HR 24-10-1989, NJ 1990, 353 Arrest Gezochte informatie
HR 24-10-1989, NJ 1990, 353 Arrest Gezochte informatie
NJ 1990 , 353
HOGE RAAD (Strafkamer)
24 oktober 1989, nr. 85884
(Mrs. Bronkhorst, Van den Blink, Beekhuis, Mout, Keijzer; A-G Leijten; m.nt. ‘tH)
DD 90.093
m.nt. ‘tH
DD 1990 , 093
Regeling
Sr art. 41 lid 1 en 2; Sv art. 359 lid 2
Essentie
Verdachte zocht zelf confrontatie met het slachtoffer; beroep op noodweer/-exces terecht verworpen.
Tekst
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Hof te ’s Gravenhage van 17 nov. 1988 in de strafzaak tegen Gerard Jacobus B., geboren te Swalmen op 3 aug. 1940, te Oud-Beijerland.
Hoge Raad:
1
De bestreden uitspraak
Het hof heeft in hoger beroep — behoudens ten aanzien van de strafoplegging — bevestigd een vonnis van de Rb. te Rotterdam van 26 nov. 1987, waarbij de verdachte tot straffen is veroordeeld ter zake van I. ‘poging tot doodslag’ en II. ‘verduistering’. Het hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
2
Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. R.J. Baumgardt, adv. te Rotterdam, het navolgende middel van cassatie voorgesteld:
1
Het hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de art. 348, 358, 359 en 415 Sv geschonden, en wel op grond van het navolgende.
2
Het hof heeft ten onrechte het namens rekwirant voorgedragen beroep op noodweer(-exces) verworpen, althans die verwerping niet voldoende gemotiveerd. Met name heeft het hof ten onrechte het beroep op noodweer(-exces) verworpen, daar rekwirant zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht door na eerdere ruzie, nadat hij naar huis was gegaan om een mes te halen en zich te verkleden in makkelijk zittende kleding, terug te komen op een zeer laat nachtelijk uur naar het cafe waar de ruzie was geweest en vervolgens, gelopen zijnde langs het huis van zijn ex-tegenstander, daarheen terug te keren nadat hij was nageroepen, wetende dat de ex-tegenstanders in de meerderheid waren.
3
Toelichting:
3.1
Het hof verwerpt het beroep op noodweer(-exces) omdat zich geen noodsituatie zou hebben voorgedaan als rekwirant zich niet zou hebben gedragen als door het hof aangegeven is.
Het hof is derhalve ten onrechte niet nagegaan of rekwirant op het moment dat hij het delict uitvoerde, gehandeld heeft op een wijze waartoe hij geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijk, wederrechtelijke aanranding, waarbij de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden zijn tengevolge van een hevige gemoedsbeweging, die door de aanranding veroorzaakt is.
In dit verband wijst rekwirant uw College op een tweetal uitspraken, te weten Hof ’s Gravenhage 9 maart 1905, PvJ nr. 427 en Rb. Amsterdam 11 maart 1914, NJ 1914, 909. Beide uitspraken worden besproken door A.J.M. Machielse, Noodweer in het strafrecht, diss. VU Amsterdam 1986, Stichting Onderzoek Recht en Beleid, p. 615. Uit deze uitspraken blijkt dat bij de beoordeling of er sprake is van noodweer(-exces) gekeken moet worden naar het moment waarop het delict gepleegd wordt en dat het feit dat verdachte wellicht in een eerder stadium de noodsituatie ontweken zou kunnen hebben niet in de weg staat aan een beroep op noodweer(-exces) op bedoeld moment.
Ook A.J.M. Machielse zelf (a.w., p. 616) is van mening dat een beroep op noodweer(-exces) beoordeeld dient te worden naar het moment waarop het delict plaatsvindt. Zo stelt hij dat door aan de verdachte voor te houden wat hij in een eerder stadium had kunnen en behoren te doen, hem nog geen richtsnoer verschaft voor het later vallend moment.
3.2
Alhoewel derhalve voor een beroep op noodweer(-exces) doorslaggevend is de situatie op het moment van het plegen van het delict, kan, volgens de meest recente literatuur degene die er alleen op uit is zijn tegenstander zwaar te mishandelen, geen beroep doen op noodweer(-exces), Machielse, a.w., p. 617 en Hazewinkel-Suringa-Remmelink, Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, Tjeenk Willink, 10e druk, 1987, p. 275.
