HR 31-10-2006, NJ 2007, 79 Arrest Leestafel zooien

HR 31-10-2006, NJ 2007, 79 Arrest Leestafel zooien

NJ 2007 , 79
Hoge Raad (Strafkamer)
31 oktober 2006, nr. 01564/05
(Mrs. F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel, J de Hullu, W.M.E. Thomassen; A-G Machielse)
m.nt. prof. mr. N. Keijzer
LJN AX9178

m.nt. N. Keijzer
JOL 2006, 660
RVDW 2006, 1045

Regeling

Sr art. 308

Essentie

Zwaar lichamelijk letsel door schuld, nu het slachtoffer ernstig gewond is geraakt bij het ‘leestafel-zooien’, het rammen van een deur met een leestafel van ongeveer 1000 kilo in de studentensociëteit Minerva. Het Hof heeft het beroep op een ‘spelsituatie’, waarbij in de regel minder snel sprake is van schuld als bedoeld in art. 308 Sr dan indien dergelijke gedragingen buiten zo’n situatie zijn begaan, op toereikende gronden verworpen, mede nu uit de bewijsmotivering volgt dat sprake was van zeer gevaarzettend handelen en van een niet door duidelijke spelregels afgebakend spel.
Minerva-zaak. Zwaar lichamelijk letsel door schuld wegens ‘leestafel-zooien’. ‘Spelexceptie’ niet miskend.

Tekst

Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s Gravenhage van 21 oktober 2004, nummer 22/003868–03, in de strafzaak tegen B.B.A.L.J.K. Adv. mr. D.V.A. Brouwer en mr. C.N. Noorduyn te ’s Gravenhage.
HOF:
De uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van nog meer subsidiair ‘medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt’ veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.
Cassatiemiddel:
Middel I
1
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormschriften, doordat het hof een onjuiste invulling heeft gegeven aan het bestanddeel ‘schuld’, dan wel de bewezenverklaring van dit bestanddeel ongenoegzaam heeft gemotiveerd.
Toelichting
1
Verzoeker is veroordeeld ter zake van medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.
2
In cassatie is het volgende feitelijk vast komen te staan:
a
Er bestaat een mos binnen de studentenvereniging Minerva dat indien men er in slaagt de leestafel buiten de sociëteit te brengen, het bestuur dient af te treden. Dit is onderdeel van het ruimere zogenaamde ‘leestafelzooien’ (zie bewijsmiddel 7; de verklaring van verdachte, en de nadere bewijsoverweging)
b
Op 13 april 2002 vond de Wallon-uitdrink-avond plaats. Een grote groep (ongeveer 30 man) Walloniërs en oud Walloniërs, waaronder verzoeker, hebben getracht de leestafel door de lustrumdeuren naar buiten te krijgen (zie bewijsmiddelen 3 en 4; verklaringen van L. en L.)
c
De Walloniërs hadden de tafel op hun kant gelegd en gebruikten deze als stormram om de lustrumdeuren open te krijgen (zie bewijsmiddel 3)
d
Het zittende bestuur trachtte te voorkomen dat de leestafel buiten de sociëteit terecht zou komen ten gevolge waarvan J.M. D. zich op een zeker moment naast de lustrumdeuren voor de vitrinekast bevond (zie bewijsmiddel 1; verklaring aangever)
e
Toen de Walloniërs voor de derde keer de tafel naar achteren (hadden) bewogen teneinde deze tegen de lustrumdeuren te brengen, ging D. voor de tafel langs en kreeg deze tegen zijn handen (zie bewijsmiddel 1 en 2; verklaring aangever)
f
Het idee van D. om voor de tafel langs te lopen werd uitgevoerd op vrijwel hetzelfde moment als dat het ontstond (zie bewijsmiddel 2; verklaring aangever: ‘Ik heb in een split second gehandeld’)
3
Uit de gebruikte bewijsmiddelen kan het bewijs van de culpa niet (zonder meer) worden afgeleid. Het zal om deze reden zijn, dat het hof op p. 3 en 4 van het arrest een uitgebreide bewijsoverweging aan dit bestanddeel heeft gewijd. In deze bewijsoverweging wordt door het hof, onder meer, het volgende overwogen:
Ter terechtzitting is gebleken dat bij het leestafelzooien en bij vergelijkbare ‘ludieke spellen’ vaker mensen gewond raken. Voorts geldt dat het gebruiken van de zware tafel als stormram — in een smalle ruimte — mede gelet op de massaliteit van het gebeuren en het alcoholgebruik bij veel deelnemers als verhoogd gevaarzettend was aan te merken. De kans op (ernstige) ongelukken was onder deze omstandigheden aanmerkelijk te noemen en verdachte moet geacht worden dat ook te hebben geweten.
Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte en zijn mededaders ervan uitgingen dat de bestuursleden, die de tafel moesten tegenhouden zo ‘voor zichzelf zouden zorgen’ dat zij zelf ernstige ongelukken zouden weten te vermijden. Anders gezegd: dat verdachte weliswaar weet had van de aanmerkelijke kans op een ernstig ongeluk, maar ervan uitging dat een dergelijk gevolg niet zou intreden, omdat de bestuursleden zelf dat wel zouden (weten te) voorkomen, Het bestaan van (voorwaardelijk) opzet acht het hof dan ook niet bewezen, maar wel acht het hof bewezen dat verdachte met aanmerkelijke onachtzaamheid en onvoorzichtigheid heeft gehandeld, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
4
Omtrent de concrete toedracht van het ongeval overweegt het hof, in aansluiting op het hiervoor geciteerde gedeelte van het arrest:
Voor zover verdachte heeft willen betogen dat het ongeval aan het slachtoffer te wijten was, omdat die ervoor heeft gekozen voor de tafel langs te willen ‘vluchten’ op een moment dat dit niet meer kon, verwerpt het hof dit betoog. Het slachtoffer heeft in een oogwenk, toen hij zich zeer bedreigd volde als gevolg van de gevaarlijke situatie waarin hij mede door verdachte was gebracht, een keuze gemaakt om aan het gevaar te ontkomen. Daargelaten dat zulks ook naar het oordeel van het hof — ook achteraf — gelet op de ontstane gevaarssituatie niet onbegrijpelijk is, geldt dat zelfs als hier een zekere mate van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer in te ontdekken zou zijn, zulks niet afdoet aan de (strafrechtelijke) verantwoordelijkheid van verdachte.
5
Tot slot overweegt het hof — in aansluiting op de hiervoor geciteerde onderdelen:
Voorzover voorts de verdediging heeft willen betogen (zakelijk weergegeven) dat het hele gebeuren is te beschouwen als niet meer dan een ongeluk bij een op zichzelf binnen Minerva gebruikelijk spel, vindt dat betoog zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen.
Het hof laat dan nog daar dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het gebruiken van de tafel als stormram teneinde de zogenaamde lustrumdeuren te forceren tot de gebruikelijke onderdelen van een dergelijk spel behoorde.
6
De klacht van verzoeker is dat het hof, aldus overwegend en oordelend, in te sterke mate heeft geabstraheerd van de concrete omstandigheden van het geval. Deze klacht valt uiteen in twee onderdelen. Mede in onderling verband beschouwd, leiden deze ‘deelklachten’ tot de conclusie dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de inhoud van het bestanddeel culpa, dan wel de bewezenverklaring onvoldoende heeft gemotiveerd, nu de geciteerde bewijsoverweging zonder nadere toelichting onvoldoende begrijpelijk is.
