HR 18-11-1997, NJ 1998, 225 Arrest Onvoorwaardelijke opzet
HR 18-11-1997, NJ 1998, 225 Arrest Onvoorwaardelijke opzet
NJ 1998 , 225
HOGE RAAD (Strafkamer)
18 november 1997, nr. 105474 E
(Mrs. Hermans, Davids, Bleichrodt, Schipper, Corstens; wnd. A-G Keijzer; m.nt. JdH)
DD 98.075
m.nt. JdH
DD 1998 , 075
Regeling
Sr art. 140
Essentie
Redelijke wetsuitleg brengt mee dat voor deelneming cfm. art. 140 Sr voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Voor deelneming cfm. 140 Sr voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (onvoorwaardelijk opzet) dat organisatie tot oogmerk heeft plegen van misdrijven/wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven die door organisatie worden beoogd niet vereist
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 19 juni 1996 in de strafzaak tegen J.L., te Almere, adv. mr. Th. A. de Roos en mr. D. van der Landen, beiden te Amsterdam.
HOF:
Bewezenverklaring
Ten laste van de verdachte is, voorzover voor de beoordeling van het eerste middel van belang, bewezenverklaard dat hij in de periode van 1 april 1990 tot 23 november 1993 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband tussen de vennootschappen G. Limited en A. BV en B. BV en VOF C. en de natuurlijke personen G.G. van der M., F.A. de V., M. de V., M.C.B. en verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
—
het opzettelijk plegen van valsheid in geschrift met betrekking tot douanedocumenten T1 betreffende de doorvoer van textiel in/door een of meer landen van de Europese Gemeenschap en facturen betreffende de levering van textiel, terwijl uit het gebruik van die geschriften enig nadeel kon ontstaan, en
—
het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, zijnde valse douanedocumenten T1 betreffende de doorvoer van textiel in/door een of meer landen van de Europese Gemeenschap en valse facturen, alsof deze echt en onvervalst waren, en
—
het in een krachtens wettelijke bepaling vereiste goederenaangifte (douanedocumenten T1 met betrekking tot de doorvoer van textiel in/door een of meer landen van de Europese Gemeenschap) een onjuiste opgave doen met het oogmerk de belasting van die goederen geheel of ten dele te ontduiken en
—
het opzettelijk in Nederland invoeren van goederen (textiel) die van oorsprong uit een der landen of gebieden, aangewezen in de bij het Invoerbesluit landen 1981 behorende bijlage B (te weten China), komen zonder de vereiste vergunning van de Minister van Economische Zaken.
UITSPRAAK
Het Hof heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 21 maart 1994, Economische Kamer, voorzover aan ’s Hofs oordeel onderworpen, — de verdachte ter zake van 1. ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’, 2., 4. en 6. ‘medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2, eerste lid, van de In en uitvoerwet, meermalen gepleegd’ en 8. ‘valsheid in geschrift’ veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van tweehonderdveertig uren, in plaats van zes maanden gevangenisstraf en ten aanzien van de feiten 2., 4., 6. en 8. tot een geldboete van vijfenzeventigduizend gulden, subsidiair zes maanden hechtenis.
CASSATIEMIDDELEN:
Middel 1
Het recht is geschonden en/of op straffe van nietigheid na te leven vormen zijn verzuimd doordat het Hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen niet heeft kunnen komen tot een bewezenverklaring van het deelnemen aan een criminele organisatie, althans dat door het Hof niet is gerespondeerd op een terzake door de raadsman van requirant uitdrukkelijk voorgedragen verweer, althans dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
Toelichting
Het Hof acht vijf van de cumulatief tenlastegelegde feiten bewezen. Nu in het arrest de bewijsmiddelen niet per bewezenverklaard delict zijn uitgewerkt, is het moeilijk te achterhalen waarop de bewezenverklaring per afzonderlijk feit is gebaseerd. Dit geldt temeer daar in het arrest 29 bewijsmiddelen zijn opgenomen die tezamen 22 pagina’s beslaan en aldus een aardige samenvatting vormen van het gehele dossier. De regel dat de rechter vrij is in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal impliceert dat de rechter daadwerkelijk bewijsmiddelen uit het dossier selecteert, hetgeen blijkens het onderhavige arrest nauwelijks is geschied.