In de onderhavige zaak heeft rekwirant voor het hof betoogd dat het hem niet te doen is geweest het slachtoffer te steken (pleitnotities, p. 4). Aan dit verweer is het hof evenwel niet toegekomen aangezien het hof het beroep op noodweer verworpen heeft met alleen de constatering dat er zich geen noodsituatie zou hebben voorgedaan indien rekwirant zich anders zou hebben gedragen als door het hof aangegeven is.
3
De conclusie van het OM (enz.; Red.)
4
Bewezenverklaring en bewijsvoering
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, dat hij:
op 6 sept. 1986 te Rotterdam ter uitvoering van zijn voornemen en het misdrijf om opzettelijk een ander, genaamd G. v.d. Windt van het leven te beroven, met dat opzet die G. v.d. Windt met een mes in de buik heeft gestoken, door welk steken die G. v.d. Windt een steekverwonding in de buik bekwam,
zijnde de verdere uitvoering van dat voornemen en dat misdrijf niet voltooid uitsluitend tengevolge van de van zijn — verdachtes — wil onafhankelijke omstandigheid, dat die G. van der Windt tijdig aan zijn verwonding werd behandeld.
5
Beoordeling van het middel
5.1
Blijkens het p.-v. van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar o.m. aangevoerd:
I
Inleiding
Allereerst zal ik ingaan op de feitelijke gang van zaken betreffende het als eerste ten laste gelegde feit. Hierna bespreek ik de juridische consequenties van bedoelde gang van zaken. Met name zal ik ingaan op het feit of verdachte zich kan beroepen op noodweer(-exces).
Na bespreking van het eerste feit zal ik kort stilstaan bij het tweede feit (de verduistering).
Ten slotte zal ik enige persoonlijke omstandigheden van de verdachte trachten te schetsen.
II
Feitelijke gang van zaken eerste feit
Op 6 sept. 1986 heeft verdachte een cafe bezocht, tezamen met medeverdache B. In dit cafe heeft laatstgenoemde de neef van het slachtoffer, Willem van der Windt, laten struikelen, vgl. de verklaring van Willem van der Windt (hierna afgekort als W.W.), p. 7 p.-v., van Pieter van der Windt (P.W.), p. 9 p.-v. en Hendrik van der Windt (H.W.), p. 12 p.-v.
In de ruzie die na het (laten) struikelen ontstaan is heeft het slachtoffer, Gerrit van der Windt (G.W.) verdachte een kopstoot gegeven.
Buiten het cafe heeft verdachte daarnaast nog eens klappen gekregen van een kleurling (verklaring van verdachte, p. 19 p.-v.).
Teneinde wraak te nemen op de kleurling is verdachte naar huis gegaan en heeft zich daar omgekleed en een mes bij zich gestoken (p. 19 p.-v.). Het mes heeft hij bij zich gestoken om zich bij een nieuwe vechtpartij beter te kunnen verdedigen.
Na de medeverdachte voor het cafe ontmoet te hebben en met deze in het cafe nog een en ander gedronken te hebben, is verdachte met B langs de woning van het slachtoffer gelopen. Dit langslopen is opgemerkt door G. van der Windt en zijn familieleden, die direct naar buiten zijn gegaan, vgl. de verklaringen van P.W., p. 3 p.-v.; W.W., p. 7 p.-v.; H.W., p. 12 p.-v. en G.W., p. 17 p.-v.
B heeft hierop geroepen dat hij Willem van der Windt nog wel zou krijgen (vgl. de verklaringen van W.W., p. 8 p.-v. en P.W., p. 10 p.-v.; H.W., p. 12 p.-v. en verdachte, p. 21 p.-v.). Pieter van der Windt vermoedde dat B ruzie zocht (P.W., p. 10 p.-v.). Pieter van der Windt heeft ter verdediging een pook gepakt (P.W., p. 10 p.-v.), terwijl Hendrik zijn jas uitgetrokken heeft (H.W., p. 12 p.-v.).
