als beroepschauffeur en werkt na zijn pensioenering tot op de dag van vandaag enkele uren per dag voor en bij een taxibedrijf. Hij heeft jarenlange rijervaring. Het hof realiseert zich dat het gevolg van een zeer langdurige onvoorwaardelijke rijontzegging zal zijn dat de verdachte zijn baan zal verliezen, zijn familie niet rond kan rijden en mogelijk nooit meer bestuurder van een motorrijtuig kan zijn. Het hof is niettemin van oordeel dat, nu bewezen is verklaard dat de verdachte zeer aanmerkelijke schuld heeft aan een zeer ernstig ongeval waarbij een jong kind het leven heeft verloren, terwijl de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, in het belang van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zeer lange duur dient te volgen.
Gezien het hiervoor overwogene is de door de rechtbank opgelegde straffen, die ook door de advocaat-generaal zijn gevorderd een passende reactie op het bewezengeachte feit en doet deze onvoldoende recht aan de ernst daarvan. Met name acht het hof de duur van de in eerste aanleg opgelegde en in hoger beroep gevorderde bijkomende straf onvoldoende. Het hof acht slechts de hierna op te leggen straffen passend en geboden.
3.5
In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaard zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252).
3.6
Het Hof heeft vastgesteld dat het uitzicht van de verdachte op het voor de door hem bestuurde bus gelegen wegdek beperkt was door de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte, dat de verdachte gezien heeft dat de moeder voor de bus langs was overgestoken en dat hij vervolgens is opgetrokken zonder dat hij heeft gezien dat ook het achter de moeder fietsende vijfjarige slachtoffer — dat toen aan zijn zicht was onttrokken — de oversteekmanoeuvre had voltooid.
Het in de overwegingen van het Hof vervatte nadere oordeel dat en waarom sprake is van de bewezenverklaarde schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 komt erop neer dat de verdachte in de omstandigheden van het geval, alvorens zijn weg te vervolgen, zich er zelf van had moeten vergewissen of hij dit kon doen zonder gevaar voor het overstekende kind en dat hij in dat opzicht niet had mogen afgaan op enig gebaar van de moeder.
Dat oordeel geeft in het licht van de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder voorzover die het beperkte uitzicht van de verdachte betreffen, en tegen de achtergrond van de van de verdachte als bestuurder van een motorvoertuig te vergen zorgvuldigheid ten aanzien van een zeer kwetsbare verkeersdeelnemer als het slachtoffer, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.
3.7
Het middel faalt dus.
4 Beoordeling van het eerste middel
4.1
Het middel keert zich tegen de strafoplegging.
4.2
Het Hof heeft omtrent de strafoplegging overwogen:
Het hof is niettemin van oordeel dat, nu bewezen is verklaard dat de verdachte zeer aanmerkelijke schuld heeft aan een zeer ernstig ongeval waarbij een jong kind het leven heeft verloren, terwijl de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, in het belang van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zeer lange duur dient te volgen.
4.3
’s Hofs overweging dat de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof tot het bewijs heeft gebezigd de verklaring van de verdachte waarin hij erkent dat hij zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat hij de fietsersoversteekplaats is opgereden zonder zich er voldoende van te vergewissen waar het slachtoffer zich bevond.
Gelet op het vorenstaande is de strafoplegging niet naar behoren met redenen omkleed.
4.4
Het middel is gegrond.
5 Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt op grond waarvan de bestreden uitspraak ambtshalve behoort te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6 Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te ’s Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Conclusie
A G mr. Knigge
4
Ik versta het eerste middel aldus, dat erover wordt geklaagd dat het Hof, door te overwegen dat de verdachte ‘niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt’, niet heeft beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Ik versta het tweede middel aldus, dat erover wordt geklaagd dat de bewezenverklaarde (grove) schuld niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
5
Beide klachten hangen met elkaar samen. Ik vind daarin aanleiding eerst het tweede middel te bespreken, en daarna het eerste. Ik merk voorts op dat het Hof geen scherp onderscheid heeft gemaakt tussen de bewijsmotivering en de strafmotivering. Hetgeen ten aanzien van de strafoplegging wordt overwogen, vormt ten dele een verduidelijking van het gegeven bewijsoordeel. Daarom geef ik hierna niet alleen de bewezenverklaring en de bewijsmotivering weer, maar tegelijk ook de strafmotivering.
6
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
hij op 15 oktober 2001 te Amstelveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenbus, daarmee rijdende over de weg, Assering, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, genaamd Devin, werd gedood, bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte is met die door hem bestuurde personenbus vanaf de Assering bij de kruising met de Noorddammerweg rechtsaf geslagen teneinde de Noorddammerweg op te rijden. Hij heeft zijn personenbus tot stilstand gebracht voor de haaientanden die op het wegdek waren aangebracht voor de fietsersoversteekplaats van het parallel aan de Assering gelegen en daarvan deeluitmakende fietspad;
verdachte had de personenbus daar tot stilstand gebracht om twee hem op dat fietspad tegemoetkomende fietsers, mevr. B. en haar achter haar fietsende kindje Devin, op die fietsersoversteekplaats vrije doorgang te verlenen;
verdachte had het redelijke vermoeden dat de twee fietsers bij elkaar hoorden;
tijdens het oversteken van mevr. B. en haar kindje Devin is verdachte zich niet voldoende op de hoogte blijven stellen van de aanwezigheid van Devin op de fietsersoversteekplaats;
immers is verdachte, nadat hij had gezien dat mevr. B. de fietsersoversteekplaats was overgestoken, zonder zich voldoende te vergewissen waar Devin zich op die fietsersoversteekplaats bevond en zonder zich voldoende ervan te overtuigen dat hij dit kon doen zonder die Devin in gevaar te brengen, die fietsersoversteekplaats opgereden;
Devin was toen met zijn fiets gevallen en lag voor de personenbus van verdachte op het wegdek van de fietsersoversteekplaats;
verdachte heeft toen met de personenbus die Devin overreden.
