HR 19-11-2004, NJ 2006, 215 Arrest Bannenberg/Polak
HR 19-11-2004, NJ 2006, 215 Arrest Bannenberg/Polak
NJ 2006 , 215
Hoge Raad (Civiele Kamer)
19 november 2004, nr. C03/231HR
(Mrs. R. Herrmann, J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens; P-G Hartkamp)
m.nt. H.J. Snijders
m.nt. H.J. Snijders
RVDW 2004, 130
JOL 2004, 614
Regeling
BW art. 3:329
Essentie
Vestiging stil pandrecht op vorderingen op naam; vereiste van registratie van onderhandse akte; tijdstip van vestiging.
Aan het in art. 3:239 lid 1 BW neergelegde voorschrift van registratie van onderhandse akten van verpanding van vorderingen op naam is niet voldaan indien de desbetreffende akte bij een notaris is gedeponeerd, althans indien de notaris van dat depot een akte heeft opgemaakt. Aan het belang van de aanbieder om zelf het tijdstip van vestiging van een stil pandrecht te bepalen, wordt voldoende tegemoetgekomen door a) het feit dat in het geval van een onderhandse akte als dag van vestiging geldt de dag waarop de akte of een faxcopie daarvan ter registratie wordt aangeboden en b) het feit dat in het geval van vestiging bij authentieke akte dat tijdstip wordt bepaald door de in de akte op te nemen verklaring van de notaris omtrent het jaar, de maand en de dag waarop deze is verleden.
Vestiging stil pandrecht op vorderingen op naam; vereiste van registratie van onderhandse akte; tijdstip van vestiging.
Samenvatting
De onderhavige zaak gaat over de vraag of aan het in art. 3:239 lid 1 BW neergelegde voorschrift van registratie van onderhandse akten van verpanding van vorderingen op naam ook is voldaan indien de desbetreffende akte bij een notaris is gedeponeerd en daarvan een notariële akte van depot is opgemaakt. Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het middel strekt, kort gezegd, ten betoge dat het hof de strekking van de eis van registratie heeft miskend en voegt daaraan toe dat de mogelijkheid van het vestigen van een stil pandrecht door het opmaken van een akte van depot ook strookt met het belang van de aanbieder van de pandakte om zelf de dag te kunnen bepalen waarop de vereisten voor een geldige verpanding zijn vervuld, welk belang de Hoge Raad in zijn arrest van 14 oktober 1994, NJ 1995, 447 heeft onderkend.
De strekking van de eis van registratie is in hoofdzaak deze dat komt vast te staan dat de onderhandse akte is totstandgekomen uiterlijk op de dag van de, op het geregistreerde stuk aangetekende, registratie, zodat antedatering wordt tegengegaan (vgl. HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 447 en HR 29 juni 2001, NJ 2001, 662). Dit doel zou ook zou kunnen worden bereikt door het opmaken van een notariële akte van depot van de onderhandse akte. Hierin kan echter evenwel geen rechtvaardiging worden gevonden om, in afwijking van de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, die meende ‘dat de eis van registratie mede een psychologische rem zal vormen om tot het opmaken van valse akten te komen, nu deze eis dwingt de akte onmiddellijk in handen van de inspectie der registratie te stellen’ (Parl. Gesch.Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1330), te aanvaarden dat een stil pandrecht ook kan worden gevestigd door het opmaken van een notariële akte van depot van een onderhandse pandakte. Anders dan het middel wil, leidt ook het in voormeld arrest van 14 oktober 1994 onderkende belang van de aanbieder om zelf de dag te kunnen bepalen waarop de vereisten voor een geldige verpanding zijn vervuld niet tot een ander oordeel. In dat arrest is niet geoordeeld dat het hier gaat om een zonder meer, en ongeacht of aan de eis van registratie bij de belastingdienst is voldaan, rechtens te respecteren belang, zoals het onderdeel tot uitgangspunt neemt: aan de orde was de vraag welke dag als de dag van registratie is aan te merken, de dag van aanbieding ter registratie of de dag van het daadwerkelijk inboeken van de desbetreffende akte door het vermelden van de gedeeltelijke inhoud ervan in register Registratie nr. 4, en bij de beantwoording van die vraag in eerstvermelde zin heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat ‘het een te respecteren belang van de aanbieder van de akte [is] dat hij zelf de dag kan bepalen waarop de vereisten voor geldige verpanding zijn vervuld en in zoverre niet afhankelijk is van het tijdsverloop van administratieve handelingen, waarop hij geen invloed heeft’. Dat arrest biedt dus geen steun aan het door het middel verdedigde standpunt. Aan het belang van de aanbieder om zelf het tijdstip van vestiging van een stil pandrecht te bepalen, wordt voldoende tegemoetgekomen door a) het feit dat in het geval van een onderhandse akte als dag van vestiging geldt de dag waarop de akte of een faxcopie daarvan ter registratie wordt aangeboden en b) het feit dat in het geval van vestiging bij authentieke akte dat tijdstip wordt bepaald door de in de akte op te nemen verklaring van de notaris omtrent het jaar, de maand en de dag waarop deze is verleden.* [1]
Partijen
Bannenberg Advocaten, te Rosmalen, gem. ’s Hertogenbosch, eiseres tot cassatie, adv. mr. E. Grabandt,
tegen
Mr. Jakob Cornelis Rosenberg Polak, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Bouwpartners Projectdetachering B.V., te Amstelveen, verweerder in cassatie, adv. mr. P.S. Kamminga.
