Rb. Utrecht 06-04-1982, VR 1983, 51 Arrest Basketbalspeler
Rb. Utrecht 06-04-1982, VR 1983, 51 Arrest Basketbalspeler
VR 1983 , 51
RECHTBANK UTRECHT
(Mrs. Van Schendel, Meertens-Zeeman en Bakker),
6/4/82
Regeling
Artt. 25, 30, 36 WVW
Essentie
Geblesseerde basketballspeler. Verontschuldigbare onmacht en AVAS.
Samenvatting
Verdachte heeft als semi-prof basketballspeler tijdens een wedstrijd een flinke klap van een tegenspeler tegen zijn slaap gekregen.
Na de wedstrijd rijdt hij in zijn eigen auto naar huis en pleegt gedurende die rit strafbare feiten. Hij weet zich van een aanrijding niets te herinneren en heeft geen verklaring voor zijn gedrag.
De Rechtbank acht aannemelijk, dat tijdens de rit naar huis bij verdachte een bepaalde vorm van ‘afwezigheid’ is ontstaan als gevolg van de eerder die avond opgelopen klap tegen zijn hoofd. Omdat er geen voor hem toen kenbare aanwijzingen waren, dat hij lichamelijk en/of geestelijk niet in orde zou zijn, valt het hem niet euvel te duiden dat hij overeenkomstig zijn tevoren genomen besluit met zijn auto naar huis is gereden.
Ook de ten aanzien van het misdrijf van art. 30 WVW — stilzwijgend telastegelegde — bewustheid wordt niet aanwezig geacht.
Tekst
Vonnis in de zaak tegen H.J.P. door de Officier van Justitie gedagvaard.
De Arrondissementsrechtbank te Utrecht, vierde kamer;
gelet op het onderzoek ter terechtzitting;
gelet op de verdediging door en namens verdachte in het midden gebracht;
gehoord de vordering van de Officier van Justitie, daarna in geschrifte overlegd;
O. dat verdachte bij dagvaarding is telastegelegd dat hij op of omstreeks 5 september 1981 te omstreeks 23.15 uur in de gemeente Barneveld, althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een personenauto
1
daarmede in aanmerkelijke mate onachtzaam, onoplettend en/of onvoorzichtig rijdende over de rechter rijstrook van de zuidelijke rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A-1, terwijl de rechterkoplamp van zijn personenauto niet brandde, een op dezelfde rijstrook voor hem, verdachte, met een snelheid van ongeveer 100 km/u rijdende personenauto, waarin zich onder meer G.H. als passagier bevond, niet (tijdig) heeft opgemerkt,
zulks terwijl hij, verdachte, toen daar reed met een snelheid (ver) boven de 100 km/u, althans met (zeer) hoge snelheid, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan die voor hem uitrijdende personenauto,
en toen niet (tijdig) teneinde die vóór hem rijdende personenauto in te halen en voorbij te rijden naar de linker rijstrook is gegaan, doch zonder verkeersnoodzaak op die rechter rijstrook is blijven rijden en (met grote snelheid) tegen de achterzijde van die voor hem rijdende personenauto is aangereden bij en als gevolg, van welke aanrijding die voor hem rijdende personenauto één of meer malen over de kop is geslagen en genoemde G.H. een wervelfractuur en/of een hersenschudding, althans in elk geval zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen,
PRIMAIR
zijnde bovenomschreven gevolgen van die botsing aldus aan zijn schuld (zoals bedoeld in art. 36 WVW) te wijten,
SUBSIDIAIR
door welke bovenomschreven wijze van rijden hij, verdachte, de veiligheid op de weg in gevaar heeft gebracht;
2
na een ongeval op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A-1, ontstaan als gevolg van een botsing of aanrijding met het door verdachte bestuurde voertuig, waarbij schade was toegebracht aan een personenauto, toebehorend aan G.H. die geen inzittende van het door verdachte bestuurde voertuig was, althans aan een ander dan aan een inzittende van het door verdachte bestuurde voertuig, is door- of weggereden voordat de identiteit van verdachte, en van het door verdachte bestuurde voertuig behoorlijk was kunnen worden vastgesteld;
WAT BETREFT DE TELASTEGELEGDE FEITEN:
De raadsvrouwe van verdachte heeft ter terechtzitting onder meer naar voren gebracht, dat verdachte — die zich van het voorval niets weet te herinneren — geen schuld heeft aan hetgeen hem is telastegelegd, nu verdachte ten tijde van het gebeuren verkeerde in een zodanige — geestelijke — toestand als gevolg van een klap tegen zijn hoofd tijdens een diezelfde avond gespeelde basketball-wedstrijd, dat de feiten hem om die reden niet kunnen worden toegerekend.