A Onjuiste ‘niveaukeuze’ van het hof
7
In de hiervoor onder paragraaf 3 geciteerde overweging van het hof valt met name het hoge abstractieniveau op. Parafraserend komt het oordeel van het hof hierop neer, dat een ieder die onder verhoogd gevaarzettende omstandigheden (het hof noemt het gebruik van een zware tafel als stormram in een kleine ruimte, massaliteit en alcoholgebruik) participeert in ‘ludieke spellen’ waarbij vaker mensen gewond raken, aanmerkelijk onachtzaam en onvoorzichtig handelt, waardoor eventueel (zwaar) lichamelijk letsel aan de schuld van die participant te wijten is.
8
Verzoeker stelt tegenover die abstracte benadering, dat bestudering van de concrete toedracht van het ongeval het hof tot een ander oordeel had moeten brengen.
9
Omtrent die concrete toedracht kan allereerst verwezen worden naar hetgeen hierboven in paragraaf 2 puntsgewijs is samengevat (punt e.): de tafel was reeds tweemaal tegen de lustrumdeuren aangedrukt — ten overvloede: zonder dat daarbij enig letsel teweeg was gebracht. De tafel werd wederom naar achteren gebracht, ter voorbereiding van een derde voorwaartse beweging.
10
Het aftellen voor die derde voorwaartse beweging was reeds begonnen (pleitnota par. 31, door het hof in het midden gelaten).
11
Op dat moment besloot het latere slachtoffer ‘in een split-second’ voor de tafel langs te lopen (bewijsmiddel 1 en 2).
12
Tegen de achtergrond van die feitelijke toedracht is bij pleidooi (par. 38 t/m 41 en 51) aangevoerd — zakelijk weergegeven — dat verzoeker geen enkele mogelijkheid had de daaropvolgende voorwaartse beweging van de tafel te voorkomen, nu circa 30 personen aan de tafel duwden, waarbij het merendeel van die 30 personen niet kon waarnemen en niet heeft waargenomen dat het latere slachtoffer zich plotsklaps voor de tafel bevond en dit merendeel van die 30 personen vermaningen om de tafel niet naar voren te bewegen niet kon horen. Het hof heeft deze aangevoerde feiten in het midden gelaten, zodat in cassatie van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.
13
De evidente machteloosheid van verzoeker om op dat moment het vervolg van de gebeurtenissen te beïnvloeden — en daarmee om een botsing tussen de tafel en D. te voorkomen — had het hof moeten brengen tot de slotsom dat het optreden van letsel bij D., zo in concreto al voorzienbaar, dan toch voor verzoeker niet vermijdbaar was.
14
De hiervoor, onder 4, geciteerde overweging van het hof, die ziet op de ‘vlucht’ van het latere slachtoffer, gaat volstrekt voorbij aan de uit de geschetste feitelijke omstandigheden voortvloeiende onmacht van verzoeker om het ongeval te voorkomen. De kern van het ter zitting namens verzoeker gevoerde verweer (par. 38 t/m 42 en 51) is immers niet dat D. ’(mede)schuld’ aan het ongeval had. De centrale stelling in het verweer is, dat het plotselinge handelen van D. voor verzoeker geen mogelijkheden bood het (ongelukkige) verdere verloop van de gebeurtenissen te beïnvloeden. Dit verweer heeft het hof in het midden gelaten.
B Miskenning ‘spelelement’ door het hof
15
Het tweede klachtonderdeel, het tweede gebied waarop het hof ten onrechte te zeer van de context van de gebeurtenissen heeft geabstraheerd, betreft het spelkarakter van het manoeuvreren met de leestafel.
16
Het hof heeft (op p. 3 van het arrest) het ‘leestafelzooien’ in navolging van de raadsman Mr. Van Stigt als een ‘ludiek spel’ gekenschetst, dat in de beslotenheid van de studentenvereniging wordt gespeeld.
17
Kort gezegd komt het spel hierop neer, dat leden van de vereniging de tafel verplaatsen, waarbij bestuursleden het verplaatsen van die tafel trachten te voorkomen.
18
Zoals weergegeven in par. 17 en 19 van de pleitnota bestaan verschillende varianten van het spel. Men kan de verplaatsing van de tafel tot de zaal beperken, of men kan voor een hogere inzet spelen: indien men er in slaagt de tafel buiten de sociëteit te plaatsen, dient het bestuur af te treden (bewijsmiddel 7). Over de wijze waarop die tafel naar buiten moet worden gebracht, bestaan geen nadere spelregels.
19
De genoemde spelvarianten zijn alle leden bekend.
20
Zoals aangevoerd in par. 43 t/m 45 van de pleitnota is het bestuur bevoegd ter voorkoming van verplaatsing van de tafel op de tafel te gaan staan, en mogen bestuursleden leden die de tafel proberen te verplaatsen met de vlakke hand in het gezicht slaan.
21
Zoals aangevoerd in par. 9 t/m 15 van de pleitnota, volgt uit de verklaringen van D. bij politie en R–C dat ook het latere slachtoffer zich realiseerde dat bij dergelijke spellen ‘ongelukken’ kunnen voorkomen.
22
Als vaststaand kan worden aangenomen dat D. — als bestuurslid — vrijwillig de ‘verdediging’ van de tafel op zich heeft genomen. Daarom kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het latere slachtoffer vrijwillig in het spel heeft geparticipeerd.
23
De civiele kamer van Uw Raad heeft al enkele malen beslist dat in sport en spelsituaties zwaardere eisen worden gesteld aan een bevinding, inhoudende dat één van de spelers jegens een andere speler onrechtmatig heeft gehandeld.
24
In HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621 werd door de Hoge Raad, onder meer, het volgende overwogen (r.o. 3.3):
Voor de vraag of de deelnemer aan een partij tennis onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging waardoor aan een andere deelnemer ernstig letsel is toegebracht, moeten voor het aannemen van onrechtmatigheid zwaardere eisen worden gesteld dan wanneer die gedraging niet in het kader van die spelsituatie zou hebben plaatsgevonden. Gedragingen die buiten de spelsituatie onvoorzichtig en daarom onrechtmatig zouden zijn geweest behoeven binnen die situatie dit karakter niet te hebben omdat de deelnemers gedragingen waartoe het spel uitlokt van elkaar hebben te verwachten, terwijl zo’n gedraging niet onzorgvuldig wordt op de enkele grond dat zij door een ongelukkige samenloop van omstandigheden tot gevolg heeft dat een der deelnemers ernstig letsel oploopt.
25
In HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622 overwoog de Hoge Raad, onder meer, het volgende (r.o. 3.3.):
Dat de vraag of een deelnemer aan een sport als voetballen onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging waardoor aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in het kader van sportbeoefening zou hebben plaatsgevonden. De deelnemers aan een sport als voetballen hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl gedragingen die een overeenkomstig gevaar in het leven roepen, buiten het kader van de sport door de deelnemers aan het maatschappelijk verkeer als regel niet van elkaar behoeven te worden verwacht en mede daarom veelal niet aanvaardbaar zijn
26
Inderdaad zou de onderhavige zaak een geheel andere zijn, indien, bijvoorbeeld in volle kledingzaak, getracht zou zijn een tafel van duizend kilo door de nooduitgang naar buiten te werken, waarbij het winkelpersoneel dit zou proberen tegen te gaan.
27
Op grond van deze jurisprudentie dient in strafzaken te worden aanvaard, dat in sport en spelsituaties de wederrechtelijkheid die besloten ligt in de culpa (vgl. B.F. Keulen en M. Otte, Opzet en schuld, Nijmegen 1999, p. 46 e.v.) minder snel kan worden aangenomen.
28
Het hof heeft de ‘sport en spelexceptie’ miskend, in elk geval onjuist toegepast. De overweging die het hof aan het spelelement heeft gewijd — en die hiervoor onder 5 is aangehaald — valt (namelijk) in twee onbegrijpelijke onderdelen uiteen.
