HR 17-12-1996, NJ 1997, 245 Arrest Voorwaardelijke opzet in het verkeer
HR 17-12-1996, NJ 1997, 245 Arrest Voorwaardelijke opzet in het verkeer
NJ 1997 , 245
HOGE RAAD (Strafkamer)
17 december 1996, nr. 103.551
(Mrs. Hak, Davids, Koster; A-G Fokkens
DD 97.115
DD 1997 , 115
Regeling
Sr art. 45, 287
Essentie
Verkeersongeval: poging tot doodslag. Toereikend bewijs van voorwaardelijk opzet (conclusie OM).
Verkeersongeval: poging tot doodslag / toereikend bewijs van voorwaardelijk opzet (COM)
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 oktober 1995 in de strafzaak tegen R.V., te Amsterdam.
HOF:
De feiten:
Kort samengevat is de gang van zaken volgens de bewijsmiddelen als volgt geweest: verzoeker probeerde, nadat hij in een gestolen auto een politieauto had aangereden, aan de politie te ontkomen. Daartoe reed hij met grote snelheid — tot ongeveer 120 kilometer per uur — door Amsterdam, verkeerstekens negerend. Nadat hij op die rit al een andere auto had geraakt, reed hij op de Jan van Galenstraat met een snelheid van ongeveer 100 kilometer langs een aantal voor het stoplicht wachtende auto’s door het rode licht linksaf de Willem de Zwijgerlaan in. Een hem tegemoetkomende auto kon hij nog net ontwijken, maar vervolgens raakte hij een aldaar rijdende fietser. De fietser vloog over de auto heen door de lucht en kwam op het wegdek terecht, verzoeker reed met onverminderde snelheid door. De fietser was zwaargewond.
Bewezenverklaring en bijzondere overweging
Het hof heeft bewezen geacht dat verzoeker aldus handelend
op 16 augustus 1993 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk L.A. van het leven te beroven, met die opzet met een personenauto, met een te hoge snelheid voor veilig verkeer ter plaatse, achterop die A., die op de fiets reed is gereden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die A. tengevolge van die aanrijding niet zodanig letsel heeft opgelopen dat hij is overleden.
Het hof heeft met betrekking tot het bewezenverklaarde opzet overwogen:
Uit bovenstaande bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte toentertijd willens en wetens de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat zijn roekeloze rit met een personenauto door Amsterdam noodlottig gevolg zou hebben, en wel in de zin van dodelijk gevolg. Het hof acht daarom het aan verdachte verweten opzet op de dood van L.A. bewezen.
Uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep de verdachte ter zake van 1. ‘poging tot doodslag’, 2. en 3. ‘diefstal (enz.)’ veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf.
Hoge Raad:
2 Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
3 De conclusie van het Openbaar Ministerie
(enz.; red.)
4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.
Derhalve moet het cassatieberoep worden verworpen.
5 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Conclusie
A G mr. Fokkens
1
In deze zaak, waarin geen middelen van cassatie zijn voorgesteld, wil ik ambtshalve aandacht besteden aan het onder 1 bewezenverklaarde feit, poging tot doodslag. Kort samengevat is de gang van zaken volgens de bewijsmiddelen als volgt geweest: (enz.; zie onder Hof; red.)
3
Middelen van cassatie zijn niet voorgesteld, maar ambtshalve wil ik aandacht besteden aan de vraag of het hof heeft kunnen aannemen dat verzoeker heeft gehandeld ter uitvoering van ‘het voorgenomen misdrijf om opzettelijk L.A. van het leven te beroven.’
4
De vraag of het mogelijk is iemand die als een wildeman rijdt en daarbij een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, te veroordelen ter zake van (poging tot) doodslag is actueel. In brede kring bestaat kennelijk het gevoel dat er gevallen zijn waarin bewust zo roekeloos en gevaarlijk wordt gereden, dat de in de Wegenverkeerswet opgenomen strafbaarstelling van het door zijn schuld veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel of de dood tekort schiet, indien er als gevolg van deze wijze van rijden slachtoffers vallen. Op 15 oktober 1996 heeft de Hoge Raad in de zaak B. (gr.nr. 102.826 (NJ 1997 , 199; red.)) voor het eerst over deze vraag moeten oordelen. Uit de overwegingen van Uw Raad wordt duidelijk in hoeverre in dergelijke situaties kan worden aangenomen dat er sprake is van opzettelijke levensberoving.