Bij deze stand van zaken is moeilijk te achterhalen waarop de bewezenverklaring m.b.t. het deelnemen aan een criminele organisatie berust. Dat valt te meer te betreuren daar de raadsman blijkens zijn aan het procesverbaal van de terechtzitting van het Hof van 5 juni 1996 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota op pagina 4 en 5 daarvan gemotiveerd heeft betoogd dat requirant niet kan worden aangemerkt als ‘deelnemer’ aan een zodanige organisatie aangezien de daartoe in het begrip ‘deelnemen’ besloten liggende wetenschap van het criminele oogmerk van bedoelde organisatie bij requirant zou hebben ontbroken.
In het arrest wordt niet inhoudelijk op dit verweer gerespondeerd. Kennelijk moet impliciet uit de ‘geselecteerde’ bewijsmiddelen volgen dat het verweer wordt verworpen. Bij nadere beschouwing is van een dergelijke impliciete verwerping geen sprake. Het Hof heeft op basis van de gebruikte bewijsmiddelen niet tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde kunnen komen.
De eerste vijf bewijsmiddelen betreffen verklaringen van requirant. Twee daarvan betreffen zijn wetenschap m.b.t. de wijze van invoer in Nederland.
Bewijsmiddel 1
Omdat de invoer van t-shirts in de EG aan quota was gebonden, konden wijzelf niet aan een invoervergunning komen. Foppe de V. en Thijs B. wisten een manier om de t-shirts toch in Nederland op de markt te brengen.
Bewijsmiddel 2
Bij de tweede partij t-shirts uit China ontstonden problemen als gevolg van de quoteringsregeling. De t-shirts waren al onderweg naar Hamburg. Thijs B. en Foppe de V. vertelden mij dat er een maas in de wet was waarvan ik gebruik kon maken om de t-shirts toch in te voeren.
Terzake van zijn wetenschap m.b.t. de wijze van invoer in Nederland behelzen deze verklaren tweeërlei:
1
requirant wist dat er terzake van de import van Chinees textiel geen invoervergunning kon worden aangevraagd.
2
hij voegt daar steeds aan toe dat dergelijke invoervergunningen voor zover hij wist en hem was verteld ook niet noodzakelijk waren.
Vanwege de onder 2 aangehaalde toevoeging is deze verklaring zonder denaturering niet te gebruiken als bewijsmiddel voor het deelnemen aan een organisatie in de zin van art. 140 Sr.
Voor de volledigheid moet worden opgemerkt dat de bedoelde wetenschap bij cliënt door het Hof kennelijk mede is aangenomen op basis van de onder bewijsmiddel 9 gerubriceerde verklaring van F. de V. De laatste zin van deze verklaring luidt: ‘L. is op de hoogte van het feit dat er bij de goederen geen invoervergunning was, terwijl ze wel binnen de EEG zijn afgezet en die vergunning er dus wel behoorde te zijn’. Uit de gekozen formulering blijkt evenwel dat De V. niet uit eigen wetenschap verklaart dat L. op de hoogte was dat er een vergunning behoorde te zijn maar dit afleidt uit het feit dat er geen vergunning was en de goederen toch binnen de EG zijn afgezet. Dit bewijsmiddel voldoet derhalve voorzover het gaat om de wetenschap bij cliënt van de verboden invoer niet aan de eisen van art. 342 Sv.
Voorts is er de als bewijsmiddel 10 opgenomen verklaring van F. de V. waarin deze o.a. stelt ‘Thijs B., Jaap L. en ik wisten dat de in China gekochte textiel zonder invoervergunning in Nederland werd gebracht en dat de textiel niet bij de douane werd aangegeven, waardoor de belasting bij invoer niet werd betaald’, alsmede de als bewijsmiddel 11 opgenomen verklaring van F. de V. waarin deze onder andere stelt: ‘dit alles is besproken met Jaap L. en Thijs B.’.
Nog afgezien van het feit dat deze bewijsmiddelen strijdig zijn met de als bewijsmiddel 1 en 2 opgenomen verklaringen van requirant had het Hof gezien het voorschrift van art. 342, derde lid niet op basis van deze bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het deelnemen aan een criminele organisatie kunnen komen. Het arrest kan daarom niet in stand blijven.