Gerrit van der Windt is op verdachte afgekomen. Verdachte, die zich bedreigd voelde en kwaad was op voornoemde Gerrit van der Windt, heeft daarop zijn mes in de buik van Gerrit van der Windt gestoken (p. 22 p.-v.). Na deze steek heeft Gerrit van der Windt een kopstoot uitgedeeld aan verdachte (G.W., p. 17 p.-v.).
III
Juridische consequentie
I
Noodweer
Verdachte verklaart dat hij gestoken heeft omdat hij zich bedreigd voelde en kwaad was op het slachtoffer. De vraag die derhalve rijst is of verdachte zich kan beroepen op noodweer(-exces).
Bij noodweer moet er sprake zijn van een ogenblikkelijk wederrechtelijke aanranding (art. 41 Sr).
Onder aanranding wordt mede verstaan een gedraging, die een onmiddellijk dreigend gevaar voor een feitelijke aantasting van lijf betekent, vgl. Hazewinkel-Suringa-Remmelink, Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, 8e druk, p. 251.
In het licht van de omstandigheden, dat verdachte in het cafe reeds een kopstoot ontvangen had, gevoegd bij de dreigende houding van de fam. Van der Windt (het pakken van een pook, het uittrekken van een jas) en het op verdachte afkomen van Gerrit van de Windt, kan naar mijn mening aangenomen worden dat er in het onderhavige geval sprake is van een ‘aanranding’. Vooral nu Gerrit van der Windt kort na de steek verdachte inderdaad een kopstoot gegeven heeft.
II
Noodweerexces
Tegen een beroep op noodweer pleit dat verdachte ook weg had kunnen lopen (verklaring van verdachte, p. 22 p.-v.). Indien verdachte evenwel de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden heeft tengevolge van een hevige gemoedsbeweging, welke door de aanranding veroorzaakt is, kan verdachte zich beroepen op art. 41 lid 2 Sr (noodweerexces).
In het onderhavige geval heeft verdachte gestoken uit angst voor een nieuwe kopstoot en kwaadheid jegens Gerrit van der Windt (verklaring verdachte, p. 22).
Aangezien onder de in art. 41 lid 2 Sr bedoelde ‘hevige gemoedsbewegingen’ niet alleen angst, vrees en radeloosheid vallen, maar ook toorn, woede en verontwaardiging vallen (vgl. Hazewinkel-Suringa, bewerkt door Remmelink, a.w., p. 258), kan in dit geval gesproken worden van ‘hevige gemoedsbewegingen’, die veroorzaakt zijn door de aanranding.
III
Wellicht geen noodweer (exces), doch opgevat voornemen om te steken?
Uit het feit dat verdachte een mes bij zich gestoken had, naar het cafe teruggegaan is en langs het huis van Van der Windt gelopen is, zou wellicht de indruk gewekt kunnen worden dat het hier niet gaat om een geval van ‘noodweer’, doch van een opgevat voornemen om Van der Windt te steken.
Tegen deze indruk voer ik als eerste aan dat verdachte verklaard heeft het mes bij zich gestoken te hebben om zich bij een eventuele nieuwe vechtpartij beter te kunnen verdedigen (verklaring van verdachte, p. 19 p.-v.). Verdachte verklaart dat hij naar het cafe teruggelopen is om wraak te nemen (in eerste instantie) op de kleurling die hem geslagen had (verklaring van verdachte, p. 19 p.-v.). Na in het cafe naar het adres van de klanten gevraagd te hebben is hij met B. via het huisadres van de fam. Van der Windt naar huis gelopen. Bedoeld huis is aan de weg gelegen, welke verdachte altijd bewandelt indien hij van het cafe naar zijn huis loopt (verklaring van verdachte, p. 20 p.-v.).
In dit verband merk ik op dat aan de verklaring van B., dat verdachte en hij via een andere weg naar huis zijn gelopen (p. 14 p.-v.) geen waarde gehecht kan worden. Uit de verklaringen van B. blijkt immers dat het zeer aannemelijk is dat hij zich wil vrijpleiten door tegen verdachte belastende verklaringen af te leggen. Ik verwijs hierbij naar zowel het ontstaan van de ruzie in het cafe, volgens B. veroorzaakt door verdachte (p. 14 p.-v), volgens verdachte (p. 1 en de fam. Van der Windt (p. 7, 9 en 12 p.-v.) veroorzaakt door B., als naar het ontstaan van de ruzie voor het huis, volgens B. veroorzaakt door verdachte (p. 15 p.-v.), volgens verdachte (p. 21) en de fam. Van der Windt veroorzaakt door B. (p. 8, 10 en 12 p.-v.).
