HR 18-05-1993, NJ 1993, 691 Arrest blijf van mijn auto!
HR 18-05-1993, NJ 1993, 691 Arrest blijf van mijn auto!
NJ 1993 , 691
HOGE RAAD (Strafkamer)
18 mei 1993 , nr. 93593
(Mrs. Haak, Mout, Keijzer, Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp; A-G Leijten; m.nt. ‘tH)
DD 93.414
m.nt. ‘t H
DD 1993 , 414
Regeling
Sr art. 41
Essentie
Toereikende weerlegging van het beroep op noodweer(-exces). Overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging cfm. art. 41 lid 2 Sr kan zich alleen voordoen als deze verdediging noodzakelijk is of is geweest.
Beroep op noodweer(-exces): overschrijding grenzen van noodzakelijke verdediging (41 lid 2 Sr) kan zich alleen voordoen als deze verdediging noodzakelijk is of is geweest
Partijen
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 febr. 1992 in de strafzaak
tegen
A.A.C., te Amsterdam, adv. mr. J.F. van der Brugge te Amsterdam.
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 febr. 1992 in de strafzaak tegen A.A.C., te Amsterdam, adv. mr. J.F. van der Brugge te Amsterdam.
Hof:
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, dat zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien hij uit noodweer heeft gehandeld. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt het slachtoffer, dat tegen de nog vrij nieuwe auto van cliënt had aangeschopt en hem vervolgens, nadat hij was uitgestapt, was aangevlogen, slechts heeft geslagen ter noodzakelijke verdediging van zijn auto en zijn persoon.
Het hof verwerpt dit verweer, nu de verdachte zich op eenvoudige wijze aan de ontstane situatie had kunnen onttrekken door weer in zijn auto plaats te nemen en zich te verwijderen. Niet aannemelijk is geworden dat voor een dergelijke handelwijze feitelijke belemmeringen bestonden.
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, dat zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien er sprake was van noodweerexces. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt door de handelwijze van het slachtoffer, zoals eerder omschreven bij het beroep op noodweer, nogal geschrokken was, boos is geworden en vervolgens, zijnde niet opgeleid om situaties als de onderhavige op andere wijze het hoofd te bieden, vanuit deze hevige gemoedsbeweging de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.
Het hof verwerpt dit verweer reeds omdat, op grond van hetgeen hiervoor bij de bespreking van het beroep op noodweer is overwogen, geen sprake was van een noodzakelijke verdediging.
Cassatiemiddelen:
(…)
II
Verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven en/of schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de art. 358, 359 jo. 415 Sv, doordat het hof het verweer van rekwirant dat hij dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, zich daarbij beroepend op noodweer danwel noodweerexces, ten onrechte heeft afgewezen, althans doordat de beslissing hierover onvoldoende, in ieder geval op onjuiste gronden, is gemotiveerd.
Toelichting
De motivering van het hof dat rekwirant zich op eenvoudige wijze aan de ontstane situatie had kunnen onttrekken door weer in zijn auto plaats te nemen en zich te verwijderen, terwijl niet aannemelijk zou zijn geworden dat voor een dergelijke handelwijze feitelijke belemmeringen bestonden is gelet op de verklaring van rekwirant ter terechtzitting en de verklaringen van rekwirant en de verschillende getuigen zoals deze zijn opgenomen in het bij deze zaak behorend procesdossier onbegrijpelijk: allen verklaren dat rekwirant met zijn auto moest stoppen in een file en derhalve niet weg kon. Eerst enige tijd na het voorval heeft de file zich opgelost en kon rekwirant zich met zijn auto verwijderen.
Hoge Raad:
6
Beoordeling van het tweede middel
6.1
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aldaar een beroep op noodweer onderscheidenlijk noodweerexces gedaan, dat het hof in het bestreden arrest als volgt heeft weergegeven en verworpen: (enz.)
6.2
Hetgeen het hof blijkens het hiervoren onder 6.1 weergegeven in de eerste plaats — ter verwerping van het beroep op noodweer — heeft geoordeeld houdt in dat het hof niet aannemelijk geworden acht dat voor de verdachte de noodzaak bestond zich en zijn nieuwe auto te verdedigen tegen de aanranding door De Jeu-Dakkak.
Het beroep op noodweer heeft het hof op feitelijke en niet onbegrijpelijke gronden verworpen. In cassatie kan niet worden onderzocht of dit oordeel juist is.