(…)
HOGE RAAD:
5 Beoordeling van het eerste middel
5.1
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 5 juni 1995 is aldaar namens de verdachte onder meer het verweer gevoerd dat hij niet kan worden aangemerkt als ‘deelnemer’ aan de in de telastelegging onder 1 bedoelde organisatie, aangezien hij er niet van op de hoogte was dat de t-shirts ‘in strijd met de Europese regelgeving’ dan wel ‘op frauduleuze wijze’ vanuit China in de EG werden ingevoerd.
5.2
De in de bewezenverklaring overeenkomstig de telastelegging voorkomende term ‘deelgenomen’ is aldaar kennelijk gebezigd in de betekenis overeenkomende met die welke toekomt aan de term ‘deelneming’ in art. 140 Sr.
5.3
Van het aan een organisatie als bedoeld in dat artikel deelnemen in de zin van die bepaling is slechts dan sprake, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk (HR 29 januari 1991, DD 91 168 en 169).
5.4
Redelijke wetsuitleg brengt voorts mee dat voor deelneming in de zin van evengenoemd artikel voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
5.5
Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen als onder 4.2 weergegeven heeft het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de verdachte samen met onder meer G.G. van der M., F.A. de V., M. de V. en M.C.B. een samenwerkingsverband vormde dat zich bezighield met de invoer van t-shirts uit China in de EG, dat de verdachte verantwoordelijk was voor de in en verkoop van die t-shirts en dat hij in het kader daarvan, onder meer op instigatie van B. voornoemd, meerdere malen valsheid in geschrift heeft gepleegd met betrekking tot in en verkoopfacturen.
5.6
Aldus ligt de verwerping van het in het hiervoor onder 5.1 bedoelde verweer besloten in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. Tot een nadere motivering van de bewezenverklaring was het Hof niet gehouden. Dat de verdachte niet zou hebben geweten dat de t-shirts op frauduleuze wijze vanuit China in de EG werden ingevoerd is gelet op hetgeen hiervoor onder 5.4 is overwogen niet van belang, aangezien de verdachte, naar het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld, wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven nu hij immers verscheidene malen in het kader van zijn werkzaamheden ten behoeve van het samenwerkingsverband valsheid in geschrift heeft gepleegd. Voorzover het middel van een andere opvatting uitgaat kan het dus niet tot cassatie leiden.
5.7
De overige in het middel vervatte klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
5.8
Het middel faalt derhalve.
(…)
7 Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
8 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Conclusie
wnd. A G mr. Keijzer
1
Bij arrest van 19 juni 1996 heeft het Gerechtshof te Amsterdam de verdachte ter zake van ‘Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ alsmede van vier als fraude in de textielhandel te bestempelen misdrijven tot straffen veroordeeld.
2
Tegen dit arrest heeft de verdachte zich tijdig van beroep in cassatie voorzien. Namens de verdachte hebben mr. Th. A. de Roos en mr. D. van der Landen, advocaten te Amsterdam, een schriftuur ingediend, houdende twee middelen van cassatie.
3
De zaak hangt samen met de zaken tegen M. de V. (105 475 E), F.A. de V. (105 476 E) en M.C.B. (106 054 E (NJ 1998 , 226; red.)), waarin ik heden eveneens conclusie neem. Medeverdachte G.G. van der M. is in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard (HR 6 mei 1997, nr. 106 053 E).
4
Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring, in het bijzonder voor wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Betoogd wordt dat het Hof is voorbijgegaan aan het verweer dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als ‘deelnemer’ aan die organisatie omdat bij hem de daartoe vereiste wetenschap van het criminele oogmerk zou hebben ontbroken. ‘Wil L. het verwijt treffen te hebben geparticipeerd in een criminele organisatie zal moeten worden bewezen dat hij op de hoogte was dat goederen in strijd met de Europese regelgeving binnen Europa werden ingevoerd’, aldus de kern van dat verweer (pleitnotities 5 juni 1996, blz. 4).
5
Inderdaad is het Hof op dit verweer niet afzonderlijk ingegaan. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden indien de verwerping van het verweer is gelegen in de gebezigde bewijsmiddelen. De vraag is dus, of het Hof het bewezenverklaarde, in het bijzonder het ‘deelgenomen’ hebben, uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. En om dat te kunnen beoordelen dienen we ons af te vragen wat onder die term in de telastelegging en de bewezenverklaring dient te worden verstaan.