Indien al geoordeeld kan en mag worden, dat verdachte ooit het voornemen gehad heeft Gerrit van der Windt te steken, dan moet uit de omstandigheden, dat verdachte niet bij het huis van Gerrit van der Windt aangebeld heeft, geen provocerende taal gebezigd heeft en ook niet op Gerrit van der Windt toegelopen is, afgeleid worden dat verdachte voor en op het moment van de ruzie voor het huis in ieder geval niet (meer) het voornemen had Gerrit van der Windt te steken.
IV
Culpa in causa?
Vaststaat dat verdachte het mes bij zich gestoken heeft en langs de woning van Gerrit van der Windt is gelopen. De vraag is of deze omstandigheden een beroep op noodweer (exces) in de weg staan.
Ten aanzien van overmacht is de heersende leer in de jurisprudentie dat indien iemand zichzelf bewust in een toestand brengt waarin hij/zij een keuze moet doen tussen een (juridisch) geoorloofde daad en een (juridisch) ongeoorloofde daad (strafbaar feit), geen beroep op overmacht toekomt, vgl. H.A. Demeersseman, De autonomie van het materiele strafrecht 1985, p. 40.
Vgl. tevens het recente arrest HR 3 maart 1987, NJ 1988, 7: ‘ dat het hof voorts het beroep op overmacht verwerpt, nu de verdachte zich door zijn vrije daad in de toestand heeft gebracht, die hem voor de keuze stelde een zijns inziens moreel te veroordelen daad te stellen of het strafbare feit te begaan.
Teneinde een beroep op overmacht in de weg te staan dient derhalve het zich in de overmachtssituatie brengen verwijtbaar zijn. Daarnaast is vereist dat de pleger wist, althans redelijkerwijs had kunnen weten, dat hij in de situatie gedrongen kon worden het delict te plegen, vgl. F.P.M. Willemse, Overmacht in het strafrecht, Studiepockets strafrecht, 1980, p. 71.
Dit leerstuk, het leerstuk van de culpa in causa, is naar mijn mening evenwel niet toepasselijk ingeval van noodweer. Bij noodweer handelt men immers ter noodzakelijke verdediging van eigen (anders) lijf (goed), welke verdediging geboden was tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door een ander. Dit betekent dat de daad niet gepleegd wordt door een pleger, die de vrije keus heeft, maar dat de daad veroorzaakt wordt door handelen van een ander.
Overigens merk ik in dit verband op dat er dan ook geen uitspraken zijn, waarin een beroep op noodweer afgewezen is op grond van culpa in causa. Tevens moge ik uw hof attenderen op de omstandigheid dat noodweer tegen noodweerexces toelaatbaar wordt geacht, vgl. Hazewinkel-Suringa, bewerkt door Remmelink, a.w., p. 257, terwijl bij noodweer tegen noodweerexces altijd sprake is van culpa in causa.
In het onderhavige geval is de daad (het steken) veroorzaakt door handelen van Gerrit van der Windt. Dit betekent dat alhoewel verdachte een mes bij zich gestoken heeft en langs het huis van voornoemde Gerrit van der Windt gelopen is, hoezeer achteraf ook betreurenswaardig, niet een beroep op noodweer (exces) in de weg staat.
Zelfs al zou ook bij noodweer (exces) culpa in causa wel degelijk een beroep op noodweer (exces) kunnen laten falen, dan nog denk ik dat in het onderhavige geval hiervan geen sprake is. Verdachte kan immers niet geacht worden te hebben geweten, althans redelijkerwijs hebben kunnen weten dat hij in de situatie gedrongen zou worden om ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een aanranding, ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging welke door die aanranding veroorzaakt is, Gerrit van der Windt met een mes te steken. Ik moge uw hof nogmaals wijzen op de vele buiten verdachte gelegen omstandigheden, zoals daar zijn: het naar buiten komen lopen van de fam. Van der Windt, het uiten van provocaties door B, het pakken van een pook en het uitdoen van een jas door de fam. Van der Windt, en het op verdachte toe komen lopen en bedreigen van verdachte door Gerrit van der Windt.