Tekst
HOF:
2 De feiten
Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.
a
Bannenberg heeft sedert 1998–1999 juridische bijstand verleend aan de besloten vennootschap Bouwpartners Projectdetachering BV (verder: Bouwpartners); ter zake van deze bijstand was er begin april 2001 een betalingsachterstand van ongeveer ƒ 60 000;
b
In verband met een eventuele verkoop of overname van Bouwpartners heeft Bannenberg voorts juridische bijstand verleend in april en mei 2001;
c
Tussen Bouwpartners en Bannenberg is in april 2000 overeengekomen dat Bouwpartners op eerste verzoek van Bannenberg haar debiteuren (in tweede verband) zou verpanden aan Bannenberg;
d
Ter uitvoering van de onder (c) bedoelde overeenkomst hebben Bannenberg en Bouwpartners een (onderhandse) pandakte opgemaakt en ondertekend op 23 mei 2001; bij deze pandakte heeft Bouwpartners aan Bannenberg ‘een (stil) pandrecht van de hoogst mogelijke rang (…) op alle vorderingen die de pandgever heeft en zal hebben op haar handelsdebiteuren’ verleend; in deze pandakte is onder punt 4 onder meer opgenomen ‘Vestiging van het onderhavige pandrecht geschiedt door ondertekening en registratie van deze akte.’
e
De onder (d) bedoelde pandakte is op 26 mei 2001 vanwege Bannenberg gedeponeerd bij notaris Peeters te Rosmalen; deze heeft daarvan een akte van depot opgemaakt; in deze akte is onder meer de volgende zin opgenomen: ‘Van voormelde pandakte is het origineel met als bijlage een pandlijst gedateerd zevenentwintig april tweeduizendéén door mij, notaris, in depot genomen.’
f
Op 29 mei 2001 is — naar het hof begrijpt — dezelfde pandakte opnieuw in depot genomen door eerdergenoemde notaris; daarvan is opnieuw een akte van depot opgemaakt; in deze akte is onder meer de volgende zin opgenomen: ‘Van voormelde pandakte is het origineel met als bijlage een pandlijst gedateerd negenentwintig mei tweeduizendéén door mij, notaris, in depot genomen.’
g
Bij vonnis van de rechtbank te Den Haag van 30 mei 2001 is Bouwpartners failliet verklaard onder gelijktijdige intrekking van de op 29 mei 2001 door genoemde rechtbank verleende voorlopige surséance van betaling; eiser is daarbij tot curator benoemd;
h
De onder (e) bedoelde notariële akte van depot (d.d. 26 mei 2001) is op 30 mei 2001 ter registratie aangeboden bij de Belastingdienst;
i
De onder (f) bedoelde notariële akte van depot (d.d. 29 mei 2001) is op 6 juni 2001 ter registratie aangeboden bij de Belastingdienst.
3 Het geschil
Partijen verschillen van mening over de vraag of tussen Bouwpartners en Bannenberg rechtsgeldig een pandrecht is gevestigd.
In verband daarmee heeft de curator gevorderd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
a
primair voor recht zal verklaren dat ten gunste van Bannenberg geen pandrecht is gevestigd op de vorderingen op de debiteuren van Bouwpartners;
b
subsidiair de overeenkomst van 24 april 2001 tussen Bannenberg en Bouwpartners zal vernietigen en voor recht zal verklaren dat Bannenberg geen enkel pandrecht als omschreven in en krachtens de pandakte van 23 mei 2001 toekomt. Bannenberg heeft de vordering van de curator weersproken en gesteld dat haar wel een (tweede) pandrecht toekomt.
4 De beoordeling van het geschil
4.1
De primaire vordering van de curator stelt de vraag aan de orde of door een of meer van de in rechtsoverweging 2 genoemde feiten voor Bannenberg een pandrecht is ontstaan. Het Hof is van oordeel dat het niet het geval is. Het overweegt daartoe als volgt.
4.2
Vast staat dat de rechtbank te Den Haag op 29 mei 2001 aan Bouwpartners voorlopige surséance van betaling heeft verleend. Derhalve was Bouwpartners gelet op artikel 217 en 228 Fw vanaf het begin van die dag onbevoegd enige daad van beheer of beschikking betreffende de boedel te verrichten zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerder.
Het pandrecht ontstaat eerst op het moment dat aan alle vestigingseisen is voldaan; ook de registratie van een onderhandse akte dient als vestigingseis te worden aangemerkt, en derhalve als daad van beheer of beschikking als bedoeld in art. 228 Fw te worden beschouwd. Bannenberg heeft niet bestreden dat de volgens art. 228 Fw verlangde medewerking, machtiging of bijstand niet is gegeven of verleend.
4.3
De in rechtsoverweging 4.2. onder (d) bedoelde pandakte is geen authentieke akte en dient dus geregistreerd te worden wil het pandrecht gevestigd zijn; gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4.2. is overwogen had de (zonder medewerking, machtiging of bijstand opgemaakte) pandakte derhalve uiterlijk op 28 mei 2001 geregistreerd moeten zijn.
Volgens de curator is registratie alleen mogelijk door de Belastingdienst; volgens Bannenberg wordt aan het vereiste van registratie ook voldaan indien de pandakte wordt aangeboden aan een notaris, die vervolgens (zoals verplicht volgens de Registratiewet 1970) de door hem opgemaakte akte ter registratie aanbiedt; dat de notaris de door hem opgemaakte akte van depot eerst op 30 mei 2002 ter registratie heeft aangeboden is in deze zaak niet doorslaggevend. Bannenberg doet hiervoor een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 1994, NJ 1995, 47.