Onder 1 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard, kort samengevat, dat hij heeft ‘deelgenomen’ aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, ‘te weten:’ (waarna vier verschillende misdrijven worden vermeld).
De term ‘deelgenomen’ is in de telastelegging en in de bewezenverklaring kennelijk gebezigd in overeenkomstige betekenis als toekomt aan ‘deelneming’ in art. 140, eerste lid, Sr.
Indien die term aldus moet worden opgevat dat voor deelneming vereist is wetenschap van alle misdadige oogmerken (in casu vier) van de organisatie, dan slaagt het middel, want zodanige wetenschap kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid.
6
Er zijn echter verschillende redenen om aan te nemen dat de zojuist bedoelde opvatting onjuist is.
In de eerste plaats biedt de wetstekst aan de eerstbedoelde uitleg geen steun; daarin wordt gesproken over deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk (enkelvoud) heeft het plegen van misdrijven (meervoud). Om aan een aldus gedefinieerde organisatie deel te nemen behoeft men kennelijk slechts in dat ene oogmerk te delen.
Voorts heeft Uw Raad bij HR 16 oktober 1990, NJB 1990, blz. 1498, nr. 154 (Mariënburcht) en HR 29 januari 1991, DD 91 168 en DD 91 169 (Vredesaktiekamp) geoordeeld dat van deelneming als bedoeld in art. 140 Sr slechts sprake kan zijn ‘indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in evenvermeld artikel bedoelde oogmerk’. Dat wetenschap vereist is van alle door de organisatie beoogde misdrijven houdt dit criterium niet in.
Bovendien zou, indien personen, die behoren tot organisaties die diverse misdrijven beogen en deze weliswaar daartoe ondersteunen, maar die niet alle misdadige oogmerken van de organisatie kennen, om laatstgenoemde reden buiten het bereik van de delictsomschrijving zouden vallen, de bepaling haar doel, het tegengaan van misdadige organisaties, in belangrijke mate missen.
Tenslotte vind ik voor het standpunt dat voor deelneming aan een misdadige organisatie niet vereist is dat men op de hoogte is van alle door die organisatie beoogde misdrijven steun in het volgende commentaar, dat ik aantrof op art. 265 e.v. van de Franse Code Pénal (oud), welke artikelen als de moeder van art. 140, eerste lid, Sr kunnen worden beschouwd* [1] .
Voici un problème délicat. Peut-on affirmer l’intention coupable d’un individu qui, associé à un groupe de malfaiteurs, n’a été mêlé effectievement qu’à la préparation d’un seul des crimes projetés par celui-ci et a ignoré les autres infractions que le groupe envisageait?
Qui, sans aucun doute. La preuve de l’association étant rapportée, il importe peu que chauqe membre ait été, ou non, mis au courant de toutes les activités délictueuses mises à l’étude par les associés: il suffit que chacun ait adhéré volontairement au groupement dont il savait, en général, le caractère infractionnel et en ait ainsi favorisé l’action. (…) On peut même aller jusqu’à admettre qu’est coupable celui qui, en connaissance du caractère délictueux d’une bande, s’y est associé, même si, en fait, il n’a été mis au courant d’aucun des projets de cette bande.* [2]
7
Er is tweeërlei uitleg denkbaar waarbij de strenge eis van wetenschap van alle misdadige oogmerken niet wordt gesteld.
8
De ene mogelijke uitleg is die, volgens welke voor ‘deelneming’ aan een organisatie met een aantal misdadige oogmerken niet vereist is dat de dader alle misdadige oogmerken van de organisatie kent, als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt.
Zou die opvatting juist zijn, dan meen ik dat het Hof de bewezenverklaring onder 1 toereikend heeft gemotiveerd. Dat de verdachte met onder meer G.G. van der M., F.A. de V., M. de V. en M.C.B. een organisatie vormde heeft het Hof kunnen afleiden uit de bewijsmiddelen 1, 6 en 7. Dat de verdachte wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven heeft het Hof kunnen afleiden uit de bewijsmiddelen 3 en 5, en uit de bewijsmiddelen 2 (laatste alinea) en 7 (voorlaatste alinea), waaruit immers valt af te leiden dat de verdachte in het kader van activiteiten waarmee de organisatie zich placht bezig te houden — invoer van t-shirts uit China — en op instigatie van een ander lid van de organisatie herhaaldelijk valsheid in geschrift pleegde met betrekking tot facturen betreffende de levering van textiel, zodat hij althans van één type van de door de organisatie beoogde misdrijven op de hoogte was.