In aansluiting op de verwerping van het beroep op noodweer heeft het hof het beroep op noodweerexces verworpen, ‘reeds omdat, op grond van hetgeen hiervoor bij de bespreking van het beroep op noodweer is overwogen, geen sprake was van een noodzakelijke verdediging’.
Aldus heeft het hof het beroep op noodweerexces verworpen op een niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende en toereikend gemotiveerde grond. Immers: Van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien
a
de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien
b
op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging als bedoeld in art. 41 tweede lid Sr kan zich mitsdien alleen voordoen indien deze verdediging noodzakelijk is of noodzakelijk is geweest.
7
Slotsom
Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
8
Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Conclusie
A G mr. Leijten
De verzoeker van cassatie is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 21 febr. 1992 — waarbij werd vernietigd een vonnis van 15 juni 1990 van de politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam — wegens mishandeling (hij sloeg een vrouw, die tegen zijn auto had geschopt) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede tot een geldboete van ƒ 500, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.
Tegen deze uitspraak heeft adv. mr. J.F. van der Brugge, te Amsterdam, namens de verzoeker bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel (…)
In het tweede middel wordt een klacht geuit tegen de verwerping van het beroep op respectievelijk noodweer en noodweerexces. Namens de verzoeker wordt gesteld dat het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat niet aannemelijk is geworden dat er feitelijke belemmeringen bestonden voor de verzoeker om zich aan de situatie te onttrekken door weer in zijn auto plaats te nemen en zich te verwijderen. Uit de in cassatie kenbare processtukken is niet af te leiden dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Een nadere toetsing van dit — volstrekt feitelijke — oordeel is in cassatie niet mogelijk. Het middel moet derhalve falen.
Ambtshalve vraagt de verwerping van het beroep op noodweerexces de aandacht. Het hof grondt zijn verwerping op de volgende overweging:
Het hof verwerpt dit verweer reeds omdat, op grond van hetgeen hiervoor bij de bespreking van het beroep op noodweer is overwogen, geen sprake was van een noodzakelijke verdediging.
Aldus heeft het hof de verwerping van het verweer onvoldoende gemotiveerd; de weergegeven overweging laat immers de mogelijkheid open dat de bewezen verklaarde mishandeling ‘het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige door een aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging waarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging te dier zake zijn overschreden’; vgl. HR 18 okt. 1988, NJ 1989, 511, met belangrijke annotatie van G.E. Mulder (‘onder extensief exces valt voortaan niet enkel een te lang voortgezette, aanvankelijk ‘echte’ afweerhandeling, maar ook een handelen dat zich afspeelt na de bij noodweer in acht te nemen tijdgrens’) en HR DD 89.347. Bij noodweerexces gaat het er juist niet om of een bepaalde reactie ter verdediging noodzakelijk is, het gaat erom of een reactie, die verder gaat dan ter verdediging noodzakelijk is, wegens de hevige gemoedstoestand waarin de verdachte door een wederrechtelijke aanranding is komen te verkeren, toch die verdachte verontschuldigt en derhalve niet strafbaar laat zijn.
Op grond van hetgeen hierboven ambtshalve is opgemerkt kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven.
De conclusie luidt dan ook: vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof ten einde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
Noot
1
De onderhavige zaak is van belang voor de precisering van de huidige opvatting van de cassatierechter over noodweerexces. Centraal staat de vraag in hoeverre een noodweersituatie noodzakelijk is om met succes een beroep op noodweerexces te kunnen doen. Het betreft hier een mishandeling door een automobilist, de verdachte, van een andere weggebruikster, het slachtoffer. Hoe de gang van zaken precies is geweest, wordt uit de hier gepubliceerde stukken niet helemaal duidelijk. Maar voor de beoordeling van de rechtskwestie zijn het gevoerde verweer en de weerlegging voldoende.