4.4
Het hof overweegt als volgt.
Blijkens artikel 1 van de Registratiewet 1970 wordt onder registratie verstaan ‘het vermelden van de gehele of gedeeltelijke inhoud van akten in de registers welke worden gehouden door daartoe door Onze Minister van Financiën aangewezen inspecteurs van de rijksbelastingdienst’.
Volgens de artikelen 3 en 4 van deze wet dienen ook (alle) authentieke en onderhandse akten van notarissen door deze notarissen ter registratie te worden aangeboden; reeds daaruit volgt dat het deponeren bij een notaris niet (op zichzelf) kan worden aangemerkt als registratie in de zin van de Registratiewet 1970.
Uit de tekst van artikel 3:239 BW kan niet anders worden opgemaakt dan dat het vereiste van registratie bij de vestiging van een (stil) pandrecht alleen niet geldt voor een authentieke akte, terwijl voor een onderhandse akte deze registratie vereist is wil het pandrecht gevestigd worden; zulks wordt ook bevestigd door de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat met de huidige redactie van dit artikel ‘buiten twijfel [is] gesteld dat hier uitsluitend van een onderhandse akte registratie wordt vereist’ (M.v.A. II). Uit dit citaat volgt enerzijds dat een stil pandrecht kan worden gevestigd door een authentieke akte, waarbij het feit dat die authentieke akte zoals iedere notariële akte vervolgens moet worden geregistreerd niet relevant is; anderzijds volgt daaruit dat bij een onderhandse pandakte registratie een noodzakelijke voorwaarde is voor vestiging.
Er is dan geen goede grond ten aanzien van onderhandse akten onderscheid te maken tussen akten die door of ten overstaan van de notaris zijn opgemaakt en andere onderhandse akten, waarbij dan voor eerstgenoemde akten zou gelden dat het pandrecht gevestigd is op de datum van dagtekening van deze akte en niet op de datum van registratie daarvan.
Het moge zo zijn dat een belangrijke doelstelling van het voorschrift van registratie is dat door het verkrijgen van een vaste dagtekening antedatering wordt tegengegaan, maar dat kan er niet toe leiden dat — in strijd met de duidelijke bewoordingen van dit voorschrift — daaraan al is voldaan wanneer de pandakte wordt gedeponeerd bij een notaris die daarvan een akte van depot opmaakt.
Het hof kan gelet hierop ook in het midden laten of van registratie van een pandakte sprake is wanneer de akte van depot van deze pandakte (en niet de pandakte zelf) wordt geregistreerd bij de Belastingdienst conform de Registratiewet 1970; zo daar al sprake van is dan heeft zulks in dit geval eerst plaats gehad na ingang van de surséance.
4.5
Het beroep op bovengenoemd arrest van de Hoge Raad faalt. In dat arrest was aan de orde de vraag welk tijdstip moet worden aangemerkt als tijdstip van registratie — het tijdstip van binnenkomst bij de Belastingdienst dan wel het tijdstip van daadwerkelijke registratie door de Belastingdienst — maar betrof niet de vraag of deponering bij de notaris registratie in de zin van de Registratiewet 1970 kan vervangen.
Dat — zoals Bannenberg aanvoert — de aanbieder van een pandakte een te respecteren belang heeft dat hij zelf de dag kan bepalen waarop de vereisten voor geldige verpanding zijn vervuld kan hieraan niet afdoen. De aanbieder van een akte kan immers zelf bepalen op welke dag hij de akte ter registratie bij de Belastingdienst aanbiedt, en gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad zal die dag ook als dag van registratie door de Belastingdienst moeten worden aangemerkt.
Blijkens artikel 7 van de Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970 zijn de inspecties voor het aanbieden van akten ter registratie dagelijks — behoudens op zaterdag, zondag en feestdagen in de zin van de Algemene termijnenwet en daarmee gelijkgestelde dagen — gedurende zes uur geopend, hetgeen de aanbieder voldoende vrijheid geeft om de dag van registratie te bepalen.
Dat Bannenberg de onderhavige akte in dit geval op een zaterdag bij een notaris heeft kunnen deponeren kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.
4.6
Nu vast staat dat de pandakte in geen geval eerder dan op 30 mei 2001 is geregistreerd in de zin van de Registratiewet 1970 heeft deze registratie plaatsgehad op een tijdstip waarop Bouwpartners niet meer bevoegd was tot beheer en beschikking als bedoeld in artikel 23 Fw, en is derhalve voor Bannenberg geen pandrecht gevestigd op de vorderingen van Bouwpartners op haar debiteuren.
4.7
De slotsom is dat de door de curator gevraagde verklaring voor recht kan worden verleend, zij het dat deze beslissing — anders dan door de curator gevraagd — niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, nu de aard van deze beslissing zich daartegen verzet.
De subsidiaire vordering van de curator behoeft derhalve geen behandeling. Bannenberg zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.
(enz.)