9
De andere mogelijke uitleg is dat, om te kunnen worden aangemerkt als deelnemer aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van verscheidene typen misdrijven, niet vereist is dat men al die misdadige oogmerken heeft gekend, maar slechts dat men daarop voorwaardelijk opzet had.
Zou men van deze — zoals hierna zal blijken door mij niet onderschreven — opvatting uitgaan, ook dan zou in casu de bewezenverklaring mijns inziens toereikend zijn gemotiveerd. Uit de evengenoemde bewijsmiddelen kan niet alleen worden afgeleid dat de verdachte zelf valsheid in geschrift heeft gepleegd met betrekking tot facturen, maar ook dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard* [3] dat de organisatie van de valse facturen gebruik zou maken. Voorts kan uit de bewijsmiddelen 7, 9 (laatste zin; dat uit de formulering blijkt dat De V. niet uit eigen wetenschap heeft verklaard, zoals in de toelichting op het middel wordt betoogd, zie ik niet in) en 10 (laatste zin) worden afgeleid dat de verdachte tevens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de organisatie het invoeren van goederen zonder de vereiste vergunning en het daartoe doen van onjuiste opgaven in en het vervalsen van douanedocumenten beoogde. De bewijsmiddelen 3 en 5 houden verklaringen in van de verdachte, bewijsmiddel 7 houdt een verklaring in van M.C.B., de bewijsmiddelen 9 en 10 houden verklaringen in van F.A. de V.; van strijd met art. 342, derde lid, Sv is reeds daarom geen sprake, nog afgezien ervan dat naar vaste rechtspraak het bewijs van een onderdeel van het bewezenverklaarde wel mag steunen op de verklaring van één persoon. Dat er strijd is tussen de bewijsmiddelen 9 en 10 enerzijds en 1 en 2 anderzijds, zoals in de toelichting op het middel wordt beweerd, vermag ik niet in te zien.
10
Van deze twee mogelijke opvattingen, de eerste, dat wetenschap* [4] vereist is doch slechts daarvan dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogde, en de andere, dat voor deelneming voorwaardelijk opzet op de diverse misdadige oogmerken van de organisatie volstaat, acht ik om de volgende redenen de eerste de juiste.
11
In de eerste plaats meen ik dat met betrekking tot art. 140, eerste lid, Sr, waarin niet omschreven is in wat voor handelingen het deelnemen kan bestaan, terwijl evenmin het misdadig oogmerk van de organisatie nader is omschreven, een redelijke en hanteerbare afbakening van het delict vereist dat geen genoegen wordt genomen met voorwaardelijk opzet* [5] , doch dat voor het aannemen van deelneming, als bedoeld in die bepaling, wetenschap van het oogmerk van de organisatie tot het plegen van misdrijven een voorwaarde is. Het komt mij voor dat in het door Uw Raad in zijn arresten van 16 oktober 1990 en 29 januari 1991 neergelegde criterium, hierboven weergegeven, die eis dan ook ligt besloten. Men zie ook de annotatie in NJ 1991, 442, laatste zinsnede* [6] .
12
In de tweede plaats vindt deze opvatting steun in het recht van Frankrijk en België met betrekking tot de association de malfaiteurs* [7] .
Een Frans arrest van 1970* [8] , omtrent een groep brandkastkrakers waarvan enkelen ontkenden van alle misdadige oogmerken van de association de malfaiteurs op de hoogte te zijn geweest, houdt onder meer in:
La seule chose qui importe est d’établir que le coupable a adhéré en connaissance de cause au groupement dont il savait, d’une façon générale mais non douteuse, le caractère criminel: l’entente volontaire et persistante suffit à constituer l’infraction.
Een Frans commentaar op art. 450–1 NCP (de huidige strafbaarstelling van deelneming aan een association de malfaiteurs) houdt onder meer in* [9] :
chaque participant au groupement ou à l’entente ne peut être déclaré coupable que s’il s’y est agrégé — sciemment et volontairement —, c’est à dire en sachant le caractère délictueux du groupement’ (…) Il faut alors que les circonstances (…) ne laissent aucun doute sur la volonté d’apporter son concours à ce groupe et que celui-ci en connaissait les buts criminels.