29
In de eerste plaats stelt het hof dat het beroep op de spelexceptie ‘zijn weerlegging [vindt] in de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen.’ Zonder nadere toelichting — die ontbreekt — is echter onduidelijk en onbegrijpelijk wélke bewijsmiddelen en wélke eerdere overwegingen van het hof het beroep op de spelexceptie zouden moeten weerleggen. Dergelijke bewijsmiddelen en overwegingen zijn er namelijk niet. Dit klemt temeer nu het hof zélf ook het ‘leestafelzooien’ als een ‘spel’ heeft gekenschetst.
30
Voor zover moet worden aangenomen dat het hof met deze overweging het oog heeft op de ernst van de aanvaarde risico’s of de ernst van het in concreto toegebrachte letsel, moet daar tegenover worden gesteld dat sporten en spellen op die punten nu eenmaal van elkaar verschillen. De badmintonspeler en de volleyballer stelt zich nu eenmaal aan minder gevaren bloot dan de karateka, de worstelaar of de bokser.
31
Het tweede onbegrijpelijke onderdeel van ’s hofs overwegingen betreft de volgende passage:
Het hof laat dan nog daar dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het gebruiken van de tafel als stormram teneinde de zogenaamde lustrumdeuren te forceren tot de gebruikelijke onderdelen van een dergelijk spel behoorde.
32
Uit bewijsmiddel 7 volgt dat het spel slechts naar zijn doel was omschreven: indien men er in slaagt de tafel buiten de sociëteit te brengen, dient het bestuur af te treden. Omtrent de wijze waarop dat einddoel behaald zou moeten worden, bestaan geen regels — in elk geval heeft het hof daaromtrent niets vastgesteld.
33
Een korte blik over de papieren muur kan Uw Raad leren dat geen van de betrokkenen ooit verklaard heeft dat de grenzen van het spel zouden zijn overschreden, op het moment dat de tafel als ‘stormram’ zou zijn gebruikt.
34
Integendeel: zoals aangevoerd in par. 43 en 44 van de pleitnota (en door het hof in het midden is gelaten) is het spel nog buiten de sociëteit — dus ná het gebruik als ‘stormram’ — voortgezet.
35
Tenslotte is in par. 9 t/m 11 van de pleitnota aangevoerd (en door het hof in het midden gelaten), dat uit de verklaringen van het slachtoffer volgt, dat deze het gehele gebeuren, dus inclusief het ‘gebruiken van de tafel als stormram’, als onderdeel van het spel heeft aangemerkt — anders geformuleerd: ervaren heeft als een ‘gevaarlijke gedraging waartoe het spel uitlokt’ (zie hiervoor, par. 25).
36
Dit geheel van voor het hof kenbare en door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden, maken deze overweging van het hof (in elk geval zonder nadere toelichting) onbegrijpelijk.
Slotsom
37
Op twee onderscheiden aspecten heeft de té abstraherende beoordeling door het hof tot onjuiste en/of onbegrijpelijke resultaten geleid. Het hof had de vraag naar de vermijdbaarheid van het ongeval aan de hand van de concrete omstandigheden kort vóór het ongeval dienen te beoordelen, en het hof had de concrete setting van de gedragingen — namelijk: een spel dat binnen de beslotenheid van de studentenvereniging wordt gespeeld — (beter) in zijn beslissing en motivering tot uitdrukking moeten laten komen.
38
Mede in onderling verband beschouwd, leiden deze ‘deelklachten’ tot de conclusie dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de inhoud van het bestanddeel culpa, dan wel de bewezenverklaring onvoldoende heeft gemotiveerd, nu de geciteerde bewijsoverweging zonder nadere toelichting onvoldoende begrijpelijk is.
39
Het arrest kan daarom niet in stand blijven.
HOGE RAAD:
3 Beoordeling van het eerste middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat het Hof een onjuiste invulling heeft gegeven aan het bestanddeel schuld, dan wel de bewezenverklaring van dit bestanddeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
hij in de periode van 13 april 2001 tot en met 14 april 2001 te Leiden tezamen en in vereniging met anderen, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig een tafel (van ongeveer 5 meter lang en ongeveer 1,50 meter breed en een gewicht van ongeveer 1000 kilogram) als stormram heeft gebruikt door deze tafel met kracht tegen een deur te beuken, zulks terwijl een persoon, genaamd D., zich tussen die tafel en die deur bevond, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die D. zwaar lichamelijk letsel, te weten polsbreuken heeft bekomen.
3.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a
een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de aangever D.:
Ik doe aangifte van zware mishandeling. Het lichamelijk letsel bestaat uit: een gebroken rechterpols en mijn linkerpols heeft meerdere breuken. Op 13 april 2001 pakten Walloniërs (reünisten en huidige bewoners van studentenhuis ‘Het Wallon’ van de sociëteit Minerva) de leestafel. De leestafel is ongeveer 5 meter lang en 1.70 meter breed en weegt ongeveer 1000 kilogram. Ik zag dat de Walloniërs de tafel naar buiten wilden dragen. De Walloniërs wilden de tafel als stormram gebruiken en zo de leestafel door de lustrumdeuren naar buiten duwen. Ik vond dit vreemd daar de deuren kennelijk een nooduitgang zijn en middels het inslaan van een glaasje geopend kunnen worden. Naast de lustrumdeuren is rechts een vitrinekast, daar stond ik voor. De leestafel ging dus naast mijn lichaam. Ik vond dat zeer gevaarlijk. Op deze manier kon ik namelijk de tafel tegen de zijkant van mijn lichaam krijgen, daar ik geen kant op kon. Ik probeerde mij in veiligheid te brengen. Ik kon niet anders dan aan de zijde van de lustrumdeuren voor de tafel langs lopen. Ik zag dat de Walloniërs ineens met de leestafel richting lustrumdeuren gingen. De Walloniërs moeten mij gezien hebben. Ik zag dat de tafel op mij afkwam. Ik wilde mijn lichaam beschermen. Ik strekte daarom mijn armen en pakte de tafel. Door de enorme kracht die de Walloniërs middels het beuken veroorzaakten, braken mijn beide polsen.
b
een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank te ’s Gravenhage, voor zover inhoudende als verklaring van D.:
De Walloniërs hebben toen ze bij de deur kwamen eerst één keer met de tafel tegen de deur gebeukt. Na de eerste of de tweede keer — welke weet ik niet meer precies — dat de deur geraakt was ben ik op het moment dat de tafel weer naar achteren werd gebracht voor de tafel langs gegaan. Ik was namelijk bang om geraakt te worden. Achter mij stonden namelijk mensen. Ik kon niet weg. Ik heb in een split second gehandeld.
Ik heb blijvend letsel overgehouden aan mijn linkerpols.
c
een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van J.R.L.:
Tussen 23.30 uur op 13 april 2001 en 00.30 uur op 14 april 2001 was ik te Leiden op sociëteit Minerva. Het was die avond erg rustig in de sociëteit. De reden dat het rustig was kan goede vrijdag geweest zijn, maar ook het feit dat er die avond Wallon-uitdrinken plaatsvond. Ik zag dat de groep Walloniërs met de tafel in een ruk doorliep naar de lustrumdeuren. Ik schat dat er twee keer met de tafel was gebonkt. Ik zag dat de tafel als stormram gebruikt werd. Bij de derde keer zag ik dat D. tussen de lustrumdeuren en de tafel stond. Ik zag vervolgens dat D. door de tafel werd geramd. Toen ik zag dat hij werd geraakt, hoorde ik hem meteen heel hard schreeuwen. Ik zag dat hij ontzettend veel pijn had. Ik zag dat hij een verbeten gezicht had en mede dat hij ontzettend hard had geschreeuwd. Tevens zag ik dat zijn linkerpols gebroken was, deze hing namelijk haaks op de rest van zijn arm. Ik kan met zekerheid zeggen dat B.K. (verdachte; red.) aan de tafel heeft staan duwen op het moment dat D. geraakt is. Het waren ongeveer dertig personen in het totaal die aan de tafel stonden.
d
een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van V.S.Y.L.:
Op 13 april 2001 was ik te Leiden bij een zogenaamd ‘uitdrinken’ van het Wallon. Ik zag dat de groep Walloniërs de leestafel in de richting van de lustrumdeuren schoof. De leestafel schat ik ongeveer 1,50 met tot 2 meter breed en 7 meter tot 8 meter lang. De tafel weegt ongeveer 500 kilogram. Ik zag dat de tafel met kracht tegen de lustrumdeuren beukte. Op het moment dat de tafel tegen de deuren werd geramd, hoorde ik iemand gillen. Dat was echt hard en ging door merg en been. Ik kon hieruit opmaken dat iemand ontzettend veel pijn moest hebben.