VI
Conclusie
Op grond van het hierbovenstaande moet geoordeeld worden dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging aangezien hij de daad begaan heeft, waartoe hij geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waarbij de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden zijn tengevolge van een hevige gemoedsbeweging, die door de aanranding veroorzaakt is.’
5.2
Het hof heeft dienaangaande overwogen en beslist: ‘O., dat het beroep op noodweer/noodweerexces wordt verworpen, daar verdachte zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht door, na een eerdere ruzie, nadat hij naar huis was gegaan om een mes te halen en zich te verkleden in makkelijk zittende kleding, terug te keren op een zeer laat nachtelijk uur naar het cafe waar de ruzie was geweest en vervolgens, gelopen zijnde langs het huis van zijn ex-tegenstander, daarheen terug te keren nadat hij was nageroepen, wetende dat de ex-tegenstanders in de meerderheid waren.’
5.3
In ’s hofs feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel dat de verdachte onder de door het hof vastgestelde omstandigheden zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht ligt besloten dat het hof niet aannemelijk dacht dat de verdachte heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke aanranding, of als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door een zodanige aanranding veroorzaakt. Uitgaande van dat oordeel heeft het hof het beroep op noodweer resp. noodweerexces terecht verworpen. Het middel faalt derhalve.
6
Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de HR ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7
Beslissing
De HR verwerpt het beroep.
Conclusie
A G Mr. Leijten
Wegens poging tot doodslag en verduistering heeft de Rb. te Rotterdam bij vonnis van 26 nov. 1987 de verzoeker tot cassatie veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Op het door de verzoeker ingestelde hoger beroep heeft het Hof te Den Haag bij arrest van 17 nov. 1988 dat vonnis bevestigd behalve ten aanzien van de strafoplegging: het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf werd door het hof gesteld op zes maanden.
Mr. R.J. Baumgardt, adv. te Rotterdam, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld en toegelicht.
In het middel wordt aangevoerd dat het hof — met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde
—
opleverende poging tot doodslag —
het beroep op noodweer(-exces) ten onrechte, althans op gronden die die verwerping niet kunnen dragen heeft verworpen.
Het hof heeft de verwerping van het verweer aldus geformuleerd:
O., dat het beroep op noodweer/noodweerexces wordt verworpen, daar verdachte zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht door, na een eerdere ruzie, nadat hij naar huis was gegaan om een mes te halen en zich te verkleden in makkelijk zittende kleding, terug te keren op een zeer laat nachtelijk uur naar het cafe waar de ruzie was geweest en vervolgens, gelopen zijnde langs het huis van zijn ex-tegenstander (Het prae-fix ex zal niet toevallig gebruikt zijn.), daarheen terug te keren nadat hij was nageroepen, wetende dat de ex-tegenstanders in de meerderheid waren.
Uit de pleitnota in hoger beroep blijkt, dat door de verdediging amper een beroep op noodweer is gedaan: zie pleitnotities, p. 3 onder II Noodweer-exces en p. 6 onder VI Conclusie. Dan zou alleen noodweerexces overblijven. (Op (psychische) overmacht is m.i. in elk geval niet op voldoende duidelijke en ondubbelzinnige wijze een beroep gedaan.)
Het hof heeft het verweer echter kennelijk ruimer opgevat en die ruime opvatting — waarin aangenomen wordt dat ook een beroep op noodweer is gedaan — moet in cassatie vertrekpunt zijn.
Vaststaat en onbestreden is gebleven dat de verzoeker zelf de confrontatie met zijn slachtoffer heeft gezocht en wel onder omstandigheden als in de verwerping van het verweer nader uitgewerkt.