Het Belgische Hof van Cassatie heeft in een arrest van 1984* [10] omtrent het deelnemerschap aan een association de malfaiteurs opgemerkt:
l’élément constitutif consiste dans la volonté d’être membre de l’association de malfaiteurs.
13
Of voor deelneming in de zin van art. 140, eerste lid, Sr m.b.t. het misdadig oogmerk van de organisatie voorwaardelijk opzet voldoende is wordt in het midden gelaten door De Vries-Leemans, diss., blz. 58. Strijards acht reeds culpa voldoende* [11] . Naar mijn opvatting heeft het Hof in casu het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden omdat weliswaar wetenschap van het oogmerk van de organisatie tot het plegen van misdrijven vereist is, maar niet van alle beoogde misdrijven.
14
Het door de raadsman ter terechtzitting van het Hof van 5 juni 1996 gevoerde verweer dat de verdachte niet wist dat de textielgoederen zonder vergunning in de EG werden ingevoerd snijdt, gelet op het bovenstaande, geen hout. Het Hof heeft niet uitdrukkelijk op het verweer gerespondeerd, doch dit behoeft niet tot cassatie te leiden daar Uw Raad in zijn arrest uiteen kan zetten dat wetenschap van de verdachte dat de organisatie nog meer misdrijven beoogde dan de beoogde misdrijven waarvan hij wel op de hoogte was (omdat hij ze zelf pleegde) niet vereist is.
15
Het eerste middel kan mijns inziens niet tot cassatie leiden.
16
Het tweede middel betoogt dat het Hof het verzoek van de verdediging om alsnog oproeping van getuigen te bevelen ten onrechte heeft getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium van art. 315 Sv in stede van het criterium of de verdachte door het achterwege blijven van die oproeping redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan zijn geschaad, welk laatste criterium is neergelegd in art. 280, vierde lid, Sv.
17
Het desbetreffende verzoek van de raadsman is vervat in een brief aan de Procureur-Generaal bij het Hof, gedateerd 24 november 1995. Een fax-versie van de brief is gehecht aan het procesverbaal van de terechtzitting van het Hof van 28 november 1995.
18
Dat proces-verbaal houdt voor zover te dezen van belang in:
Het Hof past bij de beoordeling van het verzoek van de raadsman getuigen te horen het criterium van art. 315 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) toe, nu het verzoek niet overeenkomstig artikel 263, tweede lid, Sv. ten minste drie (werk)dagen voor de zitting bij het parket van de procureur-generaal is ingekomen.
19
In aanmerking genomen dat 28 november 1995 een dinsdag was, zodat art. 263, tweede lid, Sv — in samenhang met art. 130 Sv en art. 2 Algemene termijnenwet — meebrengt dat de aldaar bedoelde opgave uiterlijk donderdag 23 november 1995 had moeten worden gedaan, geeft ’s Hofs beslissing geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, aangezien art. 280, vierde lid, Sv bepaalt dat het in dat lid bedoelde criterium slechts geldt voor overeenkomstig art. 263, tweede lid, Sv opgegeven getuigen.
Voorzover in de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat vaststond dat ter terechtzitting van 28 november 1995 het onderzoek zou moeten worden geschorst wegens het niet verschijnen van een reeds op de getuigenlijst geplaatste getuige, wordt miskend dat in cassatie niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die in feitelijke aanleg niet zijn vastgesteld.
20
Voorzover in de toelichting op het middel zonder nadere motivering wordt betoogd dat het ‘onjuist’ is, de overeenkomstige opgaven van alle medeverdachten niet aan hetzelfde criterium te toetsen, wordt voorbijgezien aan het bepaalde in art. 11 Wet Algemene Bepalingen, hetwelk luidt:
De rechter moet volgens de wet regt spreken: hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen.
21
Ook het tweede middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
22
Tot ambtshalve cassatie heb ik geen gronden aangetroffen. De middelen ongegrond achtende concludeer ik daarom tot verwerping van het beroep.
