HR 24-07-1967, NJ 1969, 63 Arrest Antilliaanse amokmaker

HR 24-07-1967, NJ 1969, 63 Arrest Antilliaanse amokmaker

NJ 1969 , 63
HOGE RAAD (Vacantie-Strafkamer), 24 juli 1967. (Mrs. Boltjes, Hulsmann, Korthals Altes, de Meijere (Rapp.), Beekhuis).

m.nt. Enschedé

Regeling

Sr. NA artt. 39–46; Sr. artt. 37–44

Essentie

De stelling ‘geen straf zwaarder dan de schuld’ vindt in geen rechtsregel steun.

Samenvatting

De aan het middel ten grondslag liggende stelling, dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door de schuld van de dader wordt gerechtvaardigd, vindt in geen rechtsregel steun en het stond aan het Hof vrij bij de bepaling van de aan rekw. op te leggen straf niet uitsluitend op de schuld van rekw. te letten. * [1]

Tekst

Op het beroep van E.T.O., wonende op Curacao, rekw. van cassatie tegen een vonnis van het Hof van Justitie van de Ned. Antillen van 21 maart 1967, waarbij in hoger beroep, na verwijzing door de HR bij arrest van 21 dec. 1965, met vernietiging van een vonnis van de Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curacao, van 24 maart 1965, de rekw. ter zake van twee feiten, beide gekwalificeerd als ‘doodslag’, onder aanhaling van de artt. 11, 31, 35, 59 en 300 Sr. NA, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijftien jaren, met bevel tot vernietiging van het mes, hetwelk als stuk van overtuiging heeft gediend en waarmede de misdrijven opzettelijk werden gepleegd.
De Hoge Raad, enz.;
Gelet op het middel van cassatie namens de rekw. voorgesteld bij op de voet van art. 11, tweede lid, Cassatieregeling voor de Ned. Antillen ingediende, nader bij pleidooi toegelichte schriftuur en luidende:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, met name door schending van de artt. 196, 199, 206, 208, 229 en 231 Sv. NA, doordien het Hof aan rekw. heeft opgelegd een gevangenisstraf voor de tijd van vijftien jaren, zulks hoewel naar ’s Hofs oordeel een langdurige gevangenisstraf niet gerechtvaardigd zou zijn indien uitsluitend op de schuld van req. zou worden gelet, hebbende aldus het Hof gehandeld in strijd met het ‘niet meer straf dan schuld’ principe, immers aan req. een gevangenisstraf opgelegd welke qua duur uitgaat boven de mate van diens schuld;
O. dat bij de bestreden uitspraak ten laste van rekw. is bewezen verklaard:
1
‘dat hij, bekl., op 4 nov. 1964, op het eiland Curacao, opzettelijk M.G.O. van het leven heeft beroofd, door alstoen aldaar opzettelijk haar, M.G.O. met een mes, meermalen in het lichaam te steken, tengevolge waarvan zij, M.G.O. de navolgende verwondingen bekwam,
a
een zeer diepe wijdgapende steekwond van 8 bij 3 cm in de bovenbuik;
b
een zeer diepe steekwond van 3 bij 1,5 cm in de bovenbuik;
c
een ondiepe 2 cm lange steekwond links achter onder in de rug;
d
een ondiepe steekwond van 4 bij 1 cm aan de buitenzijde even onder de rechter elleboog,
welke onder b) genoemde steekwond de grote lichaamsslagader dwars heeft doorgesneden, tengevolge waarvan zij, M.G.O., door een massale, in en uitwendige dodelijke bloeding, welke terstond nadat haar die steekwond was toegebracht, optrad, korte tijd nadien op voormeld eiland is overleden;