7
Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen: (zie arrest onder 3.3; red.)
8
Met betrekking tot de opgelegde straf heeft het Hof overwogen:
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee jaren.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft, nadat bij volgens de regels gestopt was voor het kruisende fietspad teneinde voorrang te verlenen aan een vrouw op een fiets en een achter haar fietsend kind, met zijn personenbus het kind dat vlak voor zijn bus ten val was gekomen en op dat moment door verdachte niet meer kon worden gezien, overreden. Het kind, op het moment van het ongeluk slechts vijf jaar oud, is aan zijn verwondingen overleden. Het ongeluk gebeurde voor de ogen van de moeder, die voor haar kind uitfietste en omkeek toen zij bemerkte dat haar zoontje was gevallen. In parnek heeft zij vergeefs geprobeerd verdachte tegen te houden, toen hij met zijn bus optrok terwijl haar kind voor de auto op de weg lag.
Het aangerichte leed is onherstelbaar en onvoorstelbaar groot.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het ongeluk weliswaar betreurt maar zichzelf niet volledig schuldig acht aangezien hij van mening is dat hij uit een handgebaar dat de moeder naar hem zou hebben gemaakt, af mocht leiden dat het jongetje — dat hij op dat moment niet kon waarnemen — uit de gevarenzone was. Verdachte heeft naar eigen zeggen niets van het ongeval gemerkt en werd er pas op geattendeerd dat er iets gebeurd was, toen hij mensen hoorde gillen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij beide fietsers, moeder en kind, heeft zien aankomen, voor hen gestopt was, had gezien dat zij beiden aan de oversteek van links naar rechts voor zijn bus langs waren begonnen en door zijn rechter zijruit had gezien dat de moeder over de kruising heen was. Verdachte wist dat zijn uitzicht op het wegdek voor hem enigszins beperkt was door de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte.
Desondanks is verdachte met zijn bus opgetrokken zonder dat hij had gezien dat het kind voor hem langs veilig de kruising was opgestoken.
De stelling van de verdachte dat hij reageerde op een handgebaar van de moeder is niet relevant. Een kind dat aan het verkeer deelneemt, is bijzonder kwetsbaar. Verdachte had dan ook extra alert moeten zijn op de positie van het jongetje en moeten wachten totdat hij met eigen ogen had gezien dat het kind veilig was overgestoken en met zijn moeder voort fietste op het voor verdachte zichtbare gedeelte van het fietspad. De verantwoordelijkheid en de schuld ligt dan ook enkel en alleen bij de verdachte.
Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Docunientatiedienst van 31 maart 2004, is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Verdachte is werkzaam geweest als beroepschauffeur en werkt na zijn pensioenering tot op de dag van vandaag enkele uren per dag voor en bij een taxibedrijf. Hij heeft jarenlange rijervaring. Het hof realiseert zich dat het gevolg van een zeer langdurige onvoorwaardelijke rijontzegging zal zijn dat de verdachte zijn baan zal verliezen, zijn familie niet rond kan rijden en mogelijk nooit meer bestuurder van een motorrijtuig kan zijn. Het hof is niettemin van oordeel dat, nu bewezen is verklaard dat de verdachte zeer aanmerkelijke schuld beeft aan een zeer ernstig ongeval waarbij een jong kind het leven heeft verloren, terwijl de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, in het belang van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zeer lange duur dient te volgen.
Gezien het hiervoor overwogene is de door de rechtbank opgelegde straffen, die ook door de advocaat-generaal zijn gevorderd een passende reactie op het bewezengeachte feit en doet deze onvoldoende recht aan de ernst daarvan. Met name acht het hof de duur van de in eerste aanleg opgelegde en in hoger beroep gevorderde bijkomende straf onvoldoende. Het hof acht slechts de hiema op te leggen straffen passend en geboden.
9
Het tweede cassatiemiddel richt zich als gezegd op de motivering van de bewezenverklaring. De bewezenverklaarde schuld — die door het Hof in de strafmotivering als ‘zeer aanmerkelijk’ wordt aangemerkt — zou niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Aangevoerd wordt dat de aanmerkelijke schuld ‘in elk geval niet zonder meer voortvloeit uit de omstandigheid dat als gevolg van een en ander een kind is gedood’. Er zou veeleer sprake zijn van ‘een hoogst ongelukkige samenloop van omstandigheden’.
10
Voor een goed begrip van deze klacht vat ik de gang van zaken zoals die uit de bewijsmiddelen blijkt, kort samen. Verdachte verleende als bestuurder van een personenbus voorrang aan twee fietsers, namelijk een moeder en haar — achter haar aan fietsende — zoontje van vijf jaar. Het jongetje (Devin) viel met als gevolg dat hij met zijn fiets voor de personenbus op straat kwam te liggen. De verdachte trok op nadat hij had gezien dat de moeder was overgestoken. Hij reed daardoor over het jongetje heen. De vraag is of dat voldoende is voor de vereiste grove schuld. Ik merk daarbij op dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat het jongetje door toedoen van de verdachte ten val is gekomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt eerder het tegendeel. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook niet dat de verdachte had gezien dat het jongetje was gevallen en vóór de wielen van zijn auto was terechtgekomen. Ook dat was kennelijk niet het geval.
