HR 22-09-1987, NJ 1988, 379 Arrest Een brandstichting, twee feiten

HR 22-09-1987, NJ 1988, 379 Arrest Een brandstichting, twee feiten

NJ 1988 , 379
HOGE RAAD (Strafkamer)
22 september 1987, nr. 80730
(Mrs. Van der Ven, Bronkhorst, Jeukens, Davids, Keijzer; A-G Remmelink)
DD 88.020

DD 1988 , 020

Regeling

Sr art. 55 lid 1, 57, 157

Essentie

Opzettelijke brandstichting, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander was te duchten; geen eendaadse, maar meerdaadse samenloop van de misdrijven van art. 157 onder 1° en 157 onder 2° Sr.

Tekst

Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Hof te Amsterdam van 3 febr. 1986 in de strafzaak tegen Simon Johannes H., geboren te Amsterdam op 7 aug. 1945, te Amsterdam.
1
De bestreden uitspraak
Het hof heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Rb. te Amsterdam van 1 aug. 1984 — de verdachte ter zake van ‘opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is’ veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf.
2
Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens hem heeft Mr. V. Kraal, adv. te Amsterdam, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:
I
Verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving in dit geval nietigheid meebrengt en/of schending van het recht, in het bijzonder van de art. 55, 57 en 157 Sr, doordat het hof, bij schuldigverklaring van rekwirant aan het opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is i.c. in plaats van art. 55 Sr, art. 57 Sr toepasselijk heeft verklaard.
II
Verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt en/of schending van het recht, in het bijzonder van art. 63 Sr, doordat het hof rekwirant bij arrest van 3 febr. 1986 heeft veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden ter zake van brandstichting op 11 maart 1984 gepleegd, zonder echter op de voet van art. 63 Sr rekening te houden met
a
een rekwirant, bij arrest van dit hof, d.d. 29 aug. 1984 opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken ter zake van heling,
b
een rekwirant, bij vonnis van de Ktr. te Amsterdam, op 25 jan. 1985 opgelegde straf van twee weken hechtenis onvoorwaardelijk, ter zake van overtreding van art. 9 lid 1 sub 3 WVW,
c
een rekwirant, bij vonnis van de Ktr. te Amsterdam, op 9 febr. 1985 opgelegde straf van twee weken hechtenis onvoorwaardelijk ter zake van overtreding van art. 30 WAM.
Het hof was bekend met genoemde veroordelingen. Deze stonden vermeld in het ten name van rekwirant gestelde uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 12 dec. 1985, waarvan de korte inhoud door de voorzitter mondeling is medegedeeld. Overigens heeft rekwirant zich ook ter zitting impliciet uitgelaten over eerstgenoemde veroordeling, hetgeen moge blijken uit de verklaring van rekwirant zoals weergegeven in het p.-v. van de terechtzitting, waar hij zegt: ‘Soms handel ik wat in tweedehands goederen’.
Het buiten toepassing laten van art. 63 Sr, waar dit wel had behoren te gebeuren, maakt het arrest nietig.
III
Verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving in dit geval nietigheid meebrengt en/of schending van het recht, althans verkeerde toepassing van de wet, in het bijzonder van de art. 14a en 14b Sr, alsmede van art. 358 lid 4 jo. 415 Sv, doordat het hof blijkens de in het arrest aangehaalde artikelen, toepassing heeft gegeven aan de art. 14a en 14b Sr en desalniettemin een geheel onvoorwaardelijke straf heeft opgelegd, met welke onvoorwaardelijkheid de toepassing van de art. 14a en 14b onverenigbaar is.
Waar het arrest voornoemde art. 14a en 14b als voorschriften vermeldt waarop het is gegrond is het onbegrijpelijk en derhalve nietig.
3
De conclusie van het OM (enz.; Red.)
4
Bewezenverklaring
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij:
te Amsterdam op 11 maart 1984 opzettelijk brand heeft gesticht in de door hem bewoonde woning aan de Spaarndammerstraat …, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten was, hebbende hij, verdachte, toen en daar opzettelijk met een lucifer een (thee)doek, (hangend aan een wasrek), aangestoken, zulks terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer van de belendende woningen en levensgevaar voor in die woning(en) aanwezige persoon of personen te duchten was;.
5
Beoordeling van het eerste middel
5.1
Terecht heeft het hof het bewezen verklaarde, dat alle elementen bevat van de twee resp. in art. 157 aanhef en onder 1e en art. 157 aanhef en onder 2e Sr omschreven misdrijven, als zodanig, dus als opleverend de twee genoemde misdrijven, gekwalificeerd. Daaraan doet niet af, dat de brandstichting zelf, te weten het in brand steken van een (thee)doek, als een daad, een materieel feit is op te vatten. Immers, het feit, of de handeling, zoals deze term in art. 57 Sr voorkomt, is niet beperkt tot de zuiver materiele handeling, doch moet beschouwd worden in verband met de strafrechtelijke betekenis, daaraan door de wet toegekend, hier dus het door opzettelijke brandstichting in gevaar brengen van de in art. 157, 1e en 2e resp. omschreven rechtsgoederen. Uit een en ander volgt, dat het hier bewezen verklaarde oplevert meerdere feiten, die als op zich zelve staande handelingen worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren, als in art. 57 bedoeld, zodat het geval van art. 55 Sr zich hier niet voordoet.
5.2
Het middel is mitsdien tevergeefs voorgesteld.
6
Beoordeling van het tweede middel
6.1
Blijkens de bewezenverklaring zijn de onderhavige feiten begaan op 11 maart 1984.
6.2
Bij de stukken van het geding bevindt zich een uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 12 dec. 1985, o.m. inhoudende dat de verdachte is veroordeeld:
door het hof bij arrest van 29 aug. 1984 ter zake van ‘heling’ tot vier weken gevangenisstraf en
door de Ktr. te Amsterdam bij vonnis van 25 jan. 1985 ter zake van ‘art. 9 lid 1 sub 3 WVW’ en ‘art. 30 lid 1 WAM’ tot telkens twee weken hechtenis.
6.3
In verband met het bepaalde in art. 63 Sr had het hof moeten doen uitkomen of het deze veroordelingen als vaststaand aanneemt, hetgeen het evenwel niet heeft gedaan. Zulks heeft nietigheid van de bestreden uitspraak tengevolge.
6.4
Het middel is mitsdien terecht voorgesteld.
7
Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mede dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft en verwijzing moet volgen.
8
Beslissing
De HR:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verwijst de zaak naar het Hof te ’s Gravenhage ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Conclusie