Ik hoorde dat D. bleef gillen van de pijn. Ik zag dat hij met zijn rechterarm zijn linkerpols vasthield. Ik hoorde van S. dat deze zei dat het er niet goed uitzag. Ik zag dat de linkerpols van D. er lelijk uitzag. Ik zag dat de botten alle kanten uitstaken.
Vooral J.M.D. en B.K. namen het voortouw en zweepten de rest van de groep op bij het hele gebeuren. Ik weet zeker dat J.M.D. samen met anderen aan de tafel heeft gestaan tijdens het rammen van de lustrumdeuren.
e
een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van M.G.S.:
Op 13 april 2001 was ik getuige van hetgeen zich heeft afgespeeld bij het ‘uitdrinken’ van (oud)bewoners van Wallon. Ik zag dat een groep van ongeveer 30 man met de leestafel schoven. Ik had het idee dat onder andere J.M.D. en B.K. een beetje de leiding hadden. Zij hebben een indrukwekkende indruk op mij achter gelaten door de manier van praten en de wijze waarop ze keken. Dit beangstigde mij.
De groep was onder invloed van alcohol. Een groot gedeelte waggelde van de alcohol. Ik zag dat D. tussen de leestafel en de lustrumdeuren stond. Ik zag op een gegeven moment dat de leestafel met kracht in de richting van de lustrumdeuren werd geschoven. Ik hoorde een harde gil van D. Het schreeuwen ging door merg en been. Ik zag dat er iets uit zijn pols stak.
f
een geschrift, te weten een ‘verklaring vrijgeven medische gegevens’, inhoudende als verklaring van een orthopedisch chirurg:
Waargenomen letsel: beide polsen gebroken. Het is onzeker of volkomen genezing zal plaatsvinden. Het is onzeker of de ongeschiktheid van de uitoefening van ambts of beroepsbezigheden zal voortduren. Het trauma zal ongeveer 10 tot 12 weken duren.
g
de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2004 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
U houdt mij voor de gang van zaken bij het zogenaamde leestafel-zooien op 13 en 14 april 2001, zoals daarover is verklaard door de aangever en diverse getuigen. Het is mij bekend dat indien de tafel buiten komt het bestuur moet aftreden.
h
een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar G. Kikkert, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
Tijdens het bezoek aan Minerva, door de Walloniërs, op vrijdag 13 april 2001, omstreeks 23.30 uur, werd in de grote zaal van de Sociëteit (op de 1e etage) meubilair opzij geschoven. De Walloniërs waren ook al roepend de trap opgekomen. In de grote zaal is een leestafel. Dit is een tafel van 149 cm x 501 cm en heeft een gewicht van omstreeks 1000 kg. Een groot aantal Walloniërs pakken de leestafel op en deze wordt via de trap naar de uitgang getild.
3.2.3
Het Hof heeft in het verkorte arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte samen met anderen heeft deelgenomen aan het zogenaamde ‘leestafel-zooien’. Het betrof een tafel van grote omvang en een gewicht van ca. 1000 kg. Die tafel werd niet alleen via een trap naar beneden gebracht — terwijl leden van het zittende bestuur moesten trachten dit te voorkomen — maar vervolgens gebruikt als stormram om de zgn. lustrum deuren (een nooduitgang, die normaal niet gebruikt werd en met een knop te openen was) open te beuken.
Ter terechtzitting is gebleken dat bij het leestafel-zooien en bij vergelijkbare ‘ludieke spellen’ vaker mensen gewond raken. Voorts geldt dat het gebruiken van de zware tafel als stormram — in een smalle ruimte — mede gelet op de massaliteit van het gebeuren en het alcoholgebruik bij veel deelnemers als verhoogd gevaarzettend was aan te merken.
De kans op (ernstige) ongelukken was onder deze omstandigheden aanmerkelijk te noemen en verdachte moet geacht worden dat ook te hebben geweten.
Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte en zijn mededaders ervan uitgingen dat de bestuursleden, die de tafel moesten tegenhouden zo ‘voor zichzelf zouden zorgen’ dat zij zelf ernstige ongelukken zouden weten te vermijden. Anders gezegd: dat verdachte weliswaar weet had van de aanmerkelijke kans op een ernstig ongeluk, maar ervan uitging dat een dergelijk gevolg niet zou intreden, omdat de bestuursleden zelf dat wel zouden (weten te) voorkomen. Het bestaan van (voorwaardelijk) opzet acht het hof dan ook niet bewezen, maar wel acht het hof bewezen dat verdachte met aanmerkelijke onachtzaamheid en onvoorzichtigheid heeft gehandeld, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Voorzover verdachte heeft willen betogen dat het ongeval aan het slachtoffer te wijten was, omdat die ervoor heeft gekozen voor de tafel langs te willen ‘vluchten’ op een moment dat dit niet meer kon, verwerpt het hof dit betoog. Het slachtoffer heeft in een oogwenk, toen hij zich zeer bedreigd voelde als gevolg van de gevaarlijke situatie waarin hij mede door verdachte was gebracht, een keuze gemaakt om aan het gevaar te ontkomen. Daargelaten dat zulks naar het oordeel van het hof — ook achteraf — gelet op de ontstane gevaarssituatie niet onbegrijpelijk is, geldt dat zelfs als hier een zekere mate van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer in te ontdekken zou zijn, zulks niet afdoet aan de (strafrechtelijke) verantwoordelijkheid van verdachte.
Voorzover voorts de verdediging heeft willen betogen (zakelijk weergegeven) dat het hele gebeuren is te beschouwen als niet meer dan een ongeluk bij een op zichzelf binnen Minerva gebruikelijk spel, vindt dat betoog zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen.
Het hof laat dan nog daar dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het gebruiken van de tafel als stormram teneinde de zogenaamde lustrumdeuren te forceren tot de gebruikelijke onderdelen van een dergelijk spel behoorde.
3.2.4
In de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is voorts de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:
Het hof overweegt in aanvulling op de in het verkorte arrest geformuleerde bewijsoverweging het volgende.
De vaststelling dat ter terechtzitting is gebleken dat bij het leestafel-zooien en bij vergelijkbare ‘ludieke spellen’ vaker mensen gewond raken vindt haar grondslag in:
a
de aangifte van D. (proces-verbaal politie, pg. 42);
b
de medische informatie van het AZL (1997) t.a.v. aangever: ‘bij zooien op re-schouder gevallen. Diagnose: distorsie, laatste bezoek 07–10–1997;
c
pleitnota mr. Van Stigt (in de zaken J.M.D. en B.K.) voor de zitting van 17 maart 2003 (eerste aanleg), pg. 10 sub 6, blijkens pleitaantekeningen van mr. H.J. van den Noort van diezelfde datum in de zaak H. als aldaar herhaald en ingelast beschouwd (sub 7).