11
Als eerste bewijsmiddel bezigt het Hof de ter terechtzitting van het Hof afgelegde verklaring van de verdachte. Opmerkelijk is dat de verdachte daarin schuld bekent: ‘Desgevraagd verklaar ik dat ik het door de rechtbank bewezenverklaarde feit beken, te weten: dat ik (…) ‘mij zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend, heb gedragen dat een aan mijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaats gevonden (…)’. De vraag is of deze schuldbekentenis een wettig bewijsmiddel oplevert. Mijns inziens is dat niet het geval. Een verdachte kan niet uit eigen wetenschap verklaren dat zijn gedrag schuld oplevert in de zin van art. 6 WVW 1994. Dat is een oordeel dat de rechter dient te geven.* [1] Nu in de cassatiemiddelen niet over het gebruik van deze passage als bewijsmiddel wordt geklaagd, zal dit motiveringsgebrek geen zelfstandige grond voor cassatie kunnen opleveren. Wel zal deze passage buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de vraag of het bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
12
Dezelfde verklaring houdt in dat ‘ik mij niet voldoende op de hoogte (ben) blijven stellen’ van de aanwezigheid van Devin op de voetgangersoversteekplaats en voorts dat ‘ik’ de fietsersoversteekplaats ben opgereden ‘zonder mij voldoende te vergewissen’ waar Devin zich bevond en ‘zonder mij voldoende ervan te overtuigen dat ik dit kon doen zonder die Devin (…) in gevaar te brengen’. Ook voor deze passages geldt dat de vraag is of zij een voor het bewijs bruikbare inhoud hebben. Dat is mijns inziens weer niet het geval voor zover daarin gelezen moet worden dat de verdachte erkent zich onvoldoende op de hoogte te hebben gesteld (en dat dit tekortschieten ‘schuld’ oplevert). Een verdachte kan verklaren dat hij zich niet op de hoogte heeft gesteld. Of hij dat had moeten doen, is een oordeel dat de rechter dient te geven. Mijns inziens dienen deze passages — voorzover zij een erkenning van schuld inhouden — eveneens buiten beschouwing te worden gelaten.
13
In HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252 m.nt. Kn oordeelde de Hoge Raad dat niet in zijn algemeenheid is aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Dit omdat daarvoor verschillende factoren van belang zijn, ‘zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan’. Daarbij liet de Hoge Raad een waarschuwend geluid horen: ‘niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin’.
14
Ik heb mij afgevraagd of in deze zaak sprake is van een ‘verkeersovertreding’, of te wel van ‘gedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer’. Gedacht zou kunnen worden aan overtreding van art. 17 lid 1 RVV, luidende: ‘Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt (…), voor laten gaan’. Gedacht kan ook worden aan art. 62 jo. art. 80 RVV, op grond waarvan bestuurders die haaietanden op hun pad treffen, ‘voorrang (moeten) verlenen aan bestuurders op de kruisende weg’. Wat ‘voor laten gaan’ betekent, wordt in art. 1 RVV niet gezegd. Wel wordt daarin bepaald wat onder voorrang verlenen moet worden verstaan. Dat wordt in art. 1 sub am RVV gedefinieerd als ‘het de betrokken bestuurder in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen’. Als dit letterlijk wordt genomen, heeft de verdachte in dit geval voorrang verleend. Hij heeft immers zowel Devin als zijn moeder in staat gesteld ongehinderd hun weg te vervolgen. Het was Devin die — hoe cru het misschien ook klinkt — van de geboden gelegenheid geen adequaat gebruik maakte. Het is echter verdedigbaar dat ‘voorrang verlenen’ (en ‘voor laten gaan’) ruimer moeten worden genomen zodat deze begrippen impliceren dat net zolang gewacht wordt tot de betrokken bestuurder het kruisingsvlak heeft verlaten.
15
Gedacht kan ook worden aan overtreding van het voorschrift van art. 54 RVV, volgens hetwelke ‘bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden (…) het overige verkeer voor (moeten) laten gaan’. Men kan zich afvragen of het in dit geval de verdachte is die een ‘bijzondere manoeuvre’ heeft uitgevoerd. Volgens de Nota van Toelichting was het ‘noodzakelijk uitdrukkelijk te bepalen dat bestuurders die bepaalde bijzondere manoeuvres uitvoeren, bestuurders die op een normale wijze aan het verkeer deelnemen, voor moeten laten gaan’.* [2] De vraag is of Devin, nadat hij ten val was gekomen, aangemerkt kan worden als een bestuurder die op een normale wijze aan het verkeer deelnam, en bijgevolg of het voorschrift van art. 54 RVV op situaties als de onderhavige betrekking heeft. Daar staat misschien tegenover dat de Hoge Raad in 1955 onder de gelding van het toenmalige Wegenverkeersreglement besliste dat ook de automobilist die even heeft gestopt, bijvoorbeeld om voorrang te verlenen, ‘wegrijdt’ en dus een bijzondere manoeuvre uitvoert.* [3]
16
Met het voorgaande wil uiteraard niet betoogd zijn dat van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 alleen sprake kan zijn als sprake is van een overtreding van een wettelijke gedragsregel. De vraag is wel of het beslissingsschema zoals dat door de Hoge Raad in bovengenoemd arrest (NJ 2005, 252) is ontvouwd, op de casus past. Ik meen dat, zo van een overtreding van één of meer van de genoemde gedragsregels kan worden gesproken (ik sluit dat bepaald niet uit), die overtreding een atypisch karakter heeft. Van een standaardsituatie, waarin de bestuurder ver gebleven is onder de norm die in die situatie voor hem geldt, en door die verstoring van het normale patroon gevaar sticht, is geen sprake. Het gaat om (al dan niet adequaat) handelen in een abnormale en gevaarlijke situatie die niet door een fout van de bestuurder in het leven was geroepen. Het is wellicht verhelderend om hetzelfde vanuit het perspectief van de andere verkeersdeelnemers (de potentiële slachtoffers) te verwoorden. Die verkeersdeelnemers mogen erop vertrouwen dat de bestuurder zich aan de voor hem geldende regels houdt, zodat zij ongestoord hun weg kunnen vervolgen. Als de bestuurder zich vervolgens niet aan die regels houdt is het ontstane gevaar — en de eventuele botsing of aanrijding — aan zijn fout te wijten. In casu was het Devin die door zijn val — ongewild en zijns ondanks, maar toch — het normale patroon verstoorde. Hij lag niet op straat omdat hij erop mocht vertrouwen dat de verdachte niet weg zou rijden. Ook de moeder heeft daarop kennelijk niet vertrouwd. Zij onderkende, toen zij hoorde dat haar zoontje viel, het gevaar onmiddellijk en heeft — kennelijk — nog geprobeerd de verdachte met een handgebaar te waarschuwen. De tragiek daarbij was dat de verdachte dat handgebaar verkeerd interpreteerde. Maar dat de moeder het nodig oordeelde om de aandacht van verdachte te trekken, tekent de situatie.