CASSATIEMIDDEL:
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof heeft overwogen en beslist als is vervat in het ten deze bestreden arrest, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende, zo nodig in onderlinge samenhang te lezen redenen:
1
Het Hof geeft in de r.o. 4.4 tot en met 4.6 blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de beslissing onbegrijpelijk en niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. Het Hof miskent dat van de vestiging van een (stil) pandrecht als bedoeld in art. 3:239 BW ook dan sprake is door (en op het moment van) deponering van de pandakte bij een notaris, althans het door de notaris van dat depot opmaken van een akte van depot (met latere registratie van die akte van depot van de pandakte). Een en ander strookt met de ratio van het bepaalde in art. 3:239 BW, waarin immers met het voorschrift van registratie van een onderhandse akte niet wordt beoogd de kenbaarheid van de verpanding voor derden te regelen, maar het vastleggen van de datum van verpanding (weshalve daaromtrent duidelijkheid bestaat en antedatering of andere onregelmatige wijziging of aanvulling van de akte wordt voorkomen). Het is in overeenstemming met de doelstelling van (het registratievereiste van) art. 3:239 BW om aan te nemen dat ook met het depot van de onderhandse pandakte bij een notaris voldaan is aan het vereiste van registratie, althans dat aan dat vereiste is voldaan door het opmaken door de notaris van de akte van depot (met latere registratie van die akte), weshalve op het moment van het depot van de onderhandse pandakte bij de notaris, althans door het door deze opmaken van de akte van depot, sprake is van vestiging van het (stille) pandrecht.
2
Het in onderdeel 1 aangevoerde strookt ook met het belang van de aanbieder van de akte dat hij zelf de dag kan bepalen waarop de vereisten voor een geldige verpanding zijn vervuld en in zoverre niet afhankelijk is van een tijdsverloop van administratieve handelingen waarop hij geen invloed heeft, en — daarenboven — van de praktische omstandigheid of de Belastingdienst, althans de inspectie voor het aanbieden van akten ter registratie, geopend is op het moment dat degene die de akte wenst aan te bieden meent dat sprake is van het moment waarop aan de vereisten van een rechtsgeldige verpanding is voldaan. Een en ander spreekt in de onderhavige kwestie temeer nu het eerste depot bij notaris Peeters te Rosmalen plaatsvond op 26 mei 2001, zijnde dit de zaterdag na Hemelvaartsdag (24 mei 2001), terwijl op vrijdag 25 mei 2001 evenmin gelegenheid bestond tot registratie van de pandakte bij de daarvoor bestemde inspectie, nu immers op grond van het Koninklijk Besluit van 20 augustus 1999, nr. 99.003816, 25 mei 2001, zijnde de dag na Hemelvaartsdag, is gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in art. 3, derde lid van de Algemene Termijnenwet, weshalve voor Bannenberg op 24 mei, 25 mei, 26 mei en 27 mei geen mogelijkheid tot registratie bij de daarvoor bestemde inspectie bestond en zulks als een zodanige aantasting moet worden beschouwd van het belang van de aanbieder van de akte dat hij zelf de dag kan bepalen waarop de vereisten voor een geldige verpanding zijn vervuld, dat zulks temeer duidelijk maakt dat het depot van de onderhandse akte bij de notaris, althans de door deze daarvan op te maken akte, is een handeling waardoor op dat moment het pandrecht wordt gevestigd.
3
Voor zover het Hof in r.o. 4.2 met de overweging dat de registratie van een onderhandse akte als vestigingseis dient te worden aangemerkt, het in de eerdere onderdelen aangevoerde uit het oog verliest, kan ook r.o. 4.2 geen stand houden. Een en ander geldt ook voor r.o. 4.3 voor zover ook daar als moment van vestiging de registratie, althans het moment van aanbieding ter registratie bij de inspectie, wordt aangemerkt.
Mitsdien de Hoge Raad op grond van dit middel het aangevallen arrest zal vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad juist zal achten.
HOGE RAAD:
1 Het geding in feitelijke instantie
Nadat partijen bij akte van prorogatie waren overeengekomen het onderhavige geschil in eerste instantie aan het gerechtshof te ’s Hertogenbosch voor te leggen, heeft verweerder in cassatie — verder te noemen: de curator — bij exploot van 6 december 2001 eiseres tot cassatie — verder te noemen: Banning — gedagvaard voor dit gerechtshof en gevorderd:
a
primair voor recht te verklaren dat ten gunste van Banning geen pandrecht gevestigd is op de vorderingen op de debiteuren van Bouwpartners Projectdetachering BV;
b
subsidiair de overeenkomst van 24 april 2001 tussen Banning en Bouwpartners te vernietigen en voor recht te verklaren dat Banning geen enkel pandrecht als omschreven in en krachtens de pandakte van 23 mei 2001 toekomt.
De curator heeft de vordering bestreden
Bij arrest van 22 april 2003 heeft het hof voor recht verklaard dat geen pandrecht ten gunste van Banning gevestigd is op de vorderingen op de debiteuren van Bouwpartners en hetgeen meer of anders is gevorderd afgewezen.
2 Het geding in cassatie
(…)
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3 Beoordeling van het middel
3.1
In deze zaak kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 1. Het gaat in cassatie nog slechts om de vraag of aan het in art. 3:239 lid 1 BW neergelegde voorschrift van registratie van onderhandse akten van verpanding van vorderingen op naam ook is voldaan indien (en op het moment dat) de desbetreffende akte bij een notaris is gedeponeerd, althans indien (en op het moment dat) de notaris van dat depot een akte heeft opgemaakt.
3.2
Het hof heeft de hiervoor in 3.1 geformuleerde vraag ontkennend beantwoord en heeft voor recht verklaard dat geen pandrecht ten gunste van Banning is gevestigd op de vorderingen van Bouwpartners Projectdetachering BV die zijn vermeld op de pandlijst behorende bij de onderhandse pandakte die Banning en Bouwpartners op 23 mei 2001 hebben opgemaakt en ondertekend.
