HR 20-01-2004, NJ 2004, 214 Arrest Bumperkleven
HR 20-01-2004, NJ 2004, 214 Arrest Bumperkleven
NJ 2004 , 214
HOGE RAAD (Strafkamer)
20 januari 2004 , nr. 02691/02
(Mrs. C.J.G. Bleichrodt, J.P. Balkema, J. de Hullu; A-G Vellinga)
JOL 2004 , 32
Regeling
Sr art. 287; WVW 1994 art. 6
Essentie
Verdachte heeft, rijdend op een tweebaansweg met bomen, zonder aanvaardbare aanleiding zeer hard geremd, terwijl verdachte en A, die zeer kort achter hem reed, meer dan 100 km/u reden. A. moest uitwijken, waarbij zijn auto tegen een boom is gereden en A. is overleden. Door in die situatie hard en onverhoeds te remmen, welke gedraging geëigend was om A. in ernstig gevaar te brengen, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat A. zou verongelukken en was derhalve verdachtes opzet in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood van A. gericht.* [1]
Dodelijke aanrijding en doodslag.
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 11 juni 2002, nummer 21/002267–01, in de strafzaak tegen T.T.G., adv. mrs. G.P. Hamer en A.M. Ficq-Kengen, beiden te Amsterdam.
HOF:
De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 19 oktober 2001 — de verdachte ter zake van ‘doodslag’ veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren.
Cassatiemiddel:
Schending van de art. 348, 349, 350, 352, 358, 359, 415 en 425 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen.
Meer in het bijzonder kan het voorwaardelijk opzet onvoldoende uit de bewijsmiddelen volgen, althans is de motivering van dit opzet in de nadere bewijsoverweging onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
Het hof heeft bewezenverklaard dat rekwirant zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, nu hij op 11 april 2001 te Acquoy in de gemeente Geldermalsen, opzettelijk M. A. van het leven heeft beroofd, door aldaar met een door rekwirant bestuurde personenauto met een snelheid van 101 km/uur althans een hogere snelheid dan terplaatse was toegestaan, opzettelijk krachtig/hard te remmen terwijl voornoemde A. op enkele meters, althans op korte afstand, achter rekwirant reed, ten gevolge waarvan voornoemde A., de auto van rekwirant ontwijkend, met zijn auto tegen een boom is gereden.
Naast de bewijsmiddelen heeft het hof een nadere bewijsoverweging opgenomen, waarin het hof aangeeft dat rekwirant willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn onverhoedse en tegen zijn achterligger gerichte remmanoeuvre, de laatste dodelijk verongelukte.
Naar de mening van rekwirant kan het voorwaardelijk opzet onvoldoende uit de bewijsmiddelen volgens, althans is de motivering van dit opzet in de nadere bewijsoverweging onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed. In het onderhavige geval heeft rekwirant door zijn handelswijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar gelopen, nu door te remmen rekwirant ook zelf de controle over zijn eigen auto zou kunnen verliezen, ofwel zou de achterliggende auto, die zo kort op rekwirant reed, ook vol op rekwirants auto kunnen inrijden.
In een dergelijk geval dient de rechter in zijn oordeel te betrekken dat — behoudens aanwijzingen voor het tegendeel — naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat rekwirant de aanmerkelijk kans dat een remmanoeuvre — ingeval een auto op zeer korte afstand achter hem rijdt —, met mogelijk dodelijke gevolgen voor hem zelf, eveneens op de koop toe neemt (vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199).
Bovendien gaat het hof voorbij aan het door de raadsman van rekwirant, mr O.E. de Jong, genoemde punt bij pleidooi dat de remmanoeuvre als lichtzinnig of onnadenkend is te kwalificeren, maar dat dergelijke lichtzinnigheid onvoldoende is om tot het bewijs van voorwaardelijk opzet te komen (zie hiertoe de ter terechtzitting van 28 mei 2002 overgelegde pleitnota, pag. 2–7). In het licht van de jurisprudentie van Uw Raad had het hof in zijn bewijsoverweging hier op in dienen te gaan. Rekwirant verwijst naar de annotatie van Mevis bij HR 2 april 2002, NJ 2002, 421, alwaar hij stelt:
Het lijkt er op dat de Hoge Raad daarbij aan traditionele lijnen vasthoudt, zoals die onder andere in het Porsche-arrest (HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199, m.n. ‘tH) nog eens uitvoerig uiteen zijn gezet. Hij blijft benadrukken dat, wil men uit feitelijke omstandigheden het bewijs van opzet afleiden, die feiten duidelijk in geen andere richting dan die van het ingetreden gevolg moeten wijzen. Die aanmerkelijke kans is nodig omdat de rechter uit die feiten de overtuiging moet kunnen bekomen dat de verdachte willens en wetens (bewust) dit gevolg op de koop toe heeft genomen. De Hoge Raad houdt daarmee terecht vast aan bewijs van hetgeen de verdachte heeft geweten en gewild.
Derhalve meent rekwirant dat het voorwaardelijk opzet onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans is de motivering van dit opzet in de nadere bewijsoverweging onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed.