17
Het atypische karakter van de overtreding — aangenomen dat daarvan sprake is — kleurt het oordeel over de grove schuld. Het gaat daarbij — om met de Hoge Raad te spreken — om de aard en de ernst van de overtreding en om de omstandigheden waaronder die is begaan. De vraag is, of als die factoren in de beschouwing worden betrokken, nog wel gesproken kan worden van grove schuld. Een complicerende vraag daarbij is, wat gerekend dient te worden tot de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Behoren daartoe ook de feitelijke gegevens die betrekking hebben op de vraag of de verdachte had kunnen zien dat Devin viel en voor zijn auto op straat lag? Of zijn dat omstandigheden die betrokken moeten worden op de vraag of (alle) verwijtbaarheid ontbrak?* [4] Soortgelijke vragen kunnen worden gesteld met betrekking tot de door de verdachte aangevoerde omstandigheid dat hij is afgegaan op een handgebaar van de moeder. Ik meen dat in elk geval de precieze positie van de gevallen Devin (vlak vóór het taxibusje of juist enkele meters daarvoor, duidelijk zichtbaar voor de bestuurder) tot de objectieve verkeerssituatie moet worden gerekend en dus betrokken moet worden op de vraag of de verkeersovertreding grove schuld oplevert. Maar misschien is de moeilijkheid wel dat het beslissingsschema dat in NJ 2005, 252 werd ontwikkeld, zich in casu — vanwege het atypische karakter van de overtreding — minder goed voor toepassing leent.
18
In elk geval wel onverkort van toepassing blijft de waarschuwing dat niet elk tekortschieten van de verdachte grove schuld oplevert en dat die grove schuld niet uit de ernst van de gevolgen mag worden afgeleid.
19
Het Hof stelt in de strafmotivering vast dat het uitzicht van de verdachte op het wegdek enigszins beperkt was door de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte. Ik leid daaruit af dat de verdachte niet kon zien dat het jongetje voor zijn auto op het wegdek lag. Dat jongetje bevond zich met andere woorden in een soort ‘dode hoek’ van het door de verdachte bestuurde voertuig.
20
Het feit dat het latere slachtoffer zich in een dode hoek bevond, disculpeert de verdachte blijkens de jurisprudentie niet snel. Men zie bijvoorbeeld HR 3 februari 1987, NJ 1987, 732; HR 10 september 1991, NJ 1991, 839 en HR 17 september 2002, NJ 2002, 549. De onderhavige zaak is echter met de zaken waarop deze arresten betrekking hebben, niet geheel vergelijkbaar. In de beide eerst genoemde arresten was telkens sprake van een verdachte die in een standaardsituatie geen voorrang verleende en die dus het vertrouwen beschaamde dat andere weggebruikers in zijn regelconform gedrag mochten stellen. In de laatstgenoemde zaak was de verdachte achteruit een kruising opgereden en bij die bijzondere manoeuvre een bromfietser niet voor laten gaan. Ook hier was dus geen sprake van het regelconforme gedrag waarop het overige verkeer mocht rekenen.
21
In de klassieke benadering van de culpa speelt de voorzienbaarheid van de gevolgen voor de dader een grote rol. De vraag is of de verdachte toen hij voorrang verleende redelijkerwijs had moeten voorzien dat het jongetje — dat onder begeleiding van zijn moeder en dus met haar kennelijke instemming aan het verkeer deelnam en daarom geacht kon worden over de daarvoor noodzakelijke rijvaardigheid te beschikken — ten val zou komen. Mijns inziens behoorde dat in elk geval niet tot het normaal te verwachten verloop der dingen. Desalniettemin moet misschien van een bestuurder gevergd worden dat hij met deze — nooit uit te sluiten — mogelijkheid rekening houdt. Op dat standpunt stelt zich het Hof. Het oordeelt dat de verdachte, nu hij wist dat hij een beperkt zicht had en het om een kwetsbare verkeersdeelnemer ging, ‘exra alert’ had moeten zijn en pas had mogen optrekken nadat hij ‘met eigen ogen’ had gezien dat het jongetje veilig de overkant had bereikt. Met dat argument veegt het Hof het verweer van de verdachte van tafel dat hij was afgegaan op een handgebaar van de moeder. Volgens het Hof is dat gegeven ‘niet relevant’. Ik merk daarbij op dat het Hof de feitelijke juistheid van verdachtes stelling minst genomen in het midden heeft gelaten zodat er in cassatie van mag worden uitgegaan dat de verdachte inderdaad op een — door hem verkeerd geïnterpreteerd — teken van de moeder is afgegaan.