De aannemelijkheid dat verdachte en zijn mededaders ervan uitgingen dat de bestuursleden, die de tafel moesten tegenhouden zo ‘voor zichzelf zouden zorgen’ dat zij zelf ernstige ongelukken zouden weten te vermijden ontleent het hof onder meer aan het gestelde in de pleitnotitie van mr. Van den Noort voor de terechtzitting van 3 juni 2004: ‘De spelregels worden de eerstejaars bijgebracht: je zorgt dat je niet bekneld raakt’ … (pg. 22).’
3.3
In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het door het slachtoffer bekomen zwaar lichamelijk letsel — in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig handelen — uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
3.4
Het oordeel van het Hof omtrent de bewezenverklaarde schuld is, blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen, in de kern op het volgende gebaseerd:
—
de verdachte heeft in een relatief kleine ruimte met omstreeks dertig personen, van wie velen alcoholhoudende drank hadden genuttigd, met een zeer grote en zware tafel tegen deuren geramd teneinde die deuren te openen;
—
de verdachte vervulde een voortrekkersrol in het gebeuren, dat al was voorafgegaan door het niet ongevaarlijk via een trap naar beneden brengen van deze tafel;
—
de verdachte was op de hoogte van het evident gevaarzettende karakter van dit handelen; en
—
de verdachte had, gelet op het gevaarzettend gedrag, bedacht kunnen en moeten zijn op onvoorspelbaar gedrag van het slachtoffer, dat als bestuurslid geacht werd het naar buiten brengen van de tafel te verhinderen.
Het bovengenoemde oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting aangaande het in de delictsomschrijving voorkomende bestanddeel schuld en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk, en gelet op het geheel van de gebeurtenissen niet onbegrijpelijk, heeft geoordeeld dat ook als het toebrengen van het letsel aan het slachtoffer voor de verdachte niet (meer) vermijdbaar zou zijn geweest als gevolg van de gedragingen van het slachtoffer en die van de medeverdachten, deze omstandigheid mede door de verdachte en zijn medeverdachten in het leven is geroepen. Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.
3.5
In de toelichting op het middel wordt voorts nog aangevoerd dat het Hof de ‘spelexceptie’ heeft miskend. Hetgeen daaromtrent door het Hof is overwogen, wordt door de stellers van het middel in het licht van het gevoerde verweer onbegrijpelijk geacht.
3.6
Vooropgesteld moet worden dat indien de letsel veroorzakende gedragingen zijn begaan in een min of meer reguliere sport of spelsituatie, van schuld als bedoeld in art. 308 Sr in de regel minder snel sprake zal zijn, dan indien diezelfde gedragingen buiten zo’n situatie zijn begaan. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake was van een dergelijke spelsituatie die aan een bewezenverklaring van schuld in de weg zou staan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat uit de bewijsmotivering volgt dat sprake was van zeer gevaarzettend handelen, maar niet van een door duidelijke spelregels afgebakend spel.
3.7
Het middel faalt derhalve in al zijn onderdelen.
5 Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie

A G mr. Machielse:
3.1
Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof een onjuiste invulling heeft gegeven aan het bestanddeel ‘schuld’, danwel de bewezenverklaring van dit bestanddeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2
Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
hij in de periode van 13 april 2001 tot en met 14 april 2001 te Leiden tezamen en in vereniging met anderen, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig een tafel (van ongeveer 5 meter lang en ongeveer 1,50 meter breed en een gewicht van ongeveer 1000 kilogram) als stormram heeft gebruikt door deze tafel met kracht tegen een deur te beuken, zulks terwijl een persoon, genaamd D., zich tussen die tafel en die deur bevond, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die D. zwaar lichamelijk letsel, te weten polsbreuken heeft bekomen.
3.3
Deze bewezenverklaring heeft het Hof gebaseerd op, voorzover hier van belang, de volgende bewijsmiddelen:
(zie arrest HR; red.)
3.6
In het middel wordt allereerst aangevoerd dat het Hof ten onrechte niet zou hebben gereageerd op het door de verdediging gevoerde verweer dat het plotselinge handelen van D. verdachte geen mogelijkheden bood het verdere verloop van de gebeurtenissen te beïnvloeden, nu ongeveer 30 personen aan de tafel duwden waarvan het merendeel niet in de gaten had wat zich feitelijk vooraan bij de lustrumdeuren afspeelde. De centrale stelling in het voor het Hof gevoerde verweer zou niet zijn dat D. medeschuld aan het ongeval had.
3.7
Uit de hiervoor onder 3.4 weergegeven overwegingen kan worden afgeleid dat het Hof verdachte verwijt dat hij zich heeft begeven in een situatie waarin er een reële mogelijkheid bestond dat bij één van de deelnemers aan het gebeuren (zwaar) lichamelijk letsel zou ontstaan* [1] en dat verdachte zich daar — mede gelet op eerdere incidenten op de sociëteit waarbij leden gewond zijn geraakt — ook van bewust moet zijn geweest. Kort gezegd heeft het Hof dus geoordeeld dat verdachte voorafgaand aan het ‘leestafelzooien’ bekend moet zijn geweest met de gevaren die daaraan zijn verbonden, maar kennelijk heeft vertrouwd op een goede afloop van de actie.* [2]
3.8
De stellers van het middel doen het voorkomen alsof het leerstuk van de medeschuld los staat van de vraag of verdachte nog gelegenheid had invloed uit te oefenen op de loop der gebeurtenissen. Mijns inziens geeft zulks blijk van een miskenning van de plaats van de medeschuld op het terrein van de culpa. Een beroep op medeschuld van het slachtoffer of anderen heeft immers vrijwel steeds de strekking te betogen dat verdachte geen beheersing meer had over de loop der gebeurtenissen doordat het slachtoffer of anderen daaraan een eigen belangrijke bijdrage leverde(n) die bepalend was voor de afloop. In wezen wordt in deze zaak hetzelfde betoogd. Het plotselinge handelen van D. sneed voor verdachte de mogelijkheden af de verdere loop der gebeurtenissen te beïnvloeden.* [3] Ik riposteer door te citeren uit HR 16 maart 1999, NJ 1999, 387, waarin verdachte eveneens voor het misdrijf van art. 308 Sr was veroordeeld:
Aldus heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte de omstandigheden in het leven heeft geroepen die het slachtoffer bij het ontbreken van een andere vluchtweg, in een dwangpositie hebben gebracht en die het slachtoffer ertoe hebben gebracht de beslissing te nemen weg te vluchten door via het dak van een aangrenzend gebouw naar de grond te springen en dat voor de verdachte redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn geweest dat het slachtoffer in die omstandigheden, gelet op de ernst van de door de verdachte geuite bedreiging, die vluchtweg zou kiezen en door die sprongen lichamelijk letsel zou oplopen.