Voor wie de zaak met niet-juridische ogen bekijkt en met niet-juridische hersenen overdenkt, lijkt er wel geen enkele twijfel mogelijk, dat iemand die handelt als de verzoeker deed, zich later er niet op kan beroepen, dat hij uit zelfverdediging handelde daarbij onder invloed van zijn emoties begrijpelijkerwijs verder ging dan voor zijn verdediging nodig was. In zulke zaken heb ik nogal wat vertrouwen in het leken-oordeel en nogal wat wantrouwen tegenover juridische technieken, die op spitsvondige wijze trachten de conclusie van het gezond verstand te ondermijnen, waarmee ik niet wil zeggen dat het gezonde verstand altijd zo gezond is, als men voorgeeft. We krijgen dan te doen met een betoog als het volgende: ‘verdachte kan immers niet geacht worden te hebben geweten dat hij in de situatie gedwongen zou worden om ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een aanranding, ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging welke door die aanranding veroorzaakt is, Gerrit van der Windt met een mes te steken’. Het moge een respectabel betoog zijn, overtuigend komt het mij niet voor en ik zou er deze stelling tegenover willen stellen: Verdachte kan immers geacht worden te hebben geweten dat hij niet naar de woning van het slachtoffer met wie hij ruzie had gehad, moest terugkeren, voorzien nu van een mes. Juridisch kom ik niet veel verder dan dat het hof, vaststellende dat de verzoeker zelf op de beschreven wijze de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht, te kennen heeft gegeven dat de verzoeker zich niet bevond in de situatie waarin hij zich moest verdedigen tegen een onmiddellijk wederrechtelijke aanranding. Het hof heeft weliswaar niet overwogen, dat het slachtoffer hem — de verzoeker — niet heeft aangerand, maar evenmin dat dit wel is gebeurd. Als ik het goed zie was het hof, het verweer verwerpend, daar nog niet aan toe. (Of heeft het hof alleen het naroepen in zijn beschouwing betrekkend, willen aangeven dat dit niet een wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed inhield en dat er dus geen aanranding was? Dat zou dan rijmen met het oordeel van de Rb.:
Toen hij het slachtoffer weer zag, heeft hij hem zonder veel omhaal met het meegenomen vleesmes in de buik gestoken
welk oordeel — opgenomen onder ‘motivering van de straffen’ het hof in zijn arrest heeft overgenomen (arrest, p. 2, 4e alinea). Dat de kopstoot, hem in het cafe toegebracht door het slachtoffer, niet was een aanranding als waartegen op grond van haar ogenblikkelijkheid, nog verdediging toelaatbaar of zelfs denkbaar was, behoeft amper betoog. Ook een — tweede — kopstoot door het slachtoffer gegeven na het steken, valt ver buiten het bereik van art. 41 Sr.)
Wat het hof als verwerping van het verweer heeft aangevoerd zou zelfs dan het beroep op noodweer(-exces) vruchteloos moeten doen zijn, als er wel sprake was van een onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding, uitgaande van het slachtoffer.
Wie op de door het hof beschreven wijze de confrontatie zoekt, hoort m.i. tot de ‘eerste categorie’ van Machielse: Noodweer in het strafrecht, p. 612:
gevallen waarin het de dader er om te doen is geweest de ander tot een aanranding uit te dagen.
In die gevallen gaat volgens de schrijver een beroep op noodweer niet op, ‘omdat de dader opereerde volgens een vooropgezet plan handelde hij niet ter verdediging (o.a. p. 613). Zie ook HR 27 mei 1935, NJ 1935, p. 1197). Machielse leert ons vervolgens, dat in vergelijkbare gevallen de nadruk ook wel is gelegd op het ontbreken van verdedigingsnoodzaak en wijst ons op het arrest van de HR van 19 sept. 1977, NJ 1978, 501, een geval waarin de eigen schuld, het zelf zoeken van de confrontatie, ongetwijfeld aanwezig was, maar niet in zo overweldigende mate als hier. Zie voorts HR 9 okt. 1979, NJ 1980, 45. Als er geen sprake is van noodzakelijke verdediging tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, kan er ook geen sprake zijn van overschrijding van de grenzen van zulk een verdediging, als voor noodweerexces vereist.
Voor deze laatste benadering voel ik het meest en het is op de gronden, daar ontwikkeld, dat ik het middel niet doeltreffend acht en concludeer tot verwerping van het beroep.