22
De vraag waarop het mijns inziens uiteindelijk aankomt, is of het niet vertonen van de extra alertheid die het Hof vergt, aangemerkt kan worden als een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of zelfs — zoals het Hof oordeelde — als een zeer aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Ik meen dat dit niet het geval is. Daarbij merk ik op dat ik niet kan inzien dat het afgaan op een teken van de vrouw die als begeleidster van het kind optrad, als een grove onvoorzichtigheid heeft te gelden. Het is geenszins ongebruikelijk dat een bestuurder zich bij het uitvoeren van bepaalde manoeuvres laat leiden door de aanwijzingen die iemand geeft die de situatie beter kan overzien. In casu was tijdens het oversteken sprake van een vorm van communicatie tussen de betrokkenen. Zoals uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de moeder blijkt, stak zij over nadat de verdachte een gebaar maakte dat zij kon oversteken. Waarom zou de verdachte dan niet op zijn beurt mogen afgaan op een gebaar van de moeder? Het antwoord kan niet zijn: omdat achteraf bleek dat de moeder het anders had bedoeld. Dwaling kan immers disculperend werken. Het Hof had mijns inziens moeten onderzoeken of de dwaling waarin de verdachte verkeerde, verschoonbaar was.
23
Ik meen dat de bewezenverklaarde (zeer) aanmerkelijke schuld niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dit primair omdat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat aan de vereiste schuldgraad is voldaan. Subsidiair omdat het oordeel van het Hof dat de grove onvoorzichtigheid de verdachte verweten kan worden, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
24
Het middel slaagt.
25
Voor het geval Uw Raad daarover anders mocht oordelen, bespreek ik ook het eerste middel. Daarin wordt er als gezegd over geklaagd dat het Hof, door te oordelen dat de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, niet heeft beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.
26
Voor de duidelijkheid herhaal ik de — hiervoor onder 8 reeds weergegeven — passage waarop het middel betrekking heeft:
Het hof is niettemin van oordeel dat, nu bewezen is verklaard dat de verdachte zeer aanmerkelijke schuld heeft aan een zeer ernstig ongeval waarbij een jong kind het leven heeft verloren, terwijl de verdachte niet de indruk geeft in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt, in het belang van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zeer lange duur dient te volgen.
27
De vraag die zich reeds bij lezing van het arrest van het Hof opdringt, is hoe deze overweging zich verhoudt tot de voor het bewijs gebezige, ‘gave’ schuldbekentenis die de verdachte ter zitting aflegde. Zoals onder 11 en 12 reeds ter sprake kwam erkende de verdachte niet alleen volmondig dat hij zich ‘zeer onvoorzichtig en onoplettend’ heeft gedragen, maar ook dat hij de fietsersoversteekplaats was overgestoken zonder zich er voldoende van te vergewissen waar Devin zich bevond. Men vraagt zich af hoe het Hof aan deze verklaringen in het kader van de bewijsmotivering betekenis heeft kunnen toekennen, als het tegelijk van oordeel is dat de verdachte niet de indruk wekt te beseffen dat hij een grote fout heeft begaan. Daarin schuilt iets tegenstrijdigs.
28
Het proces-verbaal van de zitting biedt mijns inziens weinig steun voor de vaststelling van het Hof dat de verdachte niet de indruk wekt over voldoende schuldbesef te beschikken. Het verhandelde ter zitting wijst eerder op het tegendeel. Aanvankelijk was alleen de gemachtigde raadsvrouw verschenen. Het Hof beval echter de persoonlijke verschijning van de verdachte. Deze verklaarde vervolgens alleen bezwaar te hebben tegen de opgelegde straf. Dat verraste de raadsvrouw. Zij vroeg om een onderbreking om met haar cliënt te overleggen nu deze zijn standpunt met betrekking tot het ingestelde beroep kennelijk had gewijzigd. Na hervatting deelde de raadsvrouw mee dat alleen een strafmaatverweer zal worden gevoerd en dat daarom kon worden afgezien van het horen van de opgeroepen, ter zitting verschenen getuigen. De verdachte zag dus zeer uitdrukkelijk — mogelijk tegen het advies van zijn raadsvrouw in — af van het voeren van verweer tegen de tenlastelegging. Dat duidt eerder op een overmaat aan schuldbesef, dan op een gebrek daaraan.
29
Mogelijk is het Hof gevallen over hetgeen de verdachte verklaarde nadat hij volmondig schuld had bekend: ‘Ik ben echter van oordeel dat de moeder van het slachtoffer ook schuld heeft aan het ongeval. Zij heeft immers haar hand opgestoken waardoor ik dacht dat het kruispunt vrij was en daarop ben ik gaan rijden. Ik ben op het handgebaar afgegaan. Als zij dat niet had gedaan was ik niet gaan rijden en was er niets aan de hand geweest.’ Hoewel de woordkeus (schuld van de moeder) ongelukkig genoemd kan worden, was de strekking van de verklaring dat de verdachte — achteraf gezien ten onrechte — op het handgebaar van de moeder was afgegaan. Naar ik meen is het geenszins onbegrijpelijk of oninvoelbaar dat de verdachte dat als een verzachtende omstandigheid aanvoerde. Als verdachten daarop bij de strafoplegging kunnen worden afgerekend, wordt de ruimte om in uiterst gevoelig liggende zaken als de onderhavige nog enig verweer te voeren, tot een minimum beperkt. De druk die daardoor ontstaat om maar deemoedig schuld te bekennen, laat van het contradictoire strafproces weinig heel.