Hoge Raad:
3 Beoordeling van het middel
3.1
Het middel behelst de klacht dat het opzet onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de nadere bewijsoverweging van het Hof onbegrijpelijk is.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
hij op 11 april 2001 te Acquoy in de gemeente Geldermalsen, opzettelijk M.A. van het leven heeft beroofd, door aldaar met een door verdachte bestuurde personenauto met een snelheid van 101 km/uur althans een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, opzettelijk krachtig/hard te remmen terwijl voornoemde A. op enkele meters, althans op korte afstand, achter verdachte reed, ten gevolge waarvan voornoemde A., de auto van verdachte ontwijkend, met zijn auto tegen een boom is gereden.
3.2.2
Met betrekking tot die bewezenverklaring heeft het Hof nog het volgende overwogen:
Uit de inhoud van het proces-verbaal en de afgelegde verklaringen is het volgende komen vast te staan.
Verdachte reed met een rode Volkswagen Golf over de Provinciale weg N 237 die ter plaatse uit twee rijstroken bestaat met bomen langs de weg. Hij had een grijze Ford Fiesta ingehaald. De bestuurder van deze auto — het latere slachtoffer A. — is vlak achter verdachte gaan rijden (bumperkleven). Deze A. heeft getracht verdachte weer in te halen, maar dit lukte niet omdat verdachte zijn snelheid verhoogde, althans geen gas terugnam. Beiden reden op een gegeven moment met een snelheid van meer dan 100 km per uur vlak achter elkaar, terwijl de ter plaatse geldende maximumsnelheid 80 km per uur bedraagt. Nadat verdachte aan zijn vriendin, die naast hem zat, gezegd had: ‘Ik denk dat ik zo meteen op mijn rem moet gaan staan, doe je gordel maar om’, heeft hij — zonder enige aanvaardbare aanleiding of grond — hard geremd. Zodanig hard dat een omwonende op een afstand van circa 250 meter zeer hard piepende banden hoorde boven het geluid van de bosmachine, waarmee hij aan het werk was. Op de weg is een remblokkeerspoor aangetroffen van ongeveer 9 meter lang.
Door deze remmanoeuvre was het slachtoffer genoodzaakt uit te wijken waarbij hij van de weg is geraakt en tegen een boom gereden. Als gevolg van deze aanrijding is hij ter plaatse overleden.
Uit de voormelde omstandigheden en de aard van de handeling van verdachte, die voor zijn achterligger een levensgevaarlijke situatie creëerde, leidt het hof af, mede gelet op de algemene ervaringsregels, dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn onverhoedse en tegen zijn achterligger gerichte remmanoeuvre, de laatste dodelijk verongelukte.
3.3
In aanmerking genomen dat, naar het Hof heeft vastgesteld, de verdachte — toen de door het slachtoffer A. bestuurde auto op zeer korte afstand achter zijn, verdachtes, auto reed op een tweebaansweg waarlangs bomen stonden, terwijl beide auto’s een snelheid hadden van meer dan 100 km per uur — zich bewust van die situatie hard en onverhoeds heeft geremd, welke gedraging geëigend was A. in ernstig gevaar te brengen, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte, aldus en onder die omstandigheden handelend, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat A. zou verongelukken en dat derhalve het opzet van de verdachte in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood van A. was gericht, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is derhalve ook voor wat betreft het bewezenverklaarde opzet voldoende met redenen omkleed.
3.4
Het middel faalt derhalve.
4 Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve kan behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Conclusie
A G mr. Vellinga
(…)
7
Enige jaren geleden heeft de Hoge Raad in het zogenaamde Porsche-arrest uiteengezet wanneer sprake kan zijn van (voorwaardelijk) opzet op de dood van een verkeersslachtoffer. De Hoge Raad overwoog:
5.3
Het geval kan zich voordoen dat ten aanzien van een verdachte die door zeer gevaarlijk te rijden een ongeval met dodelijke afloop heeft veroorzaakt moet worden aangenomen dat deze de slachtoffers van dat ongeval opzettelijk van het leven heeft beroofd, zodat art. 287 Sr van toepassing is, bij welke bepaling een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is bedreigd. Zo’n geval doet zich voor indien de verdachte zijn gedraging willens en wetens op de dood van die slachtoffers heeft gericht. Voorts kan een zodanig geval zich voordoen indien moet worden aangenomen dat de verdachte zich aan de aanmerkelijke kans dat andere verkeersdeelnemers door zijn gedraging het leven zullen verliezen willens en wetens heeft blootgesteld, met dien verstande dat hij — in plaats van erop te rekenen dat een en ander wel goed zal aflopen — de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen. Dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen — in dit verband wordt gesproken van voorwaardelijk opzet — kan, behalve op grond van de verklaring van de verdachte, worden aangenomen op grond van bijzondere omstandigheden van het geval.
