HR 19-10-1999, NJ 2000, 109 Arrest Moord en doodslag

HR 19-10-1999, NJ 2000, 109 Arrest Moord en doodslag

NJ 2000 , 109
HOGE RAAD (Strafkamer)
19 oktober 1999, nr. 111.545
(Mrs. Haak, Koster, Orie, Van Buchem-Spapens, Balkema; wnd. A-G Keijzer; m.nt. JdH)

m.nt. JdH

Regeling

Sr art. 287, 289; Sv art. 261 lid 1, 430

Essentie

Ingevolge de delictsomschrijving is moord doodslag gepleegd met voorbedachten rade. Door vanwege het niet bewezen zijn van de voorbedachten rade van de hele tenlastelegging (moord) vrij te spreken, hoewel daarin de bestanddelen van doodslag nog zijn overgebleven, heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
Tenlastelegging moord impliceert doodslag.

Tekst

Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 juli 1998 in de strafzaak tegen B.E.R.M., te Amsterdam, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Haarlem’ te Haarlem, adv. mr. G. Spong te ’s Gravenhage.
HOF:
Tenlastelegging
Tenlastegelegd is dat hij op of omstreeks 14 november 1996 te Haarlemmerliede, gemeente Haarlemmerliede Ca althans te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een man (namelijk X) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een schietwapen een of meer schoten op/in het hoofd van die man afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde man is overleden;
art. 289 Wetboek van Strafrecht
art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.
Motivering vrijspraak
Anders dan de rechtbank acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd (moord).
Vaststaat dat X met twee van dichtbij uit een vuurwapen afgevuurde schoten van het leven is beroofd en dat die schoten zijn afgevuurd door verdachte en/of M. en/of N. Het is niet mogelijk gebleken vast te stellen wie de schoten heeft/hebben gelost. Evenmin kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat bij verdachte, dan wel bij verdachte en zijn mede-verdachten samen, toen zij in het recreatiegebied waren aangekomen en daar met het slachtoffer uit de auto waren gestapt reeds het (gezamenlijk) plan bestond om X van het leven te beroven.
De verdachte en zijn mede-verdachten hebben verklaard dat het slachtoffer naar het recreatiegebied was gebracht om hem daar een flink pak slaag te geven en hem daar achter te laten zodat hij terug moest lopen. Het hof acht het niet uitgesloten dat dit inderdaad de bedoeling was en voorts dat, toen het slachtoffer kans zag te ontsnappen en de achtervolging was ingezet verdachte en/of (een van) zijn mede-verdachten zijn zelfbeheersing totaal heeft/hebben verloren, en gebruik is/zijn gaan maken van een vuurwapen, met het noodlottig gevolg.
Als deze situatie zich heeft voorgedaan, heeft de schutter zich daarmee schuldig gemaakt aan doodslag, terwijl niet kan worden vastgesteld wie van de aanwezigen de schutter is geweest. Derhalve kan de tenlastegelegde moord, dan wel medeplegen van moord, niet worden bewezen.
Nu de officier van justitie de betrokkenheid van verdachte bij de dood van X niet (subsidiair) ook in een andere vorm aan verdachte heeft tenlastegelegd, moet de verdachte derhalve van dit onderdeel van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Cassatiemiddelen:
Middel 1
Het recht is geschonden en/of verkeerd toegepast en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid met zich brengt in het bijzonder schending van de artikelen 350, 352, 359, 415, 430 en 431 Wetboek van Strafvordering doordien het gerechtshof door vrij te spreken van de tenlastegelegde moord, dan wel medeplegen van moord is voorbijgegaan aan de — impliciet — mede tenlastegelegde doodslag dan wel het medeplegen van doodslag en derhalve de grondslag der tenlastelegging heeft verlaten door van iets anders vrij te spreken dan — impliciet — mede tenlastegelegd, althans een motivering heeft gebruikt die de beslissing niet kan dragen, althans onvoldoende inzicht heeft geboden in de gevolgde gedachtengang, zodat die beslissing onvoldoende is gemotiveerd.
(…)
Hoge Raad:
3 De tenlastelegging
Aan de verdachte is voorzover in cassatie van belang, tenlastegelegd dat: (enz.; zie Hof; red.)
4 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.1
Nu het beroep allereerst is gericht tegen een vrijspraak moet de Hoge Raad, gezien het eerste lid van art. 430 Sv, beoordelen of de Procureur-Generaal in dat beroep kan worden ontvangen.
Daartoe dient te worden onderzocht of de gegeven vrijspraak een andere is dan die bedoeld in die wetsbepaling. Dit brengt mee dat voor het onderhavige geval eerst de vraag moet worden beantwoord of het Hof, door te overwegen en te beslissen als op blz. 2 van het verkorte arrest is weergegeven, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en van iets anders heeft vrijgesproken dan was ten laste gelegd.
4.2
Het in art. 289 Sr omschreven delict moord behelst dezelfde bestanddelen als het in art. 287 Sr omschreven delict doodslag, zij het dat voor een veroordeling ter zake van moord daarenboven nog als vereiste is gesteld dat komt vast te staan dat die doodslag is gepleegd ‘met voorbedachten rade’.
4.3
In zijn op blz. 2 van het verkorte arrest opgenomen motivering van de gegeven vrijspraak heeft het Hof onder meer als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat in de tenlastelegging onder 2 ten gevolge van het niet bewezen zijn van het onderdeel ‘met voorbedachten rade’ geen grondslag meer kan worden gevonden voor een bewezenverklaring van het — al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen — plegen van doodslag. Dat oordeel kan, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, niet als juist worden aanvaard. Het Hof heeft dus voor wat het onder 2 tenlastegelegde betreft in zoverre niet beslist op de grondslag van de tenlastelegging, zodat de in cassatie aangevallen vrijspraak in zoverre niet een vrijspraak is als bedoeld in art. 430, eerste lid, Sv. Dat brengt mee dat de Procureur-Generaal in zijn beroep kan worden ontvangen.
5 Beoordeling van het eerste middel
Het middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde heeft verlaten door te oordelen dat daarin niet tevens het verwijt kan worden gelezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het — al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen — plegen van doodslag. Uit hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen volgt dat het middel gegrond is.
6 Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft en dat verwijzing moet volgen.
In verband met de behandeling van de zaak na verwijzing merkt de Hoge Raad nog het volgende op.
Nu het cassatieberoep in deze zaak is beperkt tot de gegeven vrijspraak en de daarmee verband houdende beslissing ten aanzien van de benadeelde partij, heeft ’s Hofs arrest kracht van gewijsde verkregen voorzover de verdachte daarbij is veroordeeld.
Indien het Gerechtshof waarnaar zal worden verwezen tot een veroordeling komt ter zake van het ingevolge de verwijzing aan zijn oordeel onderworpen feit — (medeplegen van) doodslag — zal het daarom toepassing dienen te geven aan art. 63 Sr.
7 Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden einduitspraak voorzover het Hof niet heeft geoordeeld over de in de tenlastelegging begrepen doodslag en ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te ’s Gravenhage opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Conclusie