30
Naar aanleiding van het middel merk ik nog het volgende op. Het Hof legt in zijn overweging een verband met het (vermeende) tekort aan schuldbesef en de verkeersveiligheid. Ik begrijp dat aldus dat het Hof voor herhaling vreest omdat de verdachte niet inziet dat hij fout is geweest. Aangezien de verdachte uitdrukkelijk heeft erkend dat hij zich beter had moeten vergewissen of het kruispunt vrij was, is het gelegde verband met de verkeersveiligheid mijns inziens niet zonder meer begrijpelijk.
31
Het middel slaagt.
Noot
1
Een dramatische zaak. De chauffeur van een personenbus laat een moeder en haar zoontje voorgaan op een fietsersoversteekplaats. De chauffeur ziet als gevolg van de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte niet dat de vijfjarige jongen valt. Als de moeder merkt dat haar zoontje is gevallen, probeert zij in paniek verdachte tegen te houden. Maar deze begrijpt het handgebaar van de moeder verkeerd, trekt met zijn bus op en overrijdt de jongen. De Hoge Raad passeert dit afschuwelijke misverstand en beoordeelt de rechtsoverweging van het Hof. Die houdt in de lezing van de Hoge Raad stand. ‘De verdachte had zich er in de omstandigheden van het geval, alvorens zijn weg te vervolgen, zelf van moeten vergewissen of hij dit kon doen zonder gevaar voor het overstekende kind en hij had in dat opzicht niet mogen afgaan op enig gebaar van de moeder.’
De Hoge Raad casseert evenwel de strafmotivering. De verklaring van de 71-jarige verdachte waarin hij erkent dat hij zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen verdraagt zich zonder nadere motivering slecht met de overweging van het Hof dat verdachte niet de indruk gaf in te zien dat hem een grote fout te verwijten valt.
2
De vraag hoe de vereiste culpa voor dood door schuld moet worden vastgesteld, is behandeld in het door de Hoge Raad aangehaalde arrest NJ 2005, 252 m.nt. Kn. In die zaak was nog sprake van een (enkele) verkeersovertreding die bestond in een ongebruikelijke manoeuvre (door een black out op de verkeerde weghelft rijden), maar zelfs daarvan was hier geen sprake. Hier ging het om het volstrekt gebruikelijke optrekken, nadat de vereiste voorrang was verleend. En het was niet zo — zoals in andere verkeerszaken vaak erbij kan worden gehaald — dat deze verkeersdeelnemer een verwijt kan worden gemaakt vanwege alcoholgebruik, te hard rijden, of gebrek aan onderhoud van zijn voertuig o.i.d. Men kan hooguit zeggen dat de Hoge Raad aansluiting kon vinden in jurisprudentie waarin wordt gesteld dat de automobilist zich door omstandigheden van weersgesteldheid of duisternis nog oplettender had moeten opstellen dan was gebeurd. In de casus zitten aanknopingspunten om in die lijn te stellen dat de Hoge Raad kennelijk meent dat het feit dat een klein kind aan het verkeer deelnam extra oplettendheid vergde. De Hoge Raad stelt immers de eis dat een chauffeur zich zelf had moeten vergewissen van het al dan niet overgestoken zijn van het kind.
Is dat een verstandige eis? De Hoge Raad roept ermee de vraag over zich af of hij tot een ander oordeel zou zijn gekomen als hetzelfde noodlot niet een kind maar een rolstoelgebruiker had getroffen? Ik denk dat die vraag ontkennend zal worden beantwoord. En hoe als een gewone 50-er was gestruikeld? Dan aarzel ik — misschien bedoelt de Hoge Raad inderdaad dat er in dat geval geen schuld zou zijn omdat er geen extra oplettendheid geboden is bij afwezigheid van ‘kwetsbare’ verkeersdeelnemers. Of zou het niet zozeer om het slachtofferschap van het kind gaan, maar om het gevolg van overlijden tout court? Vermoedelijk niet, al is de Hoge Raad geneigd tot zeer strenge interpretaties als iemand in het verkeer is omgekomen (zie bijv. NJ 2005, 435). Maar als dat het geval ware, zouden we dit arrest zo moeten lezen dat de Hoge Raad het gedragsvoorschrift geeft niet af te gaan op aanwijzingen van anderen in onoverzichtelijke situaties. Oftewel een misinterpretatie van aanwijzingen van derden-verkeersdeelnemers heeft te gelden als aanmerkelijke verkeersschuld in een geval waarin een ander komt te overlijden. Dat lijkt me een niet-naleefbaar gedragsvoorschrift, omdat het soms niet vermijdbaar is om op aanwijzingen van medeweggebruikers af te gaan. Denk maar eens aan het achteruit rijden van een vrachtauto. Ik ben daarom geneigd te menen dat de Hoge Raad in dit arrest hooguit de eis van extra oplettendheid in geval van aanwezigheid van kwetsbare verkeersdeelnemers, in het bijzonder kinderen, stelt. Hooguit. Als men zich voorstelt hoe lang een kind er normaal over zal doen voor een stilstaande bus langs te fietsen (of te lopen), zit er so wie so iets verbazingwekkends in het feit dat de chauffeur optrok.