A G Mr. Remmelink
In deze zaak waarin het hof rekwirant in appel heeft veroordeeld ter zake van ‘opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is’ (rekwirant stak in een woning een theedoek, hangend aan een wasrek in brand, terwijl daardoor gevaar voor een of meer van de belendende woningen en levensgevaar voor in die woning(en) aanwezige persoon of personen te duchten was) tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 maanden, tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens hem drie middelen van cassatie voorgesteld.
In middel I klaagt rekwirant erover dat het hof hier meerdaadse samenloop heeft aangenomen, derhalve heeft vastgesteld, dat hier sprake was van (twee) ‘op zich zelf staande handelingen’ (art. 57 Sr). Met rekwirant meen ik, dat hier meer te zeggen valt voor de stelling, dat hier slechts een handeling is begaan, die gevaar voor twee rechtsgoederen blijkt te hebben teweeggebracht. Ik heb deze mening vroeger ook reeds verdedigd, (de geeerde steller van het middel herinnert daaraan), en ik houd haar, in alle bescheidenheid gezegd, nog steeds voor verdedigbaar. Het gaat hier nl. niet, zoals dat bij culpoze delicten vaak het geval is, om het veroorzaken van een bepaald gevolg. Vgl. HR 2 juni 1964, VR 1964, 106 en 25 nov. 1980, NJ 1981, 170. Ook opzetdelicten zijn soms regelrecht op een bepaald gevolg toegesneden. Zo levert het heimelijk fotograferen van meer personen evenzovele inbreuken van de privacy op (art. 139f Sr). Vgl. HR 25 juni 1974, NJ 1974, 455, m.nt. Van Veen.
In middel II wordt gesteld, dat het hof rekening had moeten houden op de voet van art. 63 Sr met enkele veroordelingen uitgesproken na het begaan van het onderhavige feit, vermeld op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister. Deze klacht lijkt mij, gelet althans op de rechtspraak van Uw Raad (HR 23 sept. 1980, NJ 1980, 650, e contrario sensu, en 3 jan. 1984, NJ 1984, 404), terecht voorgesteld. (Zie ook conclusie in de zaak nr. 81672 (NJ 1988 , 357).)
In middel III wordt opgemerkt, dat de art. 14a en 14b ten onrechte zijn aangehaald. Ook dit lijkt mij evidentelijk juist, omdat hier van een voorwaardelijke straf geen sprake is.
De middelen aannemelijk achtend concludeer ik, dat Uw Raad het arrest waarvan beroep zal vernietigen, en de zaak zal verwijzen naar het Hof te Den Haag, teneinde haar op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.