Hieromtrent in verband met de telastegelegde feiten onder 1 primair en subsidiair:
De Rechtbank vat het verweer van de raadsvrouwe op als een beroep op verontschuldigbare onmacht en derhalve als een bestrijding van de ten aanzien van deze feiten telastegelegde schuld.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is het navolgende komen vast te staan met betrekking tot de omstandigheden welke hebben geleid tot de telastegelegde feiten:
Verdachte heeft als semi-prof basketball-speler op de bewuste avond meegespeeld in een basketball-wedstrijd in de gemeente Urk. Tegen het einde van de wedstrijd kreeg verdachte een zodanige klap van een tegenspeler tegen zijn slaap, dat hij op de grond is gevallen. Hij is niet bewusteloos geweest en voelde zich niet ‘dizzy’. Vervolgens werd hij uit de wedstrijd gehaald. De aanwezige sport-fysiotherapeut — die een 8-jarige ervaring heeft als zodanig — controleerde de toestand van verdachte, gaf hem een ijszakje voor de pijnlijke plek en een asperientje. Verdachte is vervolgens gaan douchen. Daarna hebben achtereenvolgens een kennis van hem en haar vriend afzonderlijk met verdachte gesproken. Beiden vonden hem tijdens dit gesprek een verwarde indruk maken, doch zij hebben dit geen van beiden kenbaar gemaakt aan verdachte. Beiden wisten, dat verdachte in zijn auto die avond nog naar huis (Amstelveen) zou rijden.
Voornoemde fysiotherapeut heeft naar zijn eigen zeggen verdachte uit voorzorg na het gebeuren nog ongeveer drie kwartier in het oog gehouden en geen bijzonderheden waargenomen. Hij achtte het verantwoord verdachte in zijn auto naar huis te laten rijden. Toen verdachte reeds in zijn auto zat, heeft deze fysiotherapeut nog naar zijn toestand geïnformeerd en verdachte heeft hem een positief antwoord gegeven.
Verdachte zelf voelde zich op dat moment goed. Vervolgens is verdachte uit Urk weggereden met de bedoeling om via Emmeloord en Lelystad naar Amstelveen te rijden. De aanrijding heeft plaatsgevonden op de zuidelijke rijstrook van Rijksweg A-1, richting Apeldoorn, gelegen in de gemeente Barneveld. Verdachte heeft geen verklaring voor het feit, dat hij op die weg heeft gereden. Van de aanrijding heeft hij evenmin iets gemerkt.
Op grond van het bovenstaande acht de Rechtbank het aannemelijk dat tijdens de rit naar huis bij verdachte op een gegeven moment een bepaalde vorm van ‘afwezigheid’ is ontstaan als gevolg van de eerder die avond opgelopen klap tegen zijn hoofd. Het feit dat verdachte, die de bedoeling had naar Amstelveen te gaan, zich heeft bevonden op de zuidelijke rijbaan van Rijksweg A-1, richting Apeldoorn, derhalve een route rijdend die in géén verband kan worden gebracht met verdachtes reisdoel, draagt het oordeel van de Rechtbank in belangrijke mate.
Voorts is de Rechtbank van oordeel dat het verdachte niet euvel te duiden is dat hij, overeenkomstig zijn tevoren genomen besluit, met zijn auto naar huis is gereden. Er waren immers géén voor hem toen kenbare aanwijzingen dat hij lichamelijk en/of geestelijk niet in orde zou zijn. Derhalve bestond er voor hem toen géén aanleiding te twijfelen aan zijn bekwaamheid zijn auto naar behoren te besturen.
Nu verdachte van zijn handelen op géén wijze een verwijt valt te maken, ontbreekt bij hem de in het onder 1 primair en subsidiair telastegelegde schuld, zodat verdachte van het hier telastegelegde dient te worden vrijgesproken.
WAT BETREFT HET ONDER 2 TELASTEGELEGDE:
De Officier van Justitie heeft hier kennelijk bedoeld om overtreding van het bepaalde in art. 30 eerste lid aanhef en onder a WVW telaste te leggen.
Blijkens de wetsgeschiedenis is dit artikellid in die zin te verstaan, dat om het daar bedoelde strafbare feit te plegen, de dader zich in meerdere of mindere mate van het ongeval bewust moet zijn geweest.
Deze omstandigheid dient dan ook als een stilzwijgend bestanddeel van het delict te worden beschouwd, dat bewezen dient te worden.
Het verweer van de raadsvrouwe wordt in het licht van het voorgaande ook hier opgevat als een beroep op verontschuldigbare onmacht en derhalve als een bestrijding van die — stilzwijgend telastegelegde — bewustheid.
Bovengenoemd oordeel van de Rechtbank betreffende de ‘afwezigheid’ van schuld van verdachte geldt hier onverkort en leidt hier daarom tot de conclusie, dat aannemelijk is te achten dat verdachte zich op geen enkele wijze bewust is geweest van het ongeval, zodat verdachte ook van het telastegelegde onder 2 dient te worden vrijgesproken.
(Volgt: vrijspraak, Red. V.R.)