3
De Hoge Raad stelt een op het eerste gezicht begrijpelijke eis. Toch meen ik dat met deze interpretatie van het bewijs van grove schuld — ‘zeer onvoorzichtig en onoplettend’ — een stap te ver is gegaan. Ik baseer me daarbij niet op de eis van de wetgever van 1886 dat de maatstaf is of de dader minder beleidvol was dan de mens in het algemeen (culpa lata) — in tegenstelling tot het criterium of verdachte zich heeft gedragen als de meest voorzichtige mens (culpa levis). Het is immers verdedigbaar dat in bijzondere omstandigheden — bijvoorbeeld de aanwezigheid van een kind — wel degelijk met culpa levis kan worden volstaan. Wel doet het vreemd aan in zo’n geval van grove schuld te spreken. Levert het nu wel (zeer) aanmerkelijke onvoorzichtigheid op, als de ene verkeersdeelnemer die geen goed zicht heeft, afgaat op het handgebaar van een moeder waar hij dat handgebaar verkeerd interpreteert? Het wordt toch wel heel ongeloofwaardig om dan nog van grove schuld te spreken. Waarom zeggen we niet gewoon (als we dat echt willen), dat er omstandigheden zijn waarin een verkeersdeelnemer zich als de meest voorzichtige mens moet opstellen?
Ik wil dat overigens niet. Dadelijk zal ik een bijna positiefrechtelijk argument daartoe ontwikkelen — een argument dat net zozeer als de procedurele benadering van schuld die de Hoge Raad voorstaat (‘wanneer kan schuld bewezen worden’) in het procesrecht is geworteld (’substantive due process’ zeggen de Amerikanen). Maar nu eerst een wat fundamentelere aanloop daartoe.
Er heeft zich een catastrofe voorgedaan via een door verdachte bestuurde bus. Dat vergt compensatie. Juist in een geval waarin overwegingen van generale en speciale preventie nauwelijks een rol hoeven te spelen, zijn we terug bij de diepste kern van het recht. Een kern die nog verder teruggaat dan de talio uit de eerste bijbelboeken, of die van de wijze Solon, ja zelfs nog verder dan de codex van Hammurabi (men zie W.I. Miller, Eye for an Eye, Cambridge UP 2006 ). De pijn die gepaard gaat met de niet-natuurlijke dood van een kind moet worden vereffend. Daarom was de vermelding van de indruk van het Hof dat verdachte niet inzag dat hem een grote fout te verwijten valt belangrijk: wat er ook zij van de woorden van het Hof vanuit het oogpunt van de werkelijke inzichten en gevoelens van verdachte of vanuit het oogpunt van het leerstuk culpa — de rechter wist dat er vereffend moest worden, maar meende dat de pijn van de moeder (of die van de hele gemeenschap) niet was aangekomen bij de verdachte. ’It’s payback time’.
Elders en bij herhaling heb ik uiteengezet dat antropologisch onderzoek leert dat sommige samenlevingen die vereffening zoeken door de schuld te leggen bij een fout van het slachtoffer (of i.c. de moeder), anderen bij een fout van een dader en derden bij een fout van de samenleving (zie bijvoorbeeld De dreigingsspiraal, BJu 2005, p. 13). Het gaat tegen onze huidige sensibiliteit in om te vragen waarom de moeder niet adequater reageerde. Of waarom de gemeente (de samenleving) op die gevaarlijke plaats niet een fietsbrug aanlegde dan wel waarom bij zulke hoge bussen niet een extra spiegel is verplicht. De vereffening die wij als samenleving wensen, zoeken we bij een dader. Dan nog is het een keus of die dader dan vooral moet opdraaien voor de (materiële en immateriële) kosten van het slachtoffer, of dat hijzelf pijn moet voelen. In het eerste geval kan volstaan worden met een onrechtmatige daadsactie — waarbij de bedragen uiteen kunnen lopen al naar gelang de gemeenschap iets wil bijdragen door een uitgekiend verzekeringssysteem of niet: zie daar het verschil tussen Nederland en de VS. In het tweede geval is er plaats voor het strafrecht.
Wanneer moet iemand pijn voelen voor iets wat hij heeft gedaan? Oftewel wanneer moet er strafrechtelijke aansprakelijkheid worden neergelegd? Een strafbaar feit wordt gekenmerkt door bestanddelen die op de actus reus slaan en bestanddelen die op de mens rea slaan. De gedraging en derzelver gevolgen enerzijds en de intentie althans de subjectieve toestand van de dader anderzijds. Als de consequenties groot zijn worden lagere eisen gesteld aan de subjectieve toestand om iemand strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Wij kennen wel dood door schuld, maar geen vernieling door schuld. (En als er nog geen gevolgen zijn — er is slechts voorbereid, samengespannen of deelgenomen aan een strafbare feiten beramende club — dan stellen we juist zwaardere eisen aan die intentie). Dat geldt voor de wetgever, maar ook voor de rechter. Als een kind sterft is dat dermate catastrofaal dat we de neiging hebben minder strenge eisen te stellen aan het bewijs van de mens rea. In zoverre zit er een zekere logica in dat verkeersovertredingen door het gevolg tot misdrijf worden gekwalificeerd (verg. D.H. de Jong in D&D 1999, p. 5; Otte, Opzet en schuld in het verkeer, 2001). Maar dat betekent niet dat geheel aan de mens rea voorbijgegaan kan worden. Zelfs overtredingen kennen immers een subjectief element — de afwezigheid van alle schuld als mogelijke strafuitsluitingsgrond. De Hoge Raad gaat evenwel in deze zaak materieel aan de mens rea voorbij.
4
Dat laatste brengt me bij mijn aangekondigde ’substantive due process’ overweging, een term die bijvoorbeeld gebruikt werd in County of Sacramento et al . v. Lewis et al. (No. 96–1337) May 26, 1998. Is het nog wel in overeenstemming met een eerlijk proces om strafrechtelijke aansprakelijkheid voor een misdrijf waarop 3 jaar gevangenisstraf staat aan te nemen, als men al voor onoplettend wordt gehouden als men niet zelf kijkt maar de aanwijzing van een moeder van een kind volgt? Een te ver doorgeschoten strict liability verdraagt zich daar namelijk niet mee. Strict liability is iets voor civilisten, niet voor strafjuristen.