2
dat hij, bekl., op 4 nov. 1964, op het eiland Curacau, E.F.O. van het leven heeft beroofd, door alstoen aldaar opzettelijk hem, E.F.O. voornoemd, met een mes, in het lichaam te steken, tengevolge waarvan hij, E.F.O., een zeer grote steekwonde lopend over de gehele mediaanlijn van de buik bekwam, waarbij de op drie en vier na laatste lissen van de dunne darm dwars werden doorgesneden, tengevolge waarvan hij, E.F.O. aan de gevolgen, die terstond nadat hem die steekwond was toegebracht, optraden, korte tijd nadien op voormeld eiland is overleden.’?
dat het Hof elk van beide bewezen verklaarde feiten gekwalificeerd als ‘doodslag’ en voorts omtrent de strafbaarheid van rekw. heeft overwogen:
dat ook de bekl. t.a.v. de als voormeld bewezen verklaarde feiten, die bevonden zijn te zijn strafbare feiten en zijn gequalificeerd als voormeld, strafbaar is, zijnde van geen feiten of omstandigheden gebleken, welke of voorschreven bewezen verklaarde feiten straffeloos zouden maken, dan wel de strafbaarheid van bekl. deswege zouden opheffen;
dat het Hof tot dit oordeel komt niettegenstaande het betoog van de raadsman van bekl., daartoe strekkende, dat bekl. zou dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op de grond dat het bewezen verklaarde aan bekl. niet zou zijn toe te rekenen wegens de gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens;
dat toch uit het over bekl. uitgebrachte psychiatrisch-psychologisch rapport dd. 31 jan. 1967, hiervoren sub 7 vermeld, blijkt dat de deskundigen tot de conclusie zijn gekomen, dat bekl., zij het in zeer geringe mate, toerekeningsvatbaar is te achten;
dat het Hof deze conclusie overneemt en tot de zijne maakt, zodat het beroep van de raadsman op volledige ontoerekeningsvatbaarheid van bekl. behoort te worden verworpen;
dat blijkens het onder 7 vermelde deskundigenrapport de bekl. weliswaar slechts in geringe mate toerekeningsvatbaar is zodat, indien uitsluitend op de schuld van bekl. zou worden gelet, een langdurige gevangenisstraf niet gerechtvaardigd zou zijn;
dat, ware terbeschikkingstelling van de beklaagde mogelijk, teneinde van Regeringswege te worden verpleegd in een psychopathenasyl, bij zodanige, thans niet mogelijke, terbeschikkingstelling verwacht zou moeten worden dat het verblijf van bekl. in zodanig asyl zeer langdurig zou zijn nu blijkens voormeld deskundigenrapport genezing of verbetering van bekl. weinig waarschijnlijk is te achten;
dat, gelet op het gevaar dat deze bekl., zoals in meergemeld deskundigenrapport wordt gesignaleerd, voor de gemeenschap oplevert, het Hof geen andere mogelijkheid ziet en het mitsdien juist acht den beklaagde de navolgende straf op te leggen;
O. t.a.v. het middel:
dat de aan het middel ten grondslag liggende stelling, dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door de schuld van de dader wordt gerechtvaardigd in geen rechtsregel steun vindt, en het aan het Hof vrijstond bij de bepaling van de aan rekw. op te leggen straf niet uitsluitend op de schuld van rekw. te letten;
dat het middel derhalve tevergeefs is voorgesteld;
Verwerpt het beroep.