3.3.1
Onderdeel 1 betoogt dat het hof aldus de strekking van de in art. 3:239 lid 1 gestelde eis van registratie heeft miskend. Met deze eis wordt immers slechts beoogd de datum van verpanding vast te leggen, zodat daaromtrent duidelijkheid bestaat en antedatering of andere onregelmatigheden worden voorkomen. Dit doel kan ook worden bereikt met depot van de onderhandse pandakte bij de notaris, althans met het opmaken door de notaris van een akte van dat depot, zodat het in overeenstemming met art. 3:239 lid 1 is om aan te nemen dat op het moment van dat depot, althans door het, in dit geval: op 26 mei 2001, opmaken van die akte door de notaris sprake is van vestiging van het pandrecht.
Onderdeel 2 — dat in herinnering roept dat op 24 mei (Hemelvaartsdag), vrijdag 25 mei (een met een algemeen erkende feestdag gelijkgestelde dag), zaterdag 26 mei en zondag 27 mei 2001 geen gelegenheid bestond tot registratie van de pandakte bij de belastingdienst — voegt hieraan toe dat de mogelijkheid van het vestigen van een stil pandrecht door het opmaken van een akte van depot ook strookt met het door de Hoge Raad in zijn arrest van 14 oktober 1994, nr. 15 587, NJ 1995, 447, onderkende belang van de aanbieder van de pandakte om zelf de dag te kunnen bepalen waarop de vereisten voor een geldige verpanding zijn vervuld.
3.3.2
Dit betoog is in zoverre juist dat de strekking van de eis van registratie in hoofdzaak deze is dat komt vast te staan dat de onderhandse akte is totstandgekomen uiterlijk op de dag van de, op het geregistreerde stuk aangetekende, registratie, zodat antedatering wordt tegengegaan (vgl. HR 14 oktober 1994, nr. 15 587, NJ 1995, 447, en HR 29 juni 2001, nr. C99/296, NJ 2001, 662), en dat dit doel ook zou kunnen worden bereikt door het opmaken van een notariële akte van depot van de onderhandse akte. Hierin kan evenwel geen rechtvaardiging worden gevonden om, in afwijking van de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, die meende ‘dat de eis van registratie mede een psychologische rem zal vormen om tot het opmaken van valse akten te komen, nu deze eis dwingt de akte onmiddellijk in handen van de inspectie der registratie te stellen’ (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1330), te aanvaarden dat een stil pandrecht ook kan worden gevestigd door het opmaken van een notariële akte van depot van een onderhandse pandakte.
Anders dan onderdeel 2 wil, leidt ook het in voormeld arrest van 14 oktober 1994 onderkende belang van de aanbieder om zelf de dag te kunnen bepalen waarop de vereisten voor een geldige verpanding zijn vervuld niet tot een ander oordeel. In dat arrest is niet geoordeeld dat het hier gaat om een zonder meer, en ongeacht of aan de eis van registratie bij de belastingdienst is voldaan, rechtens te respecteren belang, zoals het onderdeel tot uitgangspunt neemt: aan de orde was de vraag welke dag als de dag van registratie is aan te merken, de dag van aanbieding ter registratie of de dag van het daadwerkelijk inboeken van de desbetreffende akte door het vermelden van de gedeeltelijke inhoud ervan in register Registratie nr. 4, en bij de beantwoording van die vraag in eerstvermelde zin heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat ‘het een te respecteren belang van de aanbieder van de akte [is] dat hij zelf de dag kan bepalen waarop de vereisten voor geldige verpanding zijn vervuld en in zoverre niet afhankelijk is van het tijdsverloop van administratieve handelingen, waarop hij geen invloed heeft’. Dat arrest biedt dus geen steun aan het door het middel verdedigde standpunt. Aan het belang van de aanbieder om zelf het tijdstip van vestiging van een stil pandrecht te bepalen, wordt voldoende tegemoetgekomen door a) het feit dat in het geval van een onderhandse akte als dag van vestiging geldt de dag waarop de akte of een faxcopie daarvan ter registratie wordt aangeboden en b) het feit dat in het geval van vestiging bij authentieke akte dat tijdstip wordt bepaald door de in de akte op te nemen verklaring van de notaris omtrent het jaar, de maand en de dag waarop deze is verleden.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat zowel onderdeel 1 als onderdeel 2 faalt.
3.3.3
Onderdeel 3 heeft geen zelfstandige betekenis en deelt derhalve het lot van de onderdelen 1 en 2.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Banning in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1365 voor salaris.
Conclusie
P G mr. Hartkamp:
FEITEN EN PROCESVERLOOP
1
In cassatie zijn de volgende feiten van belang. Sinds 1998–1999 heeft Bannenberg Advocaten BV, eiseres tot cassatie (hierna: Bannenberg), juridische bijstand verleend aan Bouwpartners Projectdetachering BV (hierna: Bouwpartners). Ter zake van deze bijstand was er begin april 2001 een betalingsachterstand van ongeveer ƒ 60 000. In verband met een eventuele verkoop of overname van Bouwpartners heeft Bannenberg in april en mei 2001 juridische bijstand verleend.
Tussen Bouwpartners en Bannenberg is in april 2001* [2] overeengekomen dat Bouwpartners op eerste verzoek van Bannenberg een (tweede) pandrecht* [3] op haar vorderingen zou verstrekken aan Bannenberg. Op 23 mei 2001 hebben Bannenberg en Bouwpartners ter uitvoering van deze overeenkomst een (onderhandse) pandakte opgemaakt en ondertekend, waarbij Bouwpartners aan Bannenberg verleend heeft ‘een (stil) pandrecht van de hoogst mogelijke rang (…) op alle vorderingen die de pandgever heeft en zal hebben op haar handelsdebiteuren’. Voorts is in deze pandakte onder punt 4 onder meer opgenomen ‘vestiging van het onderhavige pandrecht geschiedt door ondertekening en registratie van deze akte.’