Dat blijkt al als we naar de processuele pendant van de mens rea kijken: de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Natuurlijk verbiedt de onschuldpresumptie niet de bewijslast te keren op grond van bepaalde feiten: het feit dat een kind op de weg aanwezig is rechtvaardigt dat de chauffeur aannemelijk moet maken dat hij de uiterste voorzichtigheid betrachtte. Maar een dergelijke omkering vergt volgens het Salabiaku-criterium dat rekening wordt gehouden met het belang van wat op het spel staat (3 jaar!) en met de rechten van de verdediging (de aansprakelijkheid moet niet zo strikt zijn dat men zich niet meer kan verdedigen).
Welnu, aan die laatste eis wordt door de benadering van Hof en Hoge Raad voorbijgegaan. Verdachte deed een evident beroep op dwaling — dwaling omtrent de betekenis van het gebaar van de moeder. ‘Niet relevant’, schreef het Hof. Dat is onbegrijpelijk, aangezien het verwijtbaarheidverweer van rechtstreeks belang is voor de bewijsvraag in een geval waarin een culpoos delict tenlaste is gelegd. Ook de AG Knigge wijst daarop. Het is juist essentieel voor het bewijs van culpa dat schending van een voorzichtigheidsnorm — bijvoorbeeld de norm van verhoogde voorzichtigheid bij aanwezigheid van een kwetsbare verkeersdeelnemer — kan worden gecompenseerd met een beroep op niet-verwijtbaarheid (Verpleegstersarrest etc.). Door dat te miskennen wordt niet alleen het materieel strafrechtelijke belang van de mens rea miskend, maar wordt ook tekort gedaan aan de onschuldpresumptie. De Hoge Raad herhaalde de woorden van het Hof niet, maar dekte het materiële punt af door te stellen dat verdachte niet had mogen afgaan op enig gebaar van de moeder. Waar dat op is gebaseerd is op zich al de vraag. Volgens De Hullu (Materieel strafrecht, 2003, p. 365) zal een automobilist bij technische kwesties wel op een specialist mogen vertrouwen ondanks zijn eigen onderzoeksplicht. Maar belangrijker is dat het te ver gaat als een chauffeur zijn onschuld niet meer zou mogen proberen aan te tonen met een beroep op dwaling als hij zich vergewist van een aanwijzing van iemand met beter zicht op de weg dan hijzelf. Het gaat om een beroep dat onder omstandigheden op feitelijke gronden kan worden verworpen, maar of dat in casu daadwerkelijk moest gebeuren (wat aannemelijk is afgaand op het verbazingwekkende feitencomplex) had de Hoge Raad door de verwijzingsinstantie moeten laten onderzoeken. Door de eis te poneren dat verdachte zelf had moeten kijken, wordt dat echter vrijwel onmogelijk gemaakt.
5
Een kind is overreden en dan is het payback time. In onze samenleving willen wij de veroorzaker daarvoor laten opdraaien. Maar inmiddels gaan we wellicht te ver in de wens om hem ook de pijn te laten voelen in geval van minimale schuld. Zeker als we het hem materieel onmogelijk maken zijn onschuld aan te tonen.
Kennelijk is de Hoge Raad wel van oordeel dat het i.c. om de onderste onderkant van het verwijtbaarheidsspectrum gaat. Dan is gegeven de wel heel lichte vorm van grove schuld een straf van 240 uur werken en 3 jaar ontzegging rijbevoegdheid te zwaar. Zo staat het er niet. Maar het zou niet moeilijk zijn geweest om te stellen dat de mededeling van verdachte ter terechtzitting — die zo buitengewoon zakelijk (verg. art. 326 lid 2 Sv) is opgeschreven dat ik daar geen enkele conclusie over de werkelijke inzichten van verdachte aan zou willen verbinden — niet hoeft af te doen aan de indruk die hij overigens wekte.
Deze op zich begrijpelijke keuze van de cassatierechter stelt de verwijzingsinstantie wel voor een probleem. Dat hof zal zich nu — ex art. 440 lid 2 Sv en NJ 1996, 478 — over de straf moeten buigen terwijl het gebonden is aan de bewezen verklaarde ‘zeer aanmerkelijke schuld’. De aldus verlangde gehoorzaamheid van de verwijzingsinstantie trekt een wissel op de normaliter hogelijk beschermde onafhankelijkheid van de strafrechtelijke feitenrechter ten aanzien van feitelijke beoordelingen (verg. NJ 2004, 606 m.nt. YB). Per slot van rekening is de vraag of er van grove schuld sprake is, er een van feitelijke aard. In cassatie kan slechts worden nagegaan of de rechter de grove schuld heeft kunnen afleiden uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen en niet wordt nagegaan of de rechter zulks terecht heeft gedaan (aldus A. Machielse, Handboek strafzaken, [36.2] p. 8). Volgens de Hoge Raad heeft de feitenrechter die grove schuld kunnen afleiden, maar om de onder 4 uiteengezette redenen is een andere feitelijke inschatting ook materieel-strafrechtelijk niet meer mogelijk. Toch kan men zich voorstellen dat een ander Hof niet van verdachtes grove schuld overtuigd hoeft te zijn. Gesteld bijvoorbeeld het — hypothetische — geval dat alsnog blijkt dat de moeder niet heeft gezien dat haar zoontje was gevallen en een niet mis te verstane beweging heeft gegeven dat er kon worden doorgereden. De verwijzingsinstantie zit dan met het fait accompli dat de Hoge Raad door een rechtsoverweging de feitelijke schuldvaststelling van het eerste Hof niet alleen heeft gesauveerd maar ook onaantastbaar gemaakt. Geen benijdenswaardige positie.