Conclusie

Adv.-Gen. Mr. Minkenhof
Het cassatiemiddel is gericht tegen een gedeelte van de strafmotivering, luidende: ‘dat blijkens het in het vonnis vermelde deskundigenrapport de bekl. slechts in geringe mate toerekeningsvatbaar is zodat, indien uitsluitend op de schuld van bekl. zou worden gelet, een langdurige gevangenisstraf niet gerechtvaardigd zou zijn’. Hier zou, volgens het middel, het Hof van Justitie gehandeld hebben in strijd met het ‘niet meer straf dan schuld’ principe. Blijkens de toelichting bedoelt de steller van het middel, dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door de schuld van de dader wordt gerechtvaardigd. Hij acht dit, als ik het goed begrijp, een uitvloeisel van het beginsel: geen straf zonder schuld. Naar mij echter wil voorkomen worden hier toch ongelijksoortige zaken met elkander vergeleken. Dat er van straf geen sprake kan zijn, wanneer iedere vorm van schuld ontbreekt brengt nog niet mede, dat de strafmaat uitsluitend door de schuld wordt bepaald en ook niet dat een straf die zwaarder is dan door de schuld wordt gerechtvaardigd (gedeeltelijk) straf is zonder schuld. Wanneer eenmaal schuld is vastgesteld, zij het door sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid een relatief geringe mate van schuld, dan komen voor de bepaling van de strafmaat ook andere factoren in aanmerking, in het bijzonder de beveiliging van de maatschappij tegen herhaling, in verband met de gevaarlijkheid van de dader en de ernst van het gepleegde feit. Dit is uiteraard in versterkte mate het geval wanneer andere mogelijkheden tot beveiliging van de maatschappij ontbreken. Ongetwijfeld wordt het rechtsgevoel meer bevredigd wanneer genoemde beveiliging kan worden bereikt door verpleging van de dader in een asyl, zodat het in de vorm van straf toegebrachte leed beperkt kan blijven en in een redelijke evenredigheid staat tot de mate van schuldverwijt, dat de dader treft. Waar deze mogelijkheid niet aanwezig is — er is in de Ned. Antillen geen psychopathen-asyl en terbeschikkingstelling van de regering is dus niet mogelijk — is het opleggen van een straf, welke in zwaarte onevenredig is aan de schuld m.i. niet in strijd met het recht. De strafoplegging kan dus mede door deze motivering gerechtvaardigd worden (zie HR 25 febr. 1947 NJ 1947 no. 161 noot Pompe).
Ik merk nog op, dat ook het Nederlandse strafrecht toen hier te lande nog geen bijzondere behandeling van niet volledig toerekeningsvatbaren mogelijk was met dezelfde moeilijkheden heeft geworsteld. Zie Rb. Almelo 16 nov. 1920 NJ 1920 blz. 1182, vernietigd door Hof Arnhem 10 febr. 1921 NJ 1921 blz. 473; Rb. Amsterdam 18 febr. 1921 NJ 1921 blz. 373 en de noten van T(averne) onder de laatstgenoemde beslissingen, die echter ook opmerkt: — ‘al kan helaas ook een schuldstrafrecht niet steeds uitkomen met een strafmaat, die evenredig is aan de mate van schuld ’. De psychopatenwetten hebben niet de volledige oplossing van de problemen gebracht. Bij zeer gevaarlijke delinquenten (HR 10 sept. 1957 NJ 1958 no. 5, Rb. Zutphen 23 okt. 1964 NJ 1966 no. 19) neemt de rechter ook nu nog wel zijn toevlucht tot langdurige gevangenisstraffen in het belang van de veiligheid van de maatschappij. Pompe (noot onder evengemeld arrest) acht dit bedenkelijk en vraagt zich af of in de beslissing nog wel voldoende met het schuldkarakter van ons strafrecht is rekening gehouden, gegeven de verminderde toerekenbaarheid van de verd. Hoe dit voor ons strafrecht zij, in de Ned. Antillen, waar geen psychopatenwetten gelden, mag naar mijn mening aan de schuld niet die alles overheersende positie worden toegekend bij het bepalen van de straf.
Ik moge tot verwerping van het beroep concluderen.