5
De voor deze zaak relevante overwegingen uit gr.nr. 102.826 luiden:
5.3
Het geval kan zich voordoen dat ten aanzien van een verdachte die door zeer gevaarlijk te rijden een ongeval met dodelijke afloop heeft veroorzaakt moet worden aangenomen dat deze de slachtoffers van dat ongeval opzettelijk van het leven heeft beroofd, zodat art. 287 Sr van toepassing is, bij welke bepaling een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is bedreigd. Zo’n geval doet zich voor indien de verdachte zijn gedraging willens en wetens op de dood van die slachtoffers heeft gericht.
Voorts kan een zodanig geval zich voordoen indien moet worden aangenomen dat de verdachte zich aan de aanmerkelijke kans dat andere verkeersdeelnemers door zijn gedraging het leven zullen verliezen willens en wetens heeft blootgesteld, met dien verstande dat hij — in plaats van erop te rekenen dat een en ander wel goed zal aflopen — de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen.
Dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen — in dit verband wordt gesproken van voorwaardelijk opzet — kan, behalve op grond van de verklaring van de verdachte, worden aangenomen op grond van bijzondere omstandigheden van het geval.
6
Het hof heeft met betrekking tot het bewezenverklaarde opzet overwogen: (enz.; zie onder Hof; red.).
7
Het in deze overweging door het hof gehanteerde criterium om opzet op de dood aan te nemen is in overeenstemming met hetgeen Uw Raad ter zake heeft overwogen in de zaak B. Er is geen grond om aan te nemen dat aan het voor poging tot doodslag vereiste opzet — voornemen om opzettelijk van het leven te beroven — zwaardere eisen worden gesteld dan aan het voor voltooide doodslag vereiste opzet. Voorwaardelijk opzet, zoals het hof dat heeft overwogen, is daarvoor voldoende. Vgl. Remmelink in de vijftiende druk van Hazewinkel-Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, p. 392 en Mols en Wöretshofer, Poging en voorbereidingshandelingen, p. 19–21 en voor de Duitse litteratuur, waarin ook de opvatting wordt aangehangen dat voor poging geen andere opzetvariant vereist is dan voor het voltooide delict, Schönke-Schröder, Strafgesetzbuch, § 22, aantek. 17.
8
Daarmee resteert de vraag of het hof uit de vastgestelde feiten heeft kunnen afleiden dat verzoeker de aanmerkelijke kans op fatale gevolgen willens en wetens voor lief heeft genomen. In de zaak B. heeft Uw Raad in dit verband veel gewicht gehecht aan de omstandigheid dat gevaarlijk verkeersgedrag in het algemeen ook aanmerkelijke risico’s voor de gevaarlijk rijdende automobilist oplevert en dat een automobilist de aanmerkelijke kans dat hij door een aanrijding ook zelf het leven zal verliezen, niet snel op de koop toe zal nemen. Anders gezegd: lichtzinnigheid is niet genoeg voor opzet.
9
Hier heeft het hof echter uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verzoeker bewust die kans op de koop heeft toe genomen, nu de voor het bewijs gebruikte verklaring van verzoeker luidt:
De rit duurde ongeveer 10 minuten. Ik was ziek, omdat ik behoefte had aan heroïne. Ik heb maar half nagedacht bij het autorijden. Ik reed door een rood verkeerslicht terwijl de politie achter me aan zat. Ik dacht: ‘Het is gevaarlijk, ik moet ophouden’. Ik twijfelde. Ik negeerde mijn medepassagiers die aandrongen te stoppen. Ik wilde de politie ontkomen.
10
Uit deze verklaring heeft het hof kunnen opmaken dat verzoeker ondanks het feit dat hij zich bewust was welke gevaren aan zijn wijze van rijden waren verbonden voor derden (en hemzelf) — en dat die gevaren zeer groot waren, blijkt uit de hierboven samengevatte bewijsmiddelen — op dezelfde riskante wijze is blijven doorrijden omdat hij wilde ontkomen aan de politie.
Ik kom dan ook tot de conclusie dat het hof — anders dan in de zaak B. — het bewezenverklaarde opzet uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden.
Ook overigens geen gronden voor cassatie aanwezig achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.