wnd. A G mr. Keijzer
(…)
9
In het algemeen pleegt Uw Raad de door de feitenrechter aan de telastelegging gegeven uitleg slechts marginaal te toetsen* [1] . Ter ondersteuning van de opvatting van het Hof dat slechts moord en niet tevens subsidiair doodslag is telastegelegd kan wellicht gelden dat de telastelegging inhoudt ‘opzettelijk en met voorbedachten rade’ en niet: opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade. Verder wijst echter niets erop dat de telastelegging onder 2 niet impliciet subsidiair doodslag betreft* [2] . (De omstandigheid dat de telastelegging als wettelijk voorschrift waarbij het feit is strafbaar gesteld art. 289 Sr vermeldt, en niet tevens art. 287 Sr, kan als zodanige aanwijzing niet gelden. Weliswaar heeft de Minister van Justitie destijds overwogen dat het opnemen in art. 261 Sv van de verplichting tot het vermelden van de toepasselijke strafbepalingen de informatiefunctie van de dagvaarding ten goede komt* [3] , maar dat die bepalingen ook met betrekking tot impliciet subsidiair telastegelegde feiten zouden moeten worden vermeld valt noch uit de wet, noch uit de wetsgeschiedenis af te leiden.) Op het tegendeel van de opvatting van het Hof wijst dat, zoals het Hof zelf heeft overwogen, de Officier van Justitie de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van X niet expliciet subsidiair als een ander delict dan moord heeft telastegelegd* [4] , hetgeen bij juistheid van ’s Hofs opvatting voor de hand had gelegen. De opvatting van het Hof dat slechts moord en niet tevens subsidiair doodslag is telastegelegd acht ik derhalve onbegrijpelijk. Bezwaarlijk valt de onderhavige telastelegging anders op te vatten dan als mede, subsidiair, betrekking hebbende op doodslag. Door, op de grond dat ‘met voorbedachten rade’ en ‘na kalm beraad en rustig overleg’ niet bewezen kunnen worden, vrij te spreken van al het onder 2 telastegelegde, heeft het Hof de verdachte derhalve van iets anders (moord) vrijgesproken dan is telastegelegd (moord, subsidiair doodslag).
10
Dit leidt tot het oordeel dat de gewezen vrijspraak er niet een is als waarop in art. 430, eerste lid, Sv wordt gedoeld, zodat deze niet aan de ontvankelijkheid van de Procureur-Generaal in zijn cassatieberoep in de weg staat. Ik acht het cassatieberoep ontvankelijk.
11
Het eerste middel van de Procureur-Generaal houdt de klacht in dat het Hof is voorbijgegaan aan de impliciete telastelegging van doodslag, en daarmee artikel 350 Sv (ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing) niet naar behoren heeft nageleefd. Zoals uit het voorgaande voortvloeit meen ik dat het middel slaagt.
(…)