3.9
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor de toepasselijkheid van art. 308 Sr niet is vereist ‘dat de verwijtbare gedraging van de dader de enige gedraging zou moeten zijn, waaraan het door de wet gewraakte gevolg is te wijten’.* [4] Een civielrechtelijke aansprakelijkheidsverdeling is hier dus niet aan de orde. In het strafrecht is de medeschuld van anderen voor de vaststelling van de strafrechtelijke culpa niet direct relevant, de eigen schuld van de dader staat steeds centraal.* [5] Wél is het zo dat fouten van anderen de mate van schuld bij de dader kunnen doen afnemen, eventueel zelfs in die zin dat van een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid — noodzakelijk voor de vervulling van de delictomschrijving van art. 308 Sr — niet meer kan worden gesproken.* [6]
3.10
Voorzover in het middel wordt aangevoerd dat geen sprake kan zijn van culpa omdat verdachte niet in staat was het ongeluk te vermijden en dus niet kan worden volgehouden dat hij in casu anders kón handelen, geldt nog het volgende. Met de stellers van het middel ben ik het eens dat verdachte op het moment suprême waarschijnlijk weinig invloed heeft kunnen uitoefenen op de circa dertig leden die zich achter hem in het halletje bevonden. Dit neemt evenwel niet weg dat uit bewijsmiddel 3 volgt dat verdachte vooraan bij de tafel heeft staan duwen op het moment dat D. werd geraakt. Dat óók anderen tegelijkertijd met verdachte de tafel naar voren richting de lustrumdeuren duwden doet de schuld van verdachte, zoals hiervoor reeds onder 3.8 is overwogen, niet zonder meer teniet. Daar komt nog bij dat uit de bewijsmiddelen 4 en 5 kan worden afgeleid dat verdachte tezamen met een andere (oud )bewoner van het Wallon een voortrekkersrol heeft vervuld in de aanloop naar het incident en tijdens het hele gebeuren de rest van de groep heeft opgezweept. Daaruit volgt dat verdachte zelf een belangrijk aandeel heeft gehad in het op stoom brengen van de ‘machine’ die, volgens eigen zeggen, uiteindelijk niet meer kon worden gestopt.
Aldus heeft het Hof mijn inziens kunnen oordelen dat de handelingen van de overige Walloniërs noch die van het slachtoffer de schuld bij verdachte in die mate doen afnemen dat verdachtes deelname aan het ‘leestafel-zooien’ niet meer kan worden aangemerkt als culpoos handelen in de zin van art. 308 Sr.
3.11
In het middel wordt er voorts op gewezen dat D. — als bestuurslid — vrijwillig de verdediging van de tafel op zich heeft genomen en zich evenals verdachte moet hebben gerealiseerd dat bij dergelijke spellen letsel kan ontstaan. De stellers van het middel wijzen in dit kader op een aantal arresten van de civiele kamer van de Hoge Raad, waaruit kan worden afgeleid dat in sport en spelsituaties aan het oordeel dat één van de spelers onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van een andere speler door deze (ernstig) letsel toe te brengen zwaardere eisen worden gesteld dan wanneer die gedraging buiten dat kader zou hebben plaatsgevonden.
3.12
In het algemeen geldt dat van onrechtmatigheid in geval van gevaarscheppend gedrag slechts sprake is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.* [7] Daarbij geldt wel dat deelnemers aan sport of spel slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten.
Zo heeft de Hoge Raad in NJ 1992, 621 onder meer overwogen dat:
(…) gedragingen in het kader van het tennisspel, die buiten de spelsituatie onvoorzichtig en daarom onrechtmatig zouden zijn geweest, binnen de spelsituatie dit karakter niet behoeven te hebben, omdat de deelnemers aan het spel gedragingen waartoe het spel uitlokt, waaronder onvermijdelijk van tijd tot tijd ook misslagen, over en weer van elkaar hebben te verwachten, terwijl een dergelijke gedraging niet onzorgvuldig wordt op de enkele grond dat zij door een ongelukkige samenloop van omstandigheden tot gevolg heeft dat een der deelnemers ernstig letsel oploopt.
en in HR NJ 1992, 622 dat:
(…) de vraag of een deelnemer aan een sport als voetballen onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging waardoor aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in het kader van de sportbeoefening zou hebben plaatsgevonden. De deelnemers aan een sport als voetballen hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl gedragingen die een overeenkomstig gevaar in het leven roepen, buiten het kader van de sport door de deelnemers aan het maatschappelijk verkeer als regel niet van elkaar behoeven te worden verwacht en mede daarom veelal niet aanvaardbaar zijn. (…)
Bij het vorenstaande verdient opmerking dat niet reeds het enkele overtreden van de spelregels, waaronder regels ter bescherming van de veiligheid van de spelers, onrechtmatig is. Wel is de overtreding van een spelregel een factor die meeweegt bij de beoordeling van de onrechtmatigheid.
3.13
Ook in het strafrecht geldt mijn inziens als uitgangspunt dat een enkele regelovertreding — bijvoorbeeld tijdens een voetbalwedstrijd — waardoor de tegenstander geblesseerd raakt niet met zich brengt dat reeds dáárdoor wederrechtelijk ten aanzien van die tegenstander is gehandeld en derhalve van mishandeling of van het culpoos misdrijf van art. 308 Sr kan worden gesproken. Bepaalde overtredingen zijn immers inherent aan een dergelijke wedstrijd en het begaan daarvan is voor de deelnemers aan zo een wedstrijd ook redelijk voorzienbaar. Dit betekent echter niet dat spelers op elke tackle, van welk kaliber dan ook, beducht moeten zijn en dat een dergelijke gedraging nooit als wederrechtelijk zou kunnen worden aangemerkt. Grove, roekeloze regelovertredingen behoren zelfs bij (sport)wedstrijden niet tot het door partijen vooraf aanvaarde risico.* [8] De uitgangsstelling is dat van de deelnemers verwacht wordt dat zij zoveel mogelijk volgens de regels spelen, welke regels ook de strekking hebben over en weer de deelnemers tegen elkaar te beschermen, en dat tegen overtreding van welke regels dan ook door de scheidsrechter wordt opgetreden. Bepaalde riskante gedragingen in het spel kunnen zelfs tot uitsluiting leiden.
3.14
Teneinde een acceptabel risico te kunnen vormen dienen regelovertredingen dus in redelijke mate voorzienbaar te zijn en binnen redelijke grenzen te blijven. Deze redelijke voorzienbaarheid levert bij het ‘leestafel-zooien’ van Minerva — zo men dit al als een vastomlijnd (sportief) spel zou willen aanmerken* [9] — mijns inziens de nodige problemen op. Niet is aangevoerd dat het ‘leestafel-zooien’ behoort tot de activiteiten die met enige regelmaat onderdeel uitmaken van een avondje Minerva, in ieder geval niet de variant waarbij, zoals in casu, getracht wordt de tafel door de lustrumdeuren te rammen en zo buiten de sociëteit te krijgen.* [10] Indien bepaalde (spel)situaties zich zelden voordoen zijn in dat kader gepleegde letseltoebrengende handelingen al snel een stuk minder voorzienbaar en derhalve veel eerder als wederrechtelijk aan te merken. Voorts ontbreken de voor sport en spelsituaties kenmerkende specifieke spelregels en normen die de grenzen van wat over en weer nog in redelijkheid kan worden verwacht afpalen. Ook valt niet serieus te betwisten dat de deelnemers aan het ‘leestafel-zooien’ niet zullen hebben ingestemd met het oplopen van letsel in de vorm van twee gebroken polsen. Tenslotte wijs ik nogmaals op het grote risico dat aan het ‘leestafel-zooien’, zoals in de onderhavige casus gepractiseerd, is verbonden en dat de onderhavige gebeurtenissen onderscheidt van de gewone sport en spelsituaties.* [11] Een groep aanvallers, gewoonlijk met een behoorlijke slok op, die een 1000 kilo tafel van een trap af en buiten de sociëteit moet zien te krijgen, terwijl een andere groep, het bestuur c.s. dat juist moet trachten te verhinderen; dat de aanvallers hun doel proberen te bereiken door de lustrumdeuren te rammen maakt het risico er zeker niet minder op.
