Rb. Utrecht 09-07-2003, NJ 2003, 669 Arrest Brandweerduiker
Rb. Utrecht 09-07-2003, NJ 2003, 669 Arrest Brandweerduiker
NJ 2003 , 669
RECHTBANK UTRECHT
9 juli 2003 , nr. 16/205277–02
(Mrs. Veldhuijzen, Krepel, Van Zeben)
Regeling
Sr art. 51
Essentie
Ic. geen strafrechtelijke immuniteit gemeente.
Ic. geen strafrechtelijke immuniteit gemeente.
Tekst
BESPREKING VAN HET VERWEER TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE
Aan de gemeente Utrecht wordt kort gezegd verweten dat zij als werkgever de duikopleiding voor brandweerlieden en in het bijzonder de duikoefening van 13 juli 2001 niet op een veilige wijze georganiseerd en uitgevoerd heeft, tengevolge waarvan een brandweerman om het leven is gekomen.
De verdediging heeft aangevoerd, dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien de gemeente als openbaar lichaam in de vervulling van een exclusieve overheidstaak, de verantwoordelijkheid voor de brandweer, strafrechtelijke immuniteit toekomt.
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
De Hoge Raad overwoog in het zogenaamde Pikmeer II arrest (HR 6 januari 1998, NJ 1998, 367), dat de immuniteit van een openbaar lichaam slechts dan dient te worden aangenomen, indien de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen.
In genoemd arrest overwoog de Hoge Raad overigens dat de strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam in een aantal gevallen tot uitkomsten leidt, die maatschappelijk als ongewenst worden ervaren.
Er is inmiddels in de literatuur sprake van een breed gedragen opvatting, dat de immuniteit van overheden slechts bij uitzondering dient te worden aangenomen.
Centrale vraag in dit strafgeding is dan ook, of de tenlastegelegde gedragingen van de gemeente vallen onder haar exclusieve bestuurstaak.
Het voorkomen, beperken en bestrijden van brand en brandgevaar, van ongevallen bij brand en het beperken en bestrijden van gevaar bij ongevallen anders dan bij brand is de taak, die artikel 1 van de Brandweerwet 1985 aan de gemeente opdraagt.
De bestuurlijke eindverantwoordelijkheid voor de organisatie, de kwaliteit en de instandhouding van de brandweer berust zo krachtens de wet bij de gemeente en is vanwege het openbare belang een exclusieve bestuurstaak.
Bij de beantwoording van de hierboven genoemde centrale vraag acht de rechtbank van belang dat in de Memorie van Antwoord bij de Brandweerwet 1985 (TK 1983 1984, 16 695, nr. 12 p. 25) weliswaar is opgemerkt dat het vanzelfsprekend is dat onder het in stand houden van de gemeentelijke brandweer begrepen is het zorg dragen voor opleiding en oefening, maar dat deze zorg niet expliciet in de wet aan de gemeente is opgedragen. De rechtbank acht dit ook daarom van belang, omdat artikel 1, zesde lid van de Brandweerwet 1985 bepaalt dat de taak van de brandweer bestaat uit de feitelijke uitvoering van de in het vierde lid genoemde (primaire) brandweertaken, waaruit volgt dat deze (primaire) taken in ieder geval alleen door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht.
In het licht van de criteria, ontwikkeld in het Pikmeer II arrest is het thans de vraag of ook het door de gemeente organiseren van de opleiding en training van de brandweerlieden valt onder haar exclusieve bestuurstaak.
De verdediging heeft ter ondersteuning van haar standpunt dat de gemeente niet strafrechtelijk vervolgd kan worden, aandacht gevraagd voor de beslissing van de Raadkamer van het Hof Arnhem van 23 september 2002, NJ 2002, 550 (vuurwerkramp Enschede).
De rechtbank is van oordeel, dat de vergelijking met de thans aanhangige strafzaak mank gaat, alleen al omdat de beslissing van het Hof een procedure ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering betrof, waarbij de opportuniteit in het geding was. Bovendien was de tenlastelegging in die zaak toegespitst op overheidstaken van typisch exclusief bestuurlijke aard (nl. handhaving en toezicht in het kader van de Wet Milieubeheer en de Woningwet).
Naar het oordeel van de rechtbank brengt het belast zijn met een algemene (exclusieve) bestuurstaak zoals de zorg voor de brandweer niet zonder meer mee, dat alle met die taak samenhangende activiteiten ook als exclusieve bestuurstaken moeten worden aangemerkt, die slechts door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht.
De opleiding en oefening van het brandweerpersoneel staat weliswaar in verband met de hierboven genoemde primaire brandweertaken, maar dit verband acht de rechtbank niet zo nauw dat dit de conclusie rechtvaardigt, dat zij alleen door personeel van de brandweer kan worden vervuld. Immers, geen wetsbepaling staat eraan in de weg dat de gemeente, uiteraard met volledig behoud van haar eindverantwoordelijkheid, de opleiding en training van brandweerpersoneel geheel of gedeeltelijk uitbesteedt aan derden, niet zijnde gemeentefunctionarissen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de mogelijkheid de duikopleiding geheel of ten dele onder te brengen bij de Koninklijke Marine of bij een gecertificeerd bergingsbedrijf. Dat op dit moment een specifiek op de brandweer toegespitste opleiding niet door derden wordt aangeboden, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet hieraan niet af.
De rechtbank neemt bij de beantwoording van de centrale vraag of de tenlastegelegde gedragingen van de gemeente al dan niet onder haar exclusieve bestuurstaak vallen tevens in aanmerking de omstandigheid dat bij het organiseren van de duikopleiding (anders dan bij de uitoefening van primaire brandweertaken) geen sprake is van een verhouding overheid-burger (zoals in het algemeen het geval zal zijn bij typisch bestuurlijke taken). Evenmin is sprake van een verhouding overheid-werknemer in het kader van de uitvoering van een exclusieve bestuurstaak (te weten primaire brandweertaken). In dit geval gaat het om de verhouding tussen werkgever en werknemer.
In het maatschappelijk verkeer wordt de verhouding tussen werkgever en werknemer beheerst door een specifiek stelsel van maatschappelijke en wettelijke zorgvuldigheidseisen, zoals onder meer is neergelegd in het Wetboek van Strafrecht en in de Arbowet, dat ook door de overheid als werkgever in acht genomen moet worden. Het zou maatschappelijk onaanvaardbaar zijn, indien de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente dit stelsel zou kunnen doorkruisen.
Alle bovenstaande overwegingen in onderling verband en samenhang gezien voeren de rechtbank tot de conclusie dat de gemeente zich in de onderhavige strafvervolging niet kan beroepen op strafrechtelijke immuniteit.
De Officier van Justitie is derhalve ontvankelijk in haar vervolging.