Noot
1
Dit arrest bevat een belangrijke beslissing over de reikwijdte van het omstreden art. 140 Sr. Centraal staat de vraag of — en zo ja, in hoeverre — de deelnemer aan een criminele organisatie opzet moet hebben op de door de organisatie beoogde misdrijven. De Hoge Raad beslist dat ‘wetenschap’ van een of meer concrete misdrijven, zoals die in de telastelegging kunnen zijn omschreven, niet is vereist. Wél moet worden bewezen ‘dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’. Het gaat bij deze algemene wetenschap kennelijk om een aangescherpt opzetvereiste: de Hoge Raad spreekt over ‘onvoorwaardelijk opzet’.
2
De Hoge Raad volgde de conclusie van A G Keijzer. Deze meende dat het vereiste van wetenschap van alle concreet beoogde misdrijven te ver zou voeren: art. 140 Sr zou dan ‘haar doel, het tegengaan van misdadige organisaties, in belangrijke mate missen’. Anderzijds vorderde ‘een redelijke en hanteerbare afbakening van het delict dat geen genoegen wordt genomen met voorwaardelijk opzet, doch dat voor het aannemen van deelneming wetenschap van het oogmerk van de organisatie tot het plegen van misdrijven een voorwaarde is’. Deze uitleg zou ook sporen met het Franse en Belgische recht.
3
De nieuwe rechtsregel leidde in de onderhavige zaak tot verwerping van het cassatieberoep. De klacht over het ontbreken van wetenschap ten aanzien van verschillende misdrijven, die als door de organisatie beoogd in de bewezenverklaring zijn geconcretiseerd, is bij deze uitleg van art. 140 Sr ‘niet van belang’. Het vereiste onvoorwaardelijke opzet kon volgens de Hoge Raad uit de bewijsmiddelen worden afgeleid, nu verdachte ‘immers verscheidene malen in het kader van zijn werkzaamheden ten behoeve van het samenwerkingsverband valsheid in geschrifte heeft gepleegd’. Het ligt inderdaad voor de hand dat algemene wetenschap over het criminele oogmerk van de organisatie kan worden afgeleid uit het zelf begaan van misdrijven indien dat tenminste in het kader van die criminele organisatie geschiedt. A G Keijzer merkt in dit verband terecht op dat wetenschap niet alleen uit een eigen verklaring, maar ook uit omstandigheden kan worden afgeleid. Soms zijn de omstandigheden van dien aard dat deze de vaststelling dat verdachte iets ‘moet hebben geweten’ kunnen dragen. De wat mysterieuze term onvoorwaardelijk opzet is kennelijk enger dan voorwaardelijk opzet, maar voor het bewijs ervan is geen bekentenis nodig, zo blijkt uit dit arrest.
4
A G Keijzer had in zijn conclusie een andere interpretatie, waarbij gewoon opzet, maar dan wel op de concreet beoogde misdrijven zou worden vereist, als minder aantrekkelijk aangemerkt. Daarin is hij kennelijk door de Hoge Raad gevolgd. Maar is die keuze wel de meest aansprekende? Er pleiten naar mijn mening toch wel argumenten voor een gewoon opzetvereiste op de concreet beoogde misdrijven. Dat zou betekenen dat voor het bewijs voorwaardelijk opzet op die misdrijven voldoende is.
Het ligt stelselmatig gezien in de rede om het betrekkelijk ernstige misdrijf van art. 140 Sr als een doleus delict te beschouwen en om derhalve opzettelijke deelneming aan de criminele organisatie te vereisen. Bij doleuse delicten komt het zelden voor dat strafbepalende bestanddelen aan het opzetvereiste zijn onttrokken. Dit zou met zich mee moeten brengen dat het opzetvereiste voor art. 140 Sr zich uitstrekt tot het oogmerk van de organisatie om misdrijven te plegen, en wanneer dit oogmerk in een telastelegging wordt geconcretiseerd zoals in de praktijk gebruikelijk is, tot die nader omschreven misdrijven (zo’n nadere concretisering in de telastelegging verdient ook aanbeveling, vgl. De Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht, Arnhem 1995, p. 69, ook al lijkt de Hoge Raad dat niet strikt noodzakelijk te vinden, vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425).