Op 26 mei 2001 is de pandakte door Bannenberg gedeponeerd bij notaris Peeters te Rosmalen. Laatstgenoemde heeft daarvan een akte van depot gemaakt, waarin onder meer de zin is opgenomen: ‘Van voormelde pandakte is het origineel met als bijlage een pandlijst gedateerd zevenentwintig april tweeduizendéén door mij, notaris, in depot genomen.’
Op 29 mei 2001 is dezelfde pandakte opnieuw in depot genomen door de genoemde notaris, die daarvan wederom een akte van depot heeft opgemaakt, waarin onder meer de zin is opgenomen:
Van voormelde pandakte is het origineel met als bijlage een pandlijst gedateerd negenentwintig mei tweeduizendéén door mij, notaris, in depot genomen.
Op 30 mei 2001 is de — eerste — notariële akte van depot van 26 mei 2001 ter registratie aangeboden bij de Belastingdienst; de — tweede — notariële akte van depot van 29 mei 2001 is op 6 juni 2001 bij de Belastingdienst ter registratie aangeboden.
Bouwpartners is op 30 mei 2001 bij vonnis van de rechtbank te ’s Gravenhage falliet verklaard onder gelijktijdige intrekking van de op 29 mei 2001 door deze rechtbank verleende voorlopige surséance van betaling. Daarbij is tot curator benoemd mr. Jakob Cornelis Rosenberg Polak, verweerder in cassatie (hierna: de curator).
2
De curator heeft bij exploot van 6 december 2001 Bannenberg gedagvaard voor het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch.* [4] Voor zover in cassatie van belang heeft de curator gevorderd dat het hof voor recht zal verklaren dat ten gunste van Bannenberg geen pandrecht is gevestigd op de vorderingen op de debiteuren van Bouwpartners. Daartoe heeft hij aangevoerd dat art. 3:239 lid 1 voor de vestiging van een stil pandrecht op vorderingen op naam een authentieke akte of een geregistreerde onderhandse akte vereist. In casu is de onderhandse akte van 23 mei 2001 op 26 mei 2001 en op 29 mei 2001 gedeponeerd bij de notaris. De akten van depot zijn vervolgens door de notaris ter registratie aangeboden. Voorzover al langs deze indirecte weg een stil pandrecht zou kunnen worden gevestigd, is volgens de curator geen pandrecht ontstaan en wel omdat de (eerste) akte van depot van 26 mei 2001 pas op 30 mei 2001 ter registratie is aangeboden. Nu op deze datum het faillissement is uitgesproken, zou het bepaalde in art. 35 Faillissementswet aan een rechtsgeldige vestiging van het stil pandrecht in de weg staan. Ten aanzien van de (tweede) akte van depot van 29 mei 2001 heeft de curator hetzelfde aangevoerd: deze akte is pas op 6 juni 2001 ter registratie aangeboden, zodat hierdoor evenmin een (tweede) stil pandrecht ten behoeve van Bannenberg zou zijn ontstaan op de vorderingen op de debiteuren van Bouwpartners.
Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat door de notariële akte(n) van depot een stil pandrecht kan worden gevestigd, dan kan dit volgens de curator slechts gelden voor de (eerste) akte van depot van 26 mei 2001. Betoogd wordt dat door de (tweede) akte van depot van 29 mei 2001 geen stil pandrecht kan zijn ontstaan wegens beschikkingsonbevoegdheid van Bouwpartners, nu op dezelfde datum aan haar voorlopig surséance van betaling is verleend.
Bannenberg heeft gemotiveerd verweer gevoerd en gesteld dat haar wel een (tweede) stil pandrecht toekomt.
3
Bij arrest van 22 april 2003 heeft het hof de vordering van de curator toegewezen en voor recht verklaard dat ten gunste van Bannenberg geen pandrecht is gevestigd op de vorderingen op de debiteuren van Bouwpartners.
Daartoe heeft het hof in de eerste plaats overwogen dat blijkens art. 1 van de Registratiewet 1970 onder registratie wordt verstaan ‘het vermelden van de gehele of gedeeltelijke inhoud van akten in de registers welke worden gehouden door daartoe door Onze Minister van Financiën aangewezen inspecteurs van de rijksbelastingdienst’. Volgens de artt. 3 en 4 van deze wet dienen ook (alle) authentieke en onderhandse akten van notarissen door hen ter registratie te worden aangeboden; reeds daaruit volgt, aldus het hof, dat het deponeren bij een notaris niet (op zichzelf) kan worden aangemerkt als registratie in de zin van de Registratiewet 1970.
Voorts heeft het hof gesteld dat uit de tekst van art. 3:239 niet anders kan worden opgemaakt dan dat het vereiste van registratie bij de vestiging van een stil pandrecht alleen niet geldt voor een authentieke akte, terwijl voor een onderhandse akte deze registratie wel is vereist wil het pandrecht gevestigd worden. Zulks wordt naar het oordeel van het hof ook bevestigd door de wetsgeschiedenis waarin gesteld wordt dat met de huidige redactie van het artikel ‘buiten twijfel (is) gesteld dat hier uitsluitend van een onderhandse akte registratie wordt vereist’ (MvA II). Uit dit citaat zou volgen dat een stil pandrecht kan worden gevestigd door een authentieke akte, waarbij het feit dat die authentieke akte zoals iedere notariële akte vervolgens moet worden geregistreerd niet relevant is; anderzijds volgt daaruit, aldus het hof, dat bij een onderhandse pandakte registratie een noodzakelijke voorwaarde is voor vestiging. Geoordeeld wordt dat er geen goede grond is ten aanzien van onderhandse akten een onderscheid te maken tussen akten die door of ten overstaan van een notaris zijn opgemaakt en andere onderhandse akten, waarbij dan voor eerstgenoemde akten zou gelden dat het pandrecht gevestigd is op de datum van dagtekening van deze akte en niet op de datum van registratie daarvan.