3.15
Voorts wordt nog aangevoerd dat onduidelijk is op welke bewijsmiddelen het Hof het oog heeft gehad in zijn overweging dat het beroep op de spelexceptie niet kan slagen. Mede gelet op hetgeen het Hof in zijn bewijsoverweging heeft opgemerkt omtrent de gang van zaken op de sociëteit van Minerva in de nacht van 13 op 14 april 2001, zoals hiervoor onder 3.4 opgenomen, heeft het kennelijk bedoeld aan te geven dat het ‘leestafel-zooien’ — zoals dat heeft plaatsgehad bij het Wallon-uitdrinken — géén met enige regelmaat wederkerende gebeurtenis is waarbij het voor alle deelnemers duidelijk is wat hun rol in het geheel is en wat zij van de ‘tegenstanders’ kunnen en moeten verwachten.* [12] Die vaststelling heeft het Hof uit het geheel aan gebezigde bewijsmiddelen, met name die weergegeven onder 3.3, kunnen afleiden. Een nadere aanduiding van een specifiek bewijsmiddel was dan ook mijn inziens niet noodzakelijk.
3.16
Al met al kan derhalve mijn inziens worden volgehouden dat verdachte in casu anders had moeten en kunnen handelen. Door actief deel te nemen aan het ‘leestafel-zooien’ zoals dat heeft plaatsgehad in de nacht van 13 op 14 april 2001 heeft verdachte zich bewust in een gevaarlijke situatie gebracht waarin de kans op het ontstaan van (zwaar) lichamelijk letsel, mede door zijn toedoen, niet onaanzienlijk was. Reeds dát had verdachte en met hem de zijnen, na moeten laten gezien de risico’s die zij in het leven riepen. Aldus heeft hij met de voor culpa noodzakelijke aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid gehandeld. Uit het voorgaande volgt dat het Hof mijn inziens, door het feit bewezen te verklaren als hiervoor onder 3.2 weergegeven, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting betreffende de voor de vervulling van de delictsomschrijving van art. 308 Sr noodzakelijke schuld. Dit oordeel is voorts in het licht van de bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk.* [13]
3.17
Het middel faalt dan ook.

Noot

1 CASUS
In de Leidse sociëteit Minerva vindt onder een groep studenten het zogenaamde ‘leestafelzooien’ plaats. Volgens mos moet het zittende bestuur trachten te voorkomen dat de leestafel buiten geraakt; wanneer het dat niet kan beletten moet het aftreden. Onder aanvoering van onder anderen de verdachte in deze zaak sjouwen ca. 30 deels door alcohol benevelde studenten de leestafel, een groot en zwaar meubel, met verenigde krachten de trap af en in de richting van een nooduitgang, en rammen ermee tegen de deuren. Een der bestuursleden, D, bevreesd dat hij door de leestafel zal worden geraakt, probeert dan zich in veiligheid te brengen door tussen de leestafel en de deuren heen te glippen. Hij is echter niet snel genoeg en wordt door het naderende gevaarte getroffen. Daarbij breken zijn beide polsen.
De verdachte is wegens medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt veroordeeld tot een werkstraf van dertig uren.
2 MEDEPLEGEN
Deze zaak vormt een zeldzaam voorbeeld van medeplegen van een culpoos delict. Het leestafelzooien is door de verdachte c.s. in bewuste samenwerking verricht. Zoals voor medeplegen van een culpoos delict vereist* [14] is het toegebrachte letsel door hen samen veroorzaakt. Gezamenlijk opzet op het verboden gevolg is voor medeplegen van culpoze delicten niet vereist. Eerdere voorbeelden uit de rechtspraak zijn: samen een autowrak verslepen waardoor een bromfietser wordt getroffen;* [15] en: samen op onzorgvuldige wijze een abortus verrichten waardoor ernstig letsel ontstaat.* [16]
3 MEDEVEROORZAKING
Van een culpoos gevolgsdelict als hier aan de orde is, het aan zijn schuld te wijten hebben dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt (art. 308 Sr), maken causaliteit en schuld bestanddeel uit. Doordat het bij strafrechtelijke causaliteit naar in Nederland heersende opvatting niet gaat om alle condiciones sine qua non, maar slechts om die objectieve factoren die de gedraging van de verdachte strafrechtelijk relevant maken, bijvoorbeeld dat deze een aanmerkelijk risico op het verboden gevolg heeft opgeroepen of vergroot,* [17] is het vaak lastig die twee bestanddelen goed te onderscheiden.
Het Hof heeft overwogen dat zelfs als in de vluchtpoging van het slachtoffer een zekere mate van medeschuld te ontdekken zou zijn, zulks niet afdoet aan de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de verdachte. Kennelijk doelt het Hof hiermee op de causaliteitsvraag: Kan het letsel redelijkerwijs worden toegerekend — de Hoge Raad hanteert die aan het civiele recht ontleende term tegenwoordig ook als aanduiding van strafrechtelijke causaliteit* [18] — aan het gebruik door de verdachte c.s. van de leestafel als stormram tegen de deuren, in aanmerking genomen dat tot de factoren die tot het letsel hebben geleid ook een gedraging behoort van het slachtoffer zelf, namelijk dat dit zich plotseling tussen de leestafel en de gesloten deuren begaf?
In het algemeen staat aan het oordeel dat een bepaald gevolg is veroorzaakt door bepaald handelen van de verdachte niet in de weg dat dit gevolg mede is veroorzaakt door handelen van het slachtoffer* [19] of van een derde.* [20] Dat zou anders kunnen zijn indien weliswaar het handelen van de verdachte tot het gevolg heeft bijgedragen, maar het gevolg waarschijnlijk niet zou zijn ingetreden als er niet nog de zelfstandige, niet uit het handelen van de verdachte voortvloeiende, medeveroorzaking door het slachtoffer of een derde was bijgekomen. Als voorbeeld daarvan is wel gedacht aan het geval dat het slachtoffer van een aanrijding met niet levensbedreigend letsel om het leven komt bij een ongeval met de ziekenauto waarmee het wordt vervoerd.* [21] De Engelse rechtspraak biedt als voorbeeld het geval dat iemand door onzorgvuldigheid explosiegevaar had opgeroepen in een gebouw. Een brandweerman was van het gevaar op de hoogte gesteld en hem was verzocht buiten te blijven. Toch ging de brandweerman het gebouw binnen, waar hij toen omkwam door een inderdaad optredende explosie.* [22]
Gaat het echter om een niet zelfstandige, d.w.z. wel uit het handelen van de verdachte voortvloeiende, medeveroorzaking, zoals een vluchthandeling, dan geldt de hoofdregel: zij doet aan de veroorzaking door de verdachte niet af. Weer een voorbeeld uit de Engelse rechtspraak: de chauffeur van een auto betast zijn vrouwelijke passagier, die daarop uit de rijdende auto springt en daarbij verwondingen oploopt.* [23] Uit de Nederlandse rechtspraak is het geval bekend waarbij iemand door een botsing had veroorzaakt dat een andere automobilist met zijn auto gedeeltelijk op de treinrails terecht was gekomen terwijl er een trein aankwam.* [24] In plaats van weg te rijden was die andere automobilist uitgestapt om zijn vrouw en zijn dochter uit de auto te helpen, waarna hij tenslotte, toen de trein tegen de auto aanreed, zelf werd getroffen. De Hoge Raad nam in die zaak causaal verband aan tussen de eerstbedoelde botsing en het opgelopen letsel omdat de verdachte het inadequaat handelende slachtoffer in een schrikwekkende positie had gebracht. Ook valt te wijzen op het arrest inzake het geval dat iemand na bedreiging door de verdachte van een dak was gesprongen. Hoewel dat springen niet nodig was geweest werd tussen het optreden van de verdachte en het opgelopen letsel causaal verband aangenomen, omdat het slachtoffer tot zijn redelijkerwijs voorzienbare beslissing was gebracht door omstandigheden die de verdachte in het leven had geroepen.* [25]
In de voorliggende zaak heeft het Hof als reden waarom de vluchtpoging van het slachtoffer niet afdoet aan de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de verdachte opgegeven dat het slachtoffer had gehandeld in een oogwenk toen hij zich zeer bedreigd voelde als gevolg van de gevaarlijke situatie waarin hij mede door de verdachte was gebracht. Dat oordeel is in overeenstemming met de evengenoemde arresten.