Noot
1
Deze zaak gaat over een ordinaire cafe-ruzie. Verdachte en zijn mede-verdachte zijn in een cafe en daarbuiten slaags geraakt met het slachtoffer en enkele anderen. De verdachte is naar huis gegaan, heeft zich in gemakkelijke kleren gestoken en een mes meegenomen. Vervolgens heeft hij zelf opnieuw de confrontatie gezocht. Eerst keerde hij naar het cafe terug; daarna ging hij, samen met zijn mededader, naar het huis van het slachtoffer. Toen dat slachtoffer met enkele andere familieleden naar buiten kwam en de verdachte werd nageroepen, keerde hij weer naar hen terug en heeft hij het slachtoffer met het mes in de buik gestoken. Vervolgd wegens poging tot doodslag, deed hij een beroep op noodweer dan wel noodweerexces. Het hof verwierp dit verweer met de overweging dat het de verdachte zelf te doen is geweest om de confrontatie. Daarin ligt besloten — aldus de HR — dat het hof niet aannemelijk acht dat hij heeft gehandeld uit noodzakelijke verdediging. Die argumentatie hield ook in cassatie stand.
2
De argumentatie van het hof kan worden gezien als verwant aan de ‘dolus/culpa in causa’-redenering. Dit leerstuk kan spelen op zeer uiteenlopende niveaus: zoals bij de vraag naar de causaliteit en die naar wederrechtelijkheid en (opzet of) schuld, zowel als bestanddelen als elementen van het strafbare feit. Een vergelijkbaar verschijnsel zien we bijv. bij ontoerekeningsvatbaarheid al dan niet door zelfintoxicatie). Ook op strafprocessueel terrein doen zich verwante redeneringen voor. Zo is het processuele gedrag van de verdachte zelf, bijv. het aanwenden van rechtsmiddelen, van invloed op de vraag of de redelijke termijn van art. 6 lid 1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Zie reeds HR 5 jan. 1982, NJ 1982, 339. Het eigen gedrag van een vrijgesproken verdachte kan een reden opleveren om geen gronden van billijkheid in de zin van art. 90 Sv aanwezig te achten voor schadevergoeding voor voorlopige hechtenis. Zie Hof Arnhem 23 nov. 1977, NJ 1978, 540. Van Veen ziet een dergelijk element ook aanwezig bij de figuur van de anonieme getuige: de verdachte die vrees inboezemt heeft het aan zichzelf te wijten als hij de getuigen niet te zien krijgt. Zie de noot van Van Veen onder HR 5 febr. 1980, NJ 1980, 319. In het onderhavige geval gaat het om een vorm van eigen schuld bij een beroep op een rechtvaardigingsgrond (noodweer) dan wel een schulduitsluitingsgrond (noodweerexces).
3
De vraag naar de doorwerking van eigen schuld is in hoge mate afhankelijk van de benaderingswijze. Globaal kunnen — zoals is uiteengezet onder HR 13 juni 1989, NJ 1990 , 48 — twee grondschema’s tegenover elkaar worden gezet. M.i. dient bij culpa in causa in stricte zin algemeen uitgangspunt van denken te zijn, dat vervulling van de delictsomschrijving — hier poging tot doodslag — leidt tot strafbaarheid. Vervolgens zijn daarop echter in beperkte mate uitzonderingen mogelijk, zoals de algemene strafuitsluitingsgronden. Deze algemene strafuitsluitingsgronden — en hetzelfde geldt in verhoogde mate voor de bijzondere strafuitsluitingsgronden — vormen een beperkte mogelijkheid tot correctie, in de vorm van niet-strafbaarheid, op dat algemene uitgangspunt. Is een strafuitsluitingsgrond aanwezig en kan deze correctie in beginsel worden aangebracht, dan kan deze uitzonderlijke niet-strafbaarheid op haar beurt in nog uitzonderlijker gevallen weer gecorrigeerd worden. Er is met andere woorden nog een andere uitzondering op deze uitzondering mogelijk: eigen schuld kan in beperkte mate de strafbaarheid doen herleven en daarmee de correctie nog corrigeren.
Uiteraard biedt dit globale grondschema slechts een algemeen uitgangspunt van denken, dat al naar gelang de specifieke juridische context in verschillende variaties en in verschillende mate gevolgd wordt. Maar een goed voorbeeld van deze benadering levert naar mijn mening het genoemde, belangrijke arrest HR 13 juni 1989, NJ 1990 , 48, met betrekking tot een beroep op psychische overmacht en afwezigheid van alle schuld: het is immers niet zo, dat eigen schuld op zichzelf reeds de correctie op voorhand voorkomt en straffeloosheid onmogelijk maakt.