2
De verdachte heeft zich allereerst beroepen op noodweer. Het slachtoffer zou tegen zijn auto hebben geschopt en hem hebben aangevallen; daartegen zou hij zich hebben verdedigd. Dat verweer is door het hof verworpen met de overweging dat de verdachte zich op eenvoudige wijze aan de situatie had kunnen onttrekken door weer in zijn auto plaats te nemen en weg te rijden. De gedachte dat een verdachte, voor wie een ‘vluchtweg’ heeft opengestaan, daarvan dan maar gebruik had moeten maken, komt regelmatig in de rechtspraak terug. Zie bijvoorbeeld HR 2 febr. 1982, NJ 1982, 384 en HR 15 okt. 1985, NJ 1986, 75. Het lijkt mij echter de vraag of men in dit geval met de Hoge Raad (r.o. 6.2) kan zeggen dat de verdediging niet ‘noodzakelijk’ was. Noodzakelijk betekent hier, vanuit de wetsgeschiedenis bezien, ‘gepast’, proportioneel. Zie ook H.B. Vos, Leerboek van Nederlands strafrecht, 3e druk, Haarlem 1950, p. 165. Het gaat er immers om dat volgens de wetgever nooit bedoeld is ‘dat iemand die in de verte een jongen zijn appels of peeren ziet stelen, dezen zou mogen doodschieten’. Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel 1, Haarlem 1881, p. 378. In het onderhavige geval speelt m.i. daarentegen het ‘geboden’ zijn van de noodzakelijke (in de zin van: gepaste) verdediging. Met andere woorden: niet de proportionaliteit, maar de subsidiariteit.
3
Vervolgens heeft de verdachte zich beroepen op noodweerexces. Door de hierboven omschreven handelwijze van het slachtoffer was hij boos en geschrokken en is toen, in een hevige gemoedsbeweging, de grenzen van de noodzakelijke verdediging tebuiten gegaan. Dat verweer kon volgens het hof niet opgaan, reeds omdat er ten aanzien van het noodweer-verweer al beslist was dat er geen noodweersituatie aanwezig is geweest, namelijk dat er geen sprake is geweest van een noodzakelijke verdediging.
Is nu deze verwerping van het beroep op noodweerexces voldoende gemotiveerd? Volgens de A G Leijten is dat niet het geval. Met een beroep op HR 18 okt. 1988, NJ 1989, 511, m.nt. GEM, betoogt hij dat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte wegens de hevige gemoedstoestand waarin hij was komen te verkeren door de wederrechtelijke aanranding (met andere woorden: de eis van dubbele causaliteit) verder is gegaan dan nodig is ter verdediging en zich dan toch kan verontschuldigen.
4
‘Eigenlijke noodweer kan nooit verder reiken dan de grenzen der noodzakelijke verdediging. Maar wanneer de hevige gemoedsbeweging (angst, vrees of radeloosheid), door de wederregtelijke aanranding opgewekt, nog voortduurt nadat het onmiddellijk gevaar is geweken of terwijl andere middelen te baat hadden kunnen worden genomen om dit af te wenden, sluit die gemoedsbeweging de strafbaarheid uit, al zijn door het gepleegde feit de grenzen der noodzakelijke verdediging overschreden. De wet kan ook hier niet anders doen dan het beginsel uitdrukken, eene juiste toepassing overlatende aan ’s regters inzigt.’ Aldus de memorie van toelichting op het wetboek in Smidt, ibidem, p. 378. In deze omschrijving zijn de beide vormen van exces terug te vinden: het extensieve exces en het intensieve exces. Zie A.J.M. Machielse, Noodweer in het strafrecht, Amsterdam 1986, p. 681–682. Bij intensief exces gaat het erom dat de verdachte bij de noodzakelijke verdediging tegen de aanranding — dus tijdens het bestaan van de noodweersituatie, en in de regel van meet af aan — te ver is gegaan. Zie bijvoorbeeld HR 23 okt. 1984, NJ 1986, 56, m.nt. N. Keijzer. Over de eisen van proportionaliteit en van subsidiariteit, gelegen in de wettelijke termen van art. 41 Sr dat het feit ‘geboden’ door de ‘noodzakelijke’ verdediging’ is, zie Machielse, ibidem, p. 647 e.v. Bij extensief exces gaat het om handelingen van de dader, gepleegd nadat het gevaar, waartegen verdediging noodzakelijk was, reeds was afgewend. In de onderhavige zaak speelt een vorm van extensief noodweerexces. Voor beide vormen geldt de uitdrukkelijke opdracht van de wetgever aan de rechter om een nadere jurisprudentiële uitwerking te geven.