Noot

1
Bij de bepaling van de aan de dader van een strafbaar feit op te leggen sanctie is de strafrechter aan grenzen gebonden die in de rechtstelsels van het koninkrijk deels in geschreven en deels in ongeschreven recht zijn vastgesteld. De wet verbindt aan de delictsomschrijving en, eventueel, maatregelposities die het veld van de in het gegeven geval ter beschikking staande strafrechtelijke sancties naar soort, maat en modaliteit beperken. Binnen die abstracte en algemene sanctieposities geeft het ongeschreven recht, wat de straffen aangaat, in elk geval een nadere grens aan: de straf mag de ernst van het feit niet te boven daan. Wat nu precies die ernst uitmaakt is een geschikt onderwerp voor een monografie, waarin vragen naar de betekenis en de relativiteit van termen als wederrechtelijkheid en subsocialiteit aan de orde zouden kunnen komen. Ook is het een probleem, hoe die ernst nu is te objectiveren en te vergelijken met een sanctie. Want tot zo’n vergelijking moet het toch komen als men wil uitmaken of een sanctie de grens overschrijdt of niet. Al die onzekerheden nemen intussen niet weg, dat in de werkelijkheid van het oordelen die relaties tussen feit en sanctie in concreto gelegd worden. Als iemand in de verlatenheid van een landweg om drie uur ’s nachts links heeft gefietst en daarvoor twee maanden hechtenis zou krijgen (artt. 22 en 139 RVV), dan moet er wel iets heel bijzonders aan de hand geweest zijn.
2
Stelt het ongeschreven recht behalve die ernst van het feit nog meer genezen? Is, met name, de mate van schuld van de dader zo’n grens? Neen, zo lezen wij in dit arrest (het tweede in deze zaak; zie NJ 1966.354): de stelling, dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door de schuld van de dader wordt gerechtvaardigd vindt in geen rechtsregel steun. Dit is een uitspraak over Antilliaans recht. Hoe verhoudt dit arrest zich tot de algemene beginselen van strafrecht? Wat is de plaats van dit arrest in het Antilliaans strafrecht, en wat is zijn betekenis voor het strafrecht van de andere landen van het koninkrijk?
3
Ons strafrecht is een schuldstrafrecht. Dat betekent in elk geval dit, dat straf achterwege dient te blijven waar schuld in de zin van verwijtbaarheid en vermijdbaarheid afwezig is: geen straf zonder schuld. Die regel, neergelegd in de artt. 39.1 Sr. NA, 37.1. Ned. Sr. en 55.1 Sur. Sr., laat het arrest onaangetast. De plaatsing in een krankzinnigengesticht in de tweede leden van vorenaangehaalde artikelen is geen strafrechtelijke, maar een bestuursrechtelijke maatregel, om redenen van opportuniteit ter discretie van de strafrechter gesteld. Het arrest verwerpt een andere regel, waarop de rekwirant een beroep deed: straf slechts naar de mate van schuld. Dat is een adagium dat gewoonlijk vrijwel in een adem genoemd wordt met de andere. Strijdt het artikel dus met een algemeen aanvaard beginsel van strafrecht?
4
Dat hangt onder meer af van de betekenis die men toekent aan de term straf. In de context van een discussie over strafrecht in het algemeen en zonder te denken aan enig strafrecht, het Nederlandse strafrecht bijv., in het bijzonder, heeft ‘straf’ ongeveer de betekenis van een sanctie die de rechter in een crimineel proces naar aanleiding van een strafbaar feit t.a.v. een schuldige mag toepassen. ‘Straf’ in die zin is een bruikbaar begrip zowel t.a.v. rechtstelsels die geen, als die wel onderscheid kennen tussen strafrechtelijke straffen en strafrechtelijke maatregelen. Het Engelse recht kent dat onderscheid eigenlijk niet. Volgens de Engelse rechtspraak nu mag de levenslange gevangenisstraf in die gevallen, waarin de rechter de keus heeft, niet worden opgelegd tenzij de veroordeelde geestelijk gestoord is. Men zie bijv. de zaak Hodgson (1968) Criminal Law Review 46 met een noot van D.A. Thomas. Duidelijk laat het Engelse recht hier het verband tussen strafduur en schuldmaat los, net als dit Antilliaanse arrest. De tekst van de artt. 39 en 39a Sr. NA is ongeveer gelijkluidend aan de artt. 37 en 37a Ned. Sr., maar de t.b.r. is in de Antillen nog niet ingevoerd; het recht kent dus nog niet de tegenstelling tussen de gevangenisstraf en de maatregel van t.b.r. Art. 55 Sur. Sr. is nog gelijk aan art. 37 Ned. Sr. van 1886.
5