Vervolgens heeft het hof overwogen dat het zo moge zijn dat een belangrijke doelstelling van het voorschrift van registratie is dat door het verkrijgen van een vaste dagtekening antedatering wordt tegengegaan, maar dat dit niet ertoe kan leiden dat — in strijd met de duidelijke bewoordingen van dit voorschrift — daaraan al is voldaan wanneer de pandakte wordt gedeponeerd bij een notaris die daarvan een akte van depot opmaakt.
Of van registratie van een pandakte sprake is wanneer de akte van depot van deze pandakte (en niet de pandakte zelf) wordt geregistreerd bij de belastingdienst conform de Registratiewet 1970, kan volgens het hof in het midden worden gelaten, want zo daar al sprake van is heeft zulks in casu pas plaats gehad na ingang van de surséance (r.o. 4.4).
De stelling van Bannenberg dat de aanbieder van een pandakte een te respecteren belang heeft dat hij zelf de dag kan bepalen waarop de vereisten voor geldige verpanding zijn vervuld, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 14 oktober 1994, NJ 1995, 447 m.nt. WMK heeft overwogen, wordt door het hof verworpen. Daartoe wordt ten eerste gesteld dat in het aangehaalde arrest de vraag aan de orde was welk tijdstip moet worden aangemerkt als tijdstip van registratie, en het niet de vraag betrof of deponering bij de notaris registratie in de zin van de Registratiewet 1970 kan vervangen. Bovendien kan de aanbieder van een akte volgens het hof zelf bepalen op welke dag hij de akte ter registratie bij de belastingdienst aanbiedt, en gelet op het genoemde arrest zal die dag ook als dag van registratie door de belastingdienst moeten worden aangemerkt. Hiervoor wordt gewezen op art. 7 van de Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970, dat bepaalt dat de inspecties voor het aanbieden van akten ter registratie dagelijks — behoudens op zaterdag, zondag en feestdagen in de zin van de Algemene termijnenwet en daarmee gelijkgestelde dagen — gedurende zes uur geopend zijn, hetgeen de aanbieder naar het oordeel van het hof voldoende vrijheid geeft om de dag van registratie te bepalen. Dat Bannenberg de onderhavige akte in dit geval op een zaterdag bij een notaris heeft kunnen deponeren, kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden (r.o. 4.5).
Nu vaststaat dat de pandakte in geen geval eerder dan op 30 mei 2001 is geregistreerd in de zin van de Registratiewet 1970, heeft deze registratie plaatsgehad op een tijdstip waarop Bouwpartners niet meer bevoegd was tot beheer en beschikking als bedoeld in art. 23 Fw, zodat voor Bannenberg geen pandrecht is gevestigd op de vorderingen van Bouwpartners op haar debiteuren (r.o. 4.6).
4
Bannenberg is tijdig van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Daartoe heeft zij een middel van cassatie geformuleerd dat bestaat uit drie onderdelen. De curator heeft geconcludeerd voor antwoord. Vervolgens hebben partijen hun stellingen schriftelijk toegelicht, waarna de curator heeft gedupliceerd.
BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL
5
Het middel bestrijdt met rechts en motiveringsklachten r.o. 4.4 tot en met 4.6 van ’s hofs arrest. Geklaagd wordt dat het hof, door te oordelen (kort gezegd) dat het deponeren van een onderhandse pandakte bij de notaris niet betekent dat deze akte is geregistreerd, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd.
Onderdeel 1 doet daartoe een beroep op de ratio van het vereiste van registratie van de onderhandse pandakte. Aangevoerd wordt dat met de registratie beoogd wordt de datum van verpanding vast te leggen zodat antedatering of andere onregelmatigheden worden voorkomen. Volgens het onderdeel wordt aan deze strekking evenzeer voldaan door het opmaken van een akte van depot door de notaris. In dat geval, zo stelt het onderdeel, wordt de onderhandse pandakte immers eveneens voorzien van een vaste dagtekening en wel door de notaris.