5
Bij extensief exces zijn verschillende varianten te onderscheiden, die duidelijk maken hoe de rechter heeft voldaan aan zijn wettelijke opdracht om tot een nadere uitwerking te komen. Een voorbeeld van een eerste situatie levert HR 27 mei 1975, NJ 1975, 463, m.nt. ThWvV. De verdachte werd daar aangevallen door een ander. Tijdens een daarop volgende vechtpartij verweerde hij zich, en ging zelfs door met stompen toen de aanvaller al weerloos op de grond lag. Dit is een schoolvoorbeeld van een extensief exces. Er was een noodweersituatie en de verdachte zou gerechtvaardigd zijn geweest indien hij geen klappen meer had uitgedeeld toen de aanvaller eenmaal op de grond lag, want toen waren zij niet meer geboden door de noodzakelijke verdediging. Maar ook al heeft de aanvankelijke noodweersituatie opgehouden te bestaan, kan de verdachte nog wel gedisculpeerd zijn op grond van noodweerexces. Hij kan te ver zijn gegaan, in de zin van te lang doorgegaan, door een hevige gemoedsbeweging ten gevolge van de wederrechtelijke aanranding.
Een iets andere variant — de tweede — levert HR 24 april 1984, NJ 1984, 731. Het slachtoffer had verdachte eerst bedreigd en geslagen, was daarop weggegaan, kwam terug met een mes en bedreigde verdachte opnieuw. Verdachte is toen een worsteling met hem aangegaan, heeft hem het mes ontfutseld en hem vervolgens met dat mes gestoken. Ook hier bestond eerst een noodweersituatie en is verdachte te ver gegaan nadat die noodweersituatie niet meer bestond. Dat te ver gaan bestond niet in het doorgaan met wat hij eerst deed toen de noodweersituatie nog bestond (stompen en slaan in HR NJ 1975, 463, of worstelen zoals in deze zaak) maar in iets heel nieuws, namelijk steken met het ontfutselde mes. Tussen de handelingen van verdachte tijdens het bestaan van de noodweersituatie en die daarna ligt als het ware een cesuur. Niettemin kan ook dat door noodweerexces verontschuldigd worden.
De derde variant rekt de mogelijkheid van een beroep op extensief noodweerexces weer een stuk op. Dat deed zich voor in HR 18 okt. 1988, NJ 1989, 511, m.nt. GEM. Ook daar had zich, althans aanvankelijk, een noodweersituatie voorgedaan. En ook daar deed zich een cesuur voor tussen het eerste stadium, dat van de aanranding, en het tweede stadium, dat van de geïncrimineerde handelingen van de verdachte. Maar het principieel nieuwe was, dat ook de mogelijkheid van een beroep op noodweerexces werd erkend waar de handelingen van de verdachte, als gevolg van een hevige gemoedsbeweging door de wederrechtelijke aanranding, in hun geheel pas plaatsgrepen in dat tweede stadium. Die handelingen vormden dus geen voortzetting van eerdere handelingen van de verdachte in het eerste stadium, tijdens het bestaan van de noodweersituatie, maar zij vonden in hun geheel pas plaats na de aanranding.
6
In de onderhavige uitspraak wordt deze lijn in de rechtspraak bevestigd. Maar de Hoge Raad stelt daarbij nog eens duidelijk, dat hij wil vasthouden aan een — althans aanvankelijk — bestaan van een noodweersituatie. Indien er in het geheel geen sprake is geweest van een noodweersituatie, namelijk van een noodzakelijke verdediging, kan er ook geen beroep op noodweerexces worden gedaan: niet voor wat betreft het handelen van de verdachte op het moment van de aanranding en niet voor wat betreft dat van daarna.
Het bestaan van een noodweersituatie blijft dus noodzakelijk om met succes een beroep op noodweerexces te kunnen doen. Men moet derhalve — zoals reeds eerder gezegd — letten op de segmenten uit het totale tijdsverloop van het gebeurde. Zie de noot onder HR NJ 1984, 731. Voor een beroep op noodweer dient de noodweersituatie te bestaan op het moment dat de handelingen worden gepleegd, waarvoor de verdachte zich middels het beroep op noodweer wil rechtvaardigen. Het moment van de noodweersituatie en dat van het noodweer dienen samen te vallen. Een noodweersituatie hoeft er echter niet (meer) te zijn op het moment (dus gedurende het tijdssegment) waarop de handelingen plaatsgrepen, waarvoor de verdachte zich wil disculperen met een beroep op noodweerexces. Daar kunnen het moment van de noodweersituatie en dat van de verdediging twee verschillende, op elkaar volgende tijdssegmenten beslaan.