Dit grondmodel voor de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid is ook te zien bij de deelnemingsvormen uit het Algemeen Deel: de deelnemer is slechts aansprakelijk voor zijn bijdrage aan de (in de bewezenverklaring nader bepaalde) misdrijven waarop zijn opzet betrekking had (vgl. Hazewinkel-Suringa-Remmelink, 15e druk, 1996, p. 436, 437 en 449, en HR 29 april 1997, NJ 1997, 654). En hetzelfde geldt wanneer aan poging en voorbereiding wordt gedacht. Met deze algemene vormen van aansprakelijkstelling heeft art. 140 Sr bovendien een zekere verwantschap. Weliswaar moet art. 140 Sr als bijzonder delict op zijn eigen merites worden beoordeeld, een sterke afwijking van verwante algemene leerstukken lijkt mij onwenselijk.
Mijns inziens zou de interpretatie dat opzet is vereist op het geconcretiseerde oogmerk ook tot redelijke resultaten leiden, of in de woorden van de A G een redelijke en hanteerbare afbakening van het delict opleveren. Stel dat een organisatie blijkens de telastelegging valsheid in geschrift én moord en doodslag beoogt. Indien de wetenschap van een bepaalde verdachte, die voldoet aan de nadere omschrijving voor deelneming in art. 140 Sr (zie ook weer dit arrest in r.o. 5.3), zich tot het eerste delict zou beperken en hij zelfs geen voorwaardelijk opzet op moord en doodslag als door de organisatie beoogde misdrijven zou hebben, gaat het in het licht van het schuldbeginsel wel ver om deze deelnemer ook aansprakelijk te achten terzake van art. 140 Sr voorzover de organisatie moord en doodslag beoogt. Toch is dat wel een consequentie van dit arrest van de Hoge Raad. Mijns inziens past dat echter niet goed bij het grondmodel voor de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid dat de deelnemingsvormen, de poging en de bijzondere delicten te zien geven. Door opzet op de concreet beoogde misdrijven te eisen zou de samenhang tussen deelnemer en organisatie strakker worden. Tot onwerkbare uitkomsten leidt de door mij bepleite opvatting overigens niet: in dit voorbeeld zou slechts een partiële vrijspraak behoeven te volgen (zie ook de conclusie onder 9 over de weinig problematische toepassing die dit criterium in die zaak zou hebben).
Een voordeel van de interpretatie dat gewoon opzet op de beoogde misdrijven zou hebben vereist, is bovendien dat dat beter bij de hoofdlijnen van het leerstuk opzet past. De door de Hoge Raad gebezigde term ‘onvoorwaardelijk opzet’ heeft zich bij mijn weten in de Nederlandse rechtsleer geen plaats verworven na de opmerkingen van Modderman erover (vgl. Smidt, I, p. 80: ‘Onvoorwaardelijk opzet, dikwerf kortweg ‘opzet’ genoemd, is de wil met bewustzijn gerigt op een bepaald misdrijf d.w.z. op alle feitelijke elementen die tot zijn wezen behooren’). De Hoge Raad geeft nu een wat andere invulling en heeft kennelijk het oog op daadwerkelijke wetenschap (in tegenstelling tot een soort kanswetenschap). De hiermee gesuggereerde strikte onderscheiding tussen wetenschap en voorwaardelijk opzet lijkt me echter in het algemeen niet juist (vgl. Brouns, Opzet in het Wetboek van Strafrecht, Arnhem 1988, p. 228–232 en HR 19 januari 1993, NJ 1993, 491 m.nt. Th.W.v.V. en AAe 1993, p. 491–496 over art. 416 Sr). Ik zie onvoldoende reden om voor art. 140 Sr een nieuw en afwijkend opzetvereiste te creëren. Opzet kan wel enigszins per delict variëren, maar een zekere eenheid van begrip zou wel bewaard moeten blijven (vgl. Brouns, p. 301–303).
De Hoge Raad noemt als enige argument voor zijn beslissing een ‘redelijke wetsuitleg’. Zou het echter niet nog redelijker zijn om van de deelnemer aan een criminele organisatie gewoon opzet op de volgens de telastelegging door de organisatie concreet beoogde misdrijven te eisen? Die uitleg past bij de grondstructuur van het strafbare feit en bij de algemene leer over opzet, en is bovendien werkbaar. Het is vermoedelijk wel een wat restrictiever interpretatie dan die van de Hoge Raad (het opzetvereiste wordt minder zwaar aangezet, maar omvat meer). Dat lijkt me juist bij art. 140 Sr bepaald geen bezwaar.