4
In de onderhavige zaak is met betrekking tot het beroep op noodweer(-exces) een verwante benadering mogelijk. Hier gaat het er echter niet om, zoals bij culpa in causa in strikte zin, dat eerst de strafuitsluitingsgrond aanwezig moet zijn geacht voordat de vraag naar de relevantie van eigen schuld ter tafel komt. Die eigen schuld wordt hier nl. al verdisconteerd bij de vraag of er sprake is van noodzakelijke verdediging. Het hof laat dan ook de vraag, of er van de zijde van het slachtoffer sprake was van een wederrechtelijke aanranding, in het midden: het komt daaraan niet toe, zoals de A G Leijten opmerkt. Het beslist dat er geen sprake is van een noodzakelijke verdediging nu de verdachte zelf de confrontatie heeft gezocht. Met andere woorden: de eigen schuld speelt hier al een rol bij de vraag of er sprake is van verdediging en dus of zich wel een strafuitsluitingsgrond kan hebben voorgedaan. Zie ook HR 14 okt. 1986, NJ 1987, 442 en HR 10 febr. 1987, NJ 1987, 950 of HR 1 juli 1987, NJ 1989, 389, m.nt. ALM (het willens en wetens agressie opwekken door tijdens de verkiezingen op Aruba met een auto met verkiezingspropaganda te rijden naar het bolwerk van de tegenpartij en daar met open ramen te blijven stilstaan). Bij deze vaste lijn in de jurisprudentie sluit ook de onderhavige uitspraak aan.
5
Niettemin kan ook hier, thans dus met betrekking tot een beroep op noodweer(exces), aan het genoemde grondschema worden vastgehouden in die zin, dat kan worden vastgesteld dat eigen schuld de straffeloosheid wel kan opheffen, maar dat zeker niet iedere vorm van eigen schuld dit effect heeft. Zo is het bij zich steken van een wapen — i.c. een mes — en zelfs van een verboden wapen — zoals een stiletto of een revolver — doorgaans wel verwijtbaar: maar het vervolgens (onbevoegd) gebruik maken van dat wapen maakt op zichzelf het beroep op noodweer nog niet kansloos. Zie bijv. HR 30 maart 1976, NJ 1976, 322, m.nt. ThWvV; HR 23 okt. 1984, NJ 1986, 56, m.nt. N. Keijzer (waarover Ch. Haffmans in AA 1986, p. 280–286). Machielse, Noodweer in het strafrecht, Amsterdam 1986, p. 616, vat de rechtspraak aldus samen: ‘Is het degeen die een beroep op noodweer doet, erom te doen geweest de ander zover te krijgen dat hij zijn zelfbeheersing zou verliezen en tot de aanval zou overgaan, dan faalt een beroep op noodweer. Indien degeen die een beroep doet op art. 41 zich heeft voorbereid op noodweer doet dat aan de noodweerbevoegdheid niet af, zelfs niet indien die voorbereiding heeft bestaan in het zich illegaal bewapenen’. Zelf verwoordt hij het als volgt: ‘Alleen een wederrechtelijk gedrag dat de strekking heeft de ander uit zijn vel te doen springen verhindert naar mijn oordeel de toepassing van art. 41’. Deze stringente formulering hangt samen met Machielses eigen standpunt, waarin de opheffing van straffeloosheid door middel van eigen schuld-constructies eerder teruggedrongen dan uitgebreid wordt. Zo keert hij zich bijv. tegen een argumentatie voor het afwijzen van een noodweerberoep als dat de verdachte nog tevoren had kunnen weglopen; tegen het construeren van een actio illicita in causa, door een voorafgaand wederrechtelijk handelen bij de op zichzelf geoorloofde noodhandeling te betrekken om zo toch voor de laatste te kunnen veroordelen; tegen een beperking van de noodweerbevoegdheid wegens eigen schuld met een beroep op rechtsmisbruik (p. 616–617). Zie ook T.J. Noyon, Het Wetboek van Strafrecht, 2e druk, deel I, Arnhem 1904, p. 290–210.
Als algemeen uitgangspunt lijkt het me goed om er inderdaad aan vast te houden, dat vormen van eigen schuld slechts een beperkte correctie mogen aanbrengen op de straffeloosheid op grond van strafuitsluitingsgronden.