Nog in ander opzicht is er parallellie tussen Hodgson en de onderhavige zaak. In de Hodgson-zaak — een verkrachting — overweegt de rechter onder meer dat ‘the offence is grave enough to require a very long sentence’, en voorts, dat ‘it appears from the nature of the offences (and) the defendant’s history that he is unstable and likely to commit such offences in future’. De Antilliaanse rechter wijst ook op het gevaar, dat de beklaagde voor de gemeenschap zal opleveren. Dat zijn risicoschattingen inzake toekomstig crimineel gedrag van de veroordeelde; zulke schattingen zijn ook aan de orde zo dikwijls de Nederlandse strafrechter de t.b.r. overweegt en daartoe moet nagaan of het belang van de openbare orde de t.b.r. wel bepaaldelijk vordert. Naar doel en werking lijkt er dus nauw verband te zijn. Want inderdaad vrijheidsbenemende sancties, ongeacht of ze straffen of maatregelen heten, hebben, doordat zij de delinkwent uit de vrije maatschappij elimineren, altijd een beveiligde werking — zolang als ze duren. Of ze daarna nog beveiligen zal mede afhangen van de werking die de sanctie door oplegging en uitvoering op de veroordeelde zelf heeft gehad; niet zelden zal, zelfs ondanks alle inspanningen, de sanctie averechts werken; niet preventief dus, maar criminogeen.
6
Een strafrechtspleging, die ernst maakt met het ‘ne peccetur’ zal in een aantal gevallen de preventieve doeleinden juist langs de weg van deze eliminatie moeten en mogen nastreven. Daarbij zal de rechter steeds — binnen de grenzen van de rechtvaardigheid (en daarbij speelt de ernst van het concrete feit een voorname rol) — de te verwachten criminogene en preventieve werkingen van de overwogen sanctie tegen elkander moeten afwegen. Zo zal hij zich moeten afvragen, of niet de vrijheidsbenemende sanctie bedervend op de delinkwent werkt en daarmee de kans op recidive na afloop eerder verhoogt dan verlaagt. Maar hoe langer de detentie is, des te eerder zal bij deze afweging de schaal ten gunste van de eliminatie doorslaan. Men begrijpe mij goed: ik pleit hier niet voor de lange gevangenisstraf, ik zoek slechts een deel van het beslissingspatroon van de sanctiebepaling te analyseren.
7
Waarom gaan sommige rechtstelsels er nu toe over een onderscheid tussen straffen en maatregelen in te voeren, en andere niet? En welk criterium hanteert men bij de onderscheiding? In hun algemeenheid zijn deze vragen natuurlijk niet te beantwoorden; de criteria kunnen van land tot land verschillen. Maar vaak hanteert men een rechtsgrondcriterium, waarbij het juist en vooral gaat om het schuld en het toerekeningsprobleem. Men gaat er dan van uit, dat men geen straf mag toepassen boven de mate van de schuld. In die zienswijze wordt t.a.v. bepaalde gevaarlijke geestelijk gestoorde delinkwenten oplegging van lange vrijheidsstraffen met goede eliminerende functie onmogelijk, en dat tekort wil men dan aanvullen door een beveiligingsmaatregel, die niet aan de schuldmaat gebonden is. De Duitse Unterbringung in einer Heil oder Pflegeanstalt van par. 42b. St.GB. hoort tot deze groep: zij is alleen toepasselijk t.a.v. ontoerekenbaren en verminderd toerekenbaren. Naar vrij algemene opvatting hoort ook onze t.b.r. tot dit type, en stellig zijn daartoe in de wetsgeschiedenis wel argumenten te vinden, hoewel onze wet de rechtscategorie der verminderde toerekening niet kent. Ik heb dit standpunt ook verdedigd in mijn preadvies voor de NJV in 1964.
8
Onder de gezichtshoek van algemene beginselen van strafrecht is hiermede plaats van dit arrest bepaald. Het is natuurlijk zonder meer duidelijk, dat de beslissing mede is ingegeven door doelmatigheidsoverwegingen. Men kan zich zelfs afvragen of niet ook de beslissing voor de toerekeningsvraag zelf door zulke doelmatigheidsoverwegingen is ingegeven. Doordat de rechter de feiten heeft toegerekend lag de weg naar de gevangenisstraf open. Had hij de feiten niet toegerekend, dan had hij slechts last tot plaatsing in een krankzinnigengesticht kunnen geven. De rechter die de maatschappij tegen het recidivegevaar van de kant van de dader wil beschermen zal aan de hand van de ter beschikking staande informatie inschatten, aan welk instituut — het krankzinnigengesticht of de gevangenis — de voorkeur toekomt. Nu gaat in de systematische bouw van ons recht de beslissing omtrent de toerekening weliswaar aan die betreffende sanctie vooraf, maar ‘t is niet gezegd, dat het werkelijke beslissingspatroon steeds aan de juridische bouw beantwoordt of beantwoorden moet of kan. De juridische analyse van een besluitvormingsprocede kan er anders uitzien dan de psychologische, en dient ook andere doelen. Het gaat bij de juridische analyse meer om de rationalisering en de motivering van de beslissing dan om de besluitvorming. Dat geldt ook voor de beslissing inzake de toerekening.
9