Noot

1
In dit arrest geeft de Hoge Raad een dwingende uitleg aan de tenlastelegging van het gekwalificeerde delict moord. Zo’n tenlastelegging levert mede een grondslag op voor een bewezenverklaring van doodslag en dient in die zin als impliciet subsidiair te worden opgevat. Opvallend is dat de Hoge Raad de feitenrechter op dit punt geen ruimte laat bij de interpretatie van de tenlastelegging (dat leek in eerdere jurisprudentie wat meer het geval, vgl. bijv. HR 5 december 1932, NJ 1933, p. 551 e.v. m.nt. WP en HR 26 april 1988, NJ 1988, 933; vrij dwingend was echter ook al HR 23 juni 1987, NJ 1988, 170 m.nt. GEM). Dit ligt vermoedelijk slechts anders indien het OM expliciet te kennen geeft een andere bedoeling met de tenlastelegging te hebben (HR 24 november 1998, NJ 1999, 155).
De Hoge Raad vindt beslissend dat moord dezelfde bestanddelen als doodslag bevat, plus een extra bestanddeel (met voorbedachten rade). Het gaat met andere woorden om een gekwalificeerde logische specialis. Dit criterium levert enerzijds een belangrijke en duidelijke beperking van deze beslissing op, anderzijds geeft deze motivering de beslissing een ruimer bereik doordat dan waarschijnlijk voor alle gekwalificeerde logische speciales (en dat zijn er nogal wat, bijvoorbeeld bij de vermogens en geweldsdelicten) geldt dat tenlastelegging daarvan tegelijkertijd die delictsomschrijvingen omvat die dezelfde bestanddelen kennen (met uitzondering van het kwalificerende bestanddeel). In dit verband kan ook aan de WED en de Opiumwet worden gedacht (door de toevoeging van het bestanddeel opzet wordt een overtreding een misdrijf).
2
Deze rechtsregel is duidelijk en biedt houvast. Tenlasteleggingen kunnen daardoor compact blijven zonder dat de verdachte (of het OM) voor grote verrassingen komt te staan. Daardoor kan over het bezwaar worden heengestapt dat het OM in casu expliciet art. 289 Sr had vermeld als wettelijk voorschrift waarbij het telastegelegde feit was strafbaar gesteld (art. 261 lid 1 Sv), terwijl de onderhavige tenlastelegging bovendien wel expliciet subsidiaire onderdelen bevatte ten aanzien van de plaats van en het deelnemen aan het strafbare feit. Maar een bezwaar was dat mijns inziens wel (die verwijzing is bij deze uitleg van de tenlastelegging immers niet uitsluitend verhelderend). Daarom zou ik ondanks dit arrest een expliciet subsidiaire tenlastelegging (bijv. al dan niet met voorbedachte raad) of in ieder geval een verwijzing naar art. 289 én 287 Sr toch te verkiezen vinden. Zoals ook bij de bekende ‘klare taal’-arresten bleek (HR 27 juni 1995, NJ 1996, 126 en 127 m.nt. MSG), staan bij de verwoording van het strafrechtelijk verwijt in een tenlastelegging eenvoud en precisie (of: leesbaarheid en juridische informatieve waarde) meer tegenover dan naast elkaar.
3
De Hoge Raad kon tot zijn beslissing komen doordat het Hof de vrijspraak vrij uitvoerig had gemotiveerd. Een complicatie zou in dit geval kunnen zijn dat die motivering meerdere, mogelijk zelfstandig dragende argumenten voor de vrijspraak bevatte. Dan zou de verkeerde interpretatie van de tenlastelegging onder omstandigheden toch onaantastbaar kunnen zijn. Maar de motivering van het Hof kan, zoals de Hoge Raad kennelijk doet, inderdaad zo worden gelezen dat de enkelvoudige wijze van tenlastelegging doorslaggevend voor de einduitspraak was. Daarbij speelt op de achtergrond misschien mee dat de rechtsopvatting van het hof over medeplegen — het tweede punt dat uit de motivering naar voren komt — aanvechtbaar lijkt (vgl. HR 17 mei 1943, NJ 1943, 576 en Van Toorenburg, Medeplegen, Deventer 1998, p. 64 en 131–133 en een onopgehelderde taakverdeling tijdens tussen medeplegers de feitelijke uitvoering). Dat het Hof de vrijspraak uitvoerig motiveerde, is niet gebruikelijk, maar spreekt op zichzelf zeker aan. Motivering van rechterlijke beslissingen is immers vooral van belang wanneer de beslissing ingaat tegen standpunten van procespartijen, of dat nu de verdachte of het OM is.