5.4
In gevallen als het onderhavige, dat zich hierdoor kenmerkt dat de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, dient de rechter evenwel in zijn oordeel te betrekken dat — behoudens aanwijzingen voor het tegendeel — naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing met een tegemoetkomende auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt.* [2]
8
Onlangs — in HR 25 maart 2003, nr. 02664/01, LJN AE9049, rov. 3.6. — heeft de Hoge Raad aangegeven wat in zijn visie in het kader van het voorwaardelijk opzet onder een ‘aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan: het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Daar voegde de Hoge Raad aan toe, dat voor de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. In HR 24 juni 2003, LJN AF8058 ziet de Hoge Raad een kans van 1 op 250 à 300 kennelijk als ‘aanmerkelijke kans’ (rov. 3.6.3. jo. rov. 3.2.2. onder 8 ten aanzien van het oplopen door een seksuele gedraging van besmetting met het HIV-virus).* [3]
9
Met betrekking tot de vraag of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 25 maart 2003, nr. 02664/01, LJN AE9049, rov. 3.6. voorts:
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.* [4]
10
In het licht van deze rechtspraak moet ’s Hofs oordeel in de onderhavige zaak kennelijk als volgt worden verstaan.
11
Moeilijk valt te loochenen dat verdachte door zijn remmanoeuvre een aanmerkelijke kans op een ongeval in het leven riep. Verdachte remde immers zo heftig dat het linker voorwiel blokkeerde, en wel terwijl een auto op korte afstand — verdachte spreekt van twee meter — achter de door verdachte bestuurde auto reed en beide voertuigen reden met een snelheid van meer dan 100 km/h.
12
Het feit dat verdachte zijn vriendin die naast hem in de auto zat, aanried de veiligheidsgordel om te doen, wijst er op dat verdachte zich ervan bewust was dat hij een gevaarlijke manoeuvre ging uitvoeren. Voorts was verdachte zich blijkens zijn verklaring bewust van de hiervoor onder 11 genoemde omstandigheden. Uit een en ander kan worden afgeleid dat verdachte zich ervan bewust was dat hij door zijn manoeuvre een aanmerkelijke kans op een ongeval in het leven riep en dat hij zich daardoor niet heeft laten weerhouden. Verdachte moet deze aanmerkelijke kans op een ongeval dus willens en wetens hebben aanvaard.
13
Naar de ervaring leert riep verdachtes manoeuvre in de omstandigheden van het onderhavige geval niet alleen een aanmerkelijke kans op een ongeval in het leven, maar ook een aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop. Verdachte dwong door heftig te remmen de bestuurder van de auto die op zeer korte afstand achter de zijne reed tot eveneens heftig remmen of uitwijken met het — mede gelet op de gereden snelheid van 100 km/h — daaraan verbonden substantiële gevaar dat die bestuurder de controle over zijn voertuig zou verliezen. Dat bood alle kans voor een aanrijding met een boom of een tegenligger, want ter plaatse bestond de weg uit twee rijstroken en stonden bomen langs de weg. Gezien de snelheid van meer dan 100 km/h, waarmee werd gereden, bestond er een reëel gevaar dat een dergelijke aanrijding tot dodelijk letsel zou leiden. In dit verband wijs ik er op dat uit onderzoek blijkt, dat inzittenden van personenauto’s bij een botsing met 80 km/h een 20 keer grotere kans hebben om te overlijden dan bij 30 km/h.* [5]
14
Dit brengt mij ten slotte bij de vraag of verdachte de hiervoor beschreven aanmerkelijke kans op dodelijk gevolg van zijn remmanoeuvre willens en wetens heeft aanvaard. Gelet op de omstandigheden van het geval en op hetgeen de algemene ervaring leert omtrent het gevaar van de door verdachte in die omstandigheden verrichte manoeuvre kan worden aangenomen* [6] dat hij besef heeft gehad van het gevaar dat die manoeuvre in zich had, ook van het gevaar op dodelijke afloop. Daarmee is nog niet gezegd dat hij dat hem bekende gevaar ook ‘willens’ heeft aanvaard. Dat klemt temeer omdat verdachte door zijn manoeuvre ook zichzelf en zijn vriendin aan het gevaar van een dodelijk ongeval blootstelde.* [7] Want ook verdachte had de controle over zijn voertuig kunnen verliezen doordat zijn auto werd aangereden door de vlak achter hem rijdende auto. Toch meen ik dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de bestuurder van de achter hem rijdende auto niet alleen wetens maar ook willens heeft aanvaard. Verdachte heeft immers in het besef van de aan zijn manoeuvre verbonden gevaren gekozen voor een daad van agressie jegens de bestuurder van de achter hem rijdende auto. Kennelijk woog het daaraan voor hemzelf verbonden gevaar niet op tegen de keuze voor een daad van agressie jegens het latere slachtoffer en heeft zijn behoefte aan een agressieve daad jegens de achter hem rijdende bestuurder aldus de overhand gekregen op het besef dat hij zich daarvan beter kon onthouden vanwege de daaraan voor anderen verbonden gevaren. Die reële gevaren, de aanmerkelijke kans dat zijn handelen tot de dood van een ander of anderen zou leiden, nam hij dus op de koop toe.* [8]
15
Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het bewezenverklaarde opzet uit de bewijsmiddelen kan volgen en de bewezenverklaring dus voldoende met redenen is omkleed.
16
Het middel faalt.