In het voorgaande toetsten wij het arrest aan algemeen strafrechtelijke beginselen en wij bezagen het onder crimineel politiek oogpunt: hoe heeft de rechter gebruik gemaakt van de hem beschikbaar gestelde mogelijkheden ter bereiking van zijn beveiligingsdoel? Juist op dit laatste punt kan er in rechtspraak ernstige spanning optreden. Voor het Surinaamse strafrecht vindt men die geschetst door M.R. Wijnholt, Strafrecht in Suriname, Deventer 1965, blz. 131/132. De schets roept ons de strijd rond het befaamde Almelose vonnis van 1920 (NJ 1920 1182; zie ook NJ 1921.473) in herinnering. De critici van dat vonnis zullen tevreden zijn over het door Wijnholt geciteerde Antilliaanse vonnis van 10 sept. 1952, AJB 1952.101, waarbij een gevaarlijke ernstig gestoorde dader van twee geweldsdelicten, waarvan een met dodelijk gevolg, na een eis van acht jaren is veroordeeld tot een jaar en zes maanden, hetgeen de rechter onder meer motiveerde onder verwijzing naar de verminderde toerekenbaarheid van de dader. Men kan met de critici respect hebben voor de moed van het konsekwente juridische denken. Maar men kan ook stellen, dat het recht — binnen de grenzen van de rechtvaardigheid — een instrument is, een middel tot bepaalde doelen. Is onder dat gezichtspunt niet in een recht dat nog geen onderscheid maakt tussen straffen en maatregelen een beslissing zoals wij hier thans bespreken en als het, eveneens door Wijnholt aangehaalde, Antilliaanse vonnis van 12 juni 1962, AJB 1964.31, beter recht, omdat het en niet strijdig met enig beginsel van recht en doelmatiger is?
10
Brengt het Antilliaanse arrest iets nieuws ten opzichte van het concorderende Nederlandse recht? Hierboven (zie punt 7) schreef ik dat men vrij algemeen het Nederlandse strafrecht houdt voor een recht, dat bij verminderde toerekenbaarheid de rechter dwingt tot lage bestraffing, waartegenover dan soms de behoefte aan beveiliging kan worden gedekt door een maatregel. Ook in de literatuur komt men deze opvatting tegen. Ik noem de noot van Pompe in Zwarte Ruiter-zaak, NJ 1958.5. In dat arrest — en daarop heeft Pompe juist critiek — werd echter de regel ‘straf slechts naar de mate van de schuld’ niet gehonoreerd; nu zegt dit niet zo erg veel, omdat men niet uit het oog verliezen mag, dat dit punt in het cassatiemiddel niet rechtstreeks werd aangeroerd. Juist daarom is van grote betekenis het arrest inzake de moord te Heer (NJ 1958.325) waar de vraag wel uitdrukkelijk aan de HR werd voorgelegd; de HR heeft ook hier het beroep in cassatie echter verworpen. In dezelfde lijn is er veel lagere rechtspraak van na 1928, die niet met ons adagium te rijmen is (NJ 1935.1626; NJ 1950.824;NJ 1957.112; NJ 1959.626; NJ 1963.11, 206, 225; NJ 1966.19, 109).
Kortom, naar de toestand van nu maakt het adagium ‘straf slechts naar de mate van de schuld’ niet alleen geen deel uit van het Antilliaanse, maar ook niet van het Nederlandse strafrecht, waar het toch door de hoogste, noch door de lagere rechter is aanvaard. Dat lijkt mij ook voor het Surinaamse strafrecht een punt van betekenis.
11
Summa summarum. In een strafrecht, dat ook als instrument van criminele politiek bruikbaar moet zijn, is voor een regel ‘straf slechts naar de mate van schuld’ slechts plaats als in gevallen van dringende noodzaak tot bescherming van de gemeenschap tegen gevaarlijke recidive van de dader boven en buiten de straf doeltreffende maatregelen mogelijk zijn. Voorziet het recht daarin niet, dan vervult de straf de maatregelfunctie, en daartegen is in beginsel geen bezwaar te maken. In een recht, dat wel straf en maatregel onderscheidt kan de regel tot gelding komen, maar dat hangt af van de vraag of de maatregel inderdaad ter beveiliging bedoeld is en strekt. Dat was bijv. in de zaak van Zwarte Ruiter het probleem, waarop ik nog wel eens hoop terug te komen. Ik voeg daaraan toe: modern strafrecht kan in beginsel geen verschil in penitentiaire behandeling maken tussen gestraften en verpleegden. Het is uit sociaal psychologische en besliskundige overwegingen nuttig en goed dat het recht door in de beslissingsfase het onderscheid tussen straffen en maatregelen in te voeren aan de rechter opdraagt voorzichtigheid te betrachten met het om redenen van algemeen belang boven de maat van de schuld ingrijpen in de persoonlijke vrijheid van de delinkwent. Maar in de penitentiaire praktijk is dit dualisme niet nodig en zelfs in kleine landen als de onze verderfelijk. In de fase van de executie is monisme noodzakelijk. Wie gestraft is en medisch-psychiatrische of psychologische hulp nodig heeft, moet die op dezelfde voet kunnen krijgen als de ter beschikking gestelde. De rechtstitel der detentie is iets anders dan de medische indicatie. De overheid die iemand detineert legt zichzelf daarmee de plicht op tot adekwate — dat is humane en doelmatige — bejegening van de gedetineerde.