In het middel, § 12 t/m 14, wordt tegen dat oordeel aangevoerd dat bij de plotselinge vluchtpoging van het slachtoffer de verdachte c.s. onmachtig waren om de botsing met het slachtoffer nog te vermijden. Hoewel in vermijdbaarheid een voorwaarde voor verwijtbaarheid en dus voor schuld kan worden gezien — men denke aan de verontschuldigbare onmacht waarvan sprake is in HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252 m.nt. Kn — kan het hier gevoerde verweer ook worden opgevat als ontkenning van de causaliteit. Bij die opvatting komt het betoog erop neer dat, omdat toen het slachtoffer tussen de leestafel en de deuren was gaan staan op een moment waarop deze leestafel reeds volop in beweging was in de richting der deuren, terwijl het zooien door de menigte studenten niet onmiddellijk kon worden gestopt, zodat een botsing met het slachtoffer niet meer te vermijden was, het letsel redelijkerwijs niet als gevolg kan worden toegerekend aan het gebruik van de leestafel als stormram. Dat de Hoge Raad dit verweer voldoende verworpen acht met de aan het Hof toegeschreven overweging dat die omstandigheid mede door de verdachte c.s. in het leven is geroepen, is eveneens in overeenstemming met de evengenoemde arresten, en wijst erop dat de Hoge Raad het betoogde inderdaad heeft opgevat als causaliteitsverweer.
Indien het verweer had moeten worden begrepen als schuldverweer, in die zin dat het aan hun handelen redelijkerwijs toe te rekenen letsel de verdachte c.s niet kan worden verweten, omdat zij door hun aantal en door de alcohol onmachtig waren om tijdig en adequaat te reageren, dan had het, bij feitelijke gegrondheid, m.i. slechts kunnen worden verworpen omdat die omstandigheid door de verdachte c.s. verwijtbaar in het leven is geroepen.* [26]
4 SPEL
Bij het Hof is het verweer gevoerd dat de verdachte niet wederrechtelijk heeft gehandeld omdat het leestafelzooien kan worden aangemerkt als een ‘ludiek spel’. Het Hof heeft dat verweer op feitelijke gronden verworpen: de verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en het is trouwens niet aannemelijk geworden dat het gebruiken van de tafel als stormram tot de gebruikelijke onderdelen van een dergelijk spel behoorde.
De Hoge Raad kiest in r.o. 3.6 als uitgangspunt dat, indien letselveroorzakende gedragingen zijn begaan in een min of meer reguliere sport of spelsituatie, van schuld als bedoeld in art. 308 Sr in de regel minder snel sprake zal zijn. Daarmee sluit hij aan bij eerdere (civiele) rechtspraak, volgens welke het toebrengen van letsel in sport of spelsituaties minder snel onrechtmatig is dan wanneer die gedraging niet in het kader van de sport of spelbeoefening zou hebben plaatsgevonden.* [27] De reden daarvan is, aldus de Hoge Raad, dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen, waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten.* [28] In casu echter acht de Hoge Raad ’s Hofs verwerping van het verweer niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat sprake was van zeer gevaarzettend handelen en niet van een door duidelijke spelregels afgebakend spel.
De eerste helft van die overweging steunt op de vaststelling door het Hof dat het gebruik van de leestafel als stormram onder de gegeven omstandigheden een aanmerkelijke kans op ernstige ongelukken opleverde. Zo gevaarlijk handelen is naar het kennelijke oordeel van Hof en Hoge Raad zelfs in een spelsituatie als de onderhavige onrechtmatig.
Bij de overweging dat geen sprake was van een door duidelijke spelregels afgebakend spel laat zich een kanttekening plaatsen. Naast spelen als tennis, voetbal of judo, die uitvoerige en zelfs internationaal overeengekomen spelregels kennen, doen zich ook min of meer spontane spelen voor, waarbij de spelregels summier zijn en ad hoc worden vastgesteld. De rechtspraak biedt daarvan voorbeelden: tikkertje met takken,* [29] en het sledespel waarbij de deelnemers van een skipiste afdalen gezeten op een vuilniszak en met in de hand een tennisbal.* [30] Ook voor in het kader daarvan verrichte handelingen is in de rechtspraak een verhoogde drempel van onrechtmatigheid aangenomen. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid weegt voorts wel mee maar is niet beslissend of de desbetreffende spelregels in acht zijn genomen.* [31] Dat in casu geen sprake was van een door duidelijke spelregels afgebakend spel is aldus beschouwd niet essentieel. Waar het m.i. in wezen om gaat is de vraag of de aard en de ernst van het letsel vallen binnen het risico dat het slachtoffer door het deelnemen aan het spel redelijkerwijze moet worden geacht te hebben aanvaard — dat wil in dit verband zeggen* [32] dat het stilzwijgend toestemming heeft gegeven voor mogelijke kwetsuren die binnen de grenzen van dat aanvaarde risico vallen — in welk geval het toebrengen van dat letsel niet zonder meer onrechtmatig zou zijn: volenti non fit iniuria.* [33] Dat die vraag in casu negatief moest worden beantwoord lijkt evident.
5 RITUEEL
Behalve als spel kan het leestafelzooien ook worden gezien als ritueel, als een procedure om af te komen van het oude bestuur en dat te kunnen vervangen door een nieuw. Het doet denken aan het ritueel van het bij zijn verzwakking of na verloop van zijn ambtstermijn doden van de koning, dat ooit bij verscheidene stammen schijnt te hebben bestaan* [34] en in Oost-Afrika ver in de twintigste eeuw nog bestond.* [35] Het ‘leestafelzooien’ kan wellicht als een verre echo daarvan worden opgevat.
Rituelen waarbij letsel opzettelijk wordt toegebracht kennen wij ook thans nog. Circumcisie bij jongetjes geniet algemeen maatschappelijke acceptatie,* [36] hoewel daarbij van toestemming door de betrokkene zelf geen sprake is. In sommige Duitse ‘Burschenschaften’ wordt, naar ik vernam, nog steeds van de toetredende leden verlangd zich te onderwerpen aan een ‘Mutprobe’ (‘Mensur’) met het risico van een lidteken in het gelaat, een ‘Schmiss’. Rituelen waarbij het risico van kwetsuren tot op zekere hoogte wordt aanvaard bestaan ook in Nederland: de groentijd biedt daarvan voorbeelden. (Een van mijn jaargenoten heeft daarbij destijds een gebroken pols opgelopen. Dat werd gezien als een geval van pech en leidde niet tot strafvervolging.)
Bij de beoordeling van strafrechtelijke aansprakelijkheid voor bij zo’n ritueel opgelopen letsel gaat het er niet alleen om of het ritueel met het daaraan inherente risico algemeen wordt aanvaard, maar ook of het opgelopen letsel binnen de grenzen van dat algemeen aanvaarde risico valt. Valt het daarbinnen, dan kan dat leiden tot afzien van strafvervolging, bij gebrek aan subsocialiteit. Valt het erbuiten, dan kan het kader van het ritueel toch meebrengen dat een geringere sanctie wordt opgelegd dan normaliter het geval zou zijn geweest.
Wat onder studenten gebruikelijk is wordt niet steeds algemeen aanvaard. Soms is daartoe het inherente risico te groot.* [37] Ook in casu is van algemene aanvaarding geen sprake. Misschien heeft het rituele karakter van het leestafelzooien echter wel een sanctiematigend effect gehad en is de geringheid van de opgelegde straf — het Hof meldt slechts dat het er ten voordele van de verdachte rekening mee heeft gehouden dat met betrekking tot de schade een financiële regeling is getroffen — mede daardoor te verklaren.