Onderdeel 2 voegt hieraan toe dat de mogelijkheid van het vestigen van een stil pandrecht door het opmaken van een akte van depot ook strookt met het te respecteren belang van de aanbieder van de pandakte dat hij zelf de dag kan bepalen waarop de vereisten voor een geldige verpanding zijn vervuld. In de schriftelijke toelichting wordt gesteld dat dit belang, dat door de Hoge Raad zou zijn erkend in zijn arrest van HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 447 m.nt. WMK, door het hof is miskend, althans onvoldoende in zijn oordeelsvorming is betrokken. Zo zou de Hoge Raad hebben overwogen dat de aanbieder van de akte niet afhankelijk dient te zijn van een tijdsverloop van administratieve handelingen waarop hij geen invloed heeft. Betoogd wordt dat de aanbieder evenmin afhankelijk moet zijn van de praktische omstandigheid of de belastingdienst geopend is op het moment dat hij de akte wenst aan te bieden. Dit laatste zou in deze zaak te meer van belang zijn, nu het opmaken en het ondertekenen van de onderhandse pandakte plaatsvond op woensdag 23 mei 2001, terwijl donderdag 24 mei 2001 Hemelvaartsdag was en vrijdag 25 mei 2001 met een algemeen erkende feestdag was gelijkgesteld, hetgeen betekent dat Bannenberg van 24 mei 2001 tot en met (zondag) 27 mei 2001 de onderhandse pandakte niet ter registratie bij de belastingdienst kon aanbieden. Het onverkort (strikt) vasthouden aan het registratievereiste zou als een zodanige aantasting van het belang van de aanbieder van de pandakte moeten worden beschouwd dat dit temeer zou duidelijk maken dat het depot van de onderhandse pandakte bij de notaris, althans het opmaken van de akte van depot, een handeling is waardoor op dat moment het stil pandrecht wordt gevestigd. Onderdeel 3 bevat geen zelfstandige klacht.
6
Zoals onderdeel 1 terecht betoogt, dient het in art. 3:239 lid 1 neergelegde vereiste van registratie van een onderhandse akte ertoe om deze akte van een vaste dagtekening te voorzien zodat de mogelijkheid van antedatering wordt verhinderd. Deze strekking volgt uit de wetsgeschiedenis (Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1329) en wordt ook door de Hoge Raad genoemd in zijn arresten van 14 oktober 1994, NJ 1995, 447 m.nt. WMK (r.o. 4.3) en 29 juni 2001, NJ 2001, 662 m.nt. WMK (r.o. 3.3.4). Vgl. voor literatuur over het registratievereiste: Asser-Mijnssen-Van Velten 3-III (2003), nr. 121–121a; Pitlo/Reehuis/Heisterkamp (2001) nr. 809 en 765 e.v.; Vermogensrecht (Stein), art. 237, aant. 19 en art. 239, aant. 17 en 23; S.C.J.J. Kortmann, in: Onderneming en Nieuw Burgerlijk Recht, 1991, p. 175–182; R.D. Vriesendorp, WPNR 6038 (1992), p. 149–152; H.W. Heyman, WPNR 6070 (1992), p. 839–841; G.J. Veltman, WPNR 5998 (1991), p. 189–194; W.H.M. Reehuis, Stille verpanding, 1987, nrs. 55–57, 350 en 490. Ook in het wetsvoorstel tot invoering van de stille cessie, Tweede Kamer, 2002–2003, 28 878, nr. 3, p. 4 en nr. 5, p. 4, wordt een authentieke akte of een geregistreerde onderhandse akte vereist opdat duidelijkheid bestaat over het moment van overdracht, waarbij wordt opgemerkt dat deze regeling overeenkomt met wat ook voor de vestiging van pandrecht op vorderingen geldt, hetgeen daar in de praktijk bevredigend werkt.
Toch meen ik dat de stelling van het middel niet kan worden gevolgd. Het feit dat de met de registratie beoogde zekerheid van dagtekening evenzeer kan worden verkregen door het opmaken van een akte van depot van de onderhandse akte, betekent niet dat ook langs die weg een stil pandrecht tot stand kan komen. Aldus wordt namelijk miskend dat het doel van de registratie (het verkrijgen van een vaste dagtekening) slechts op de in de wet voorgeschreven wijze kan worden verwezenlijkt. Dit volgt m.i. uit de Registratiewet 1970, waarin de wijze waarop registratie van een onderhandse akte moet plaatsvinden nader wordt uitgewerkt.
Volgens art. 1 van deze wet wordt onder registratie verstaan het vermelden van de gehele of gedeeltelijke inhoud van akten in registers die worden gehouden door inspecteurs van de rijksbelastingdienst. Uit de memorie van toelichting bij deze wet kan worden afgeleid dat een vaste dagtekening van een onderhandse akte slechts rechtsgeldig kan worden verkregen door inschrijving ervan in de (niet-openbare* [5] ) registers van de rijksbelastingdienst. Daarin wordt expliciet stilgestaan bij andere wijzen waarop onderhandse akten van een vaste dagtekening zouden kunnen worden voorzien. Als voorbeeld wordt genoemd vertoning van de onderhandse akte aan een notaris, een burgemeester of een kantonrechter. Gesteld wordt echter dat hoewel de doeleinden van de registratie, waaronder de zekerheid van dagtekening van onderhandse akten, ook op andere wijze zouden kunnen verwezenlijkt, de doelmatigheid met een dergelijke decentralisatie zeker niet zou zijn gediend, zodat de formaliteit van registratie (zoals reeds voorgeschreven bij de Registratiewet 1917) wordt gehandhaafd. Zie Tweede Kamer, 1969–1970, 10 559, nr. 3, p. 4. Zie voor literatuur over de Registratiewet 1970 met nadere verwijzingen: M.P. Bongard, De Registratiewet 1970, Ars Notariatus XCV, 2000; Melis/Waaijer, De Notariswet, 2003, p. 435–446.
Derhalve: ofschoon wordt erkend dat de formaliteit van registratie niet onmisbaar is om datering van de onderhandse pandakte vast te doen staan, wordt zij door de wetgever met het oog op de doelmatigheid wel als de enige wijze voorgeschreven. Voorts is duidelijk dat de wetgever bij de regeling van art. 3:239 BW de hier bedoelde registratie op het oog heeft gehad. Tegen deze wettelijke achtergrond moet worden geoordeeld dat de vertoning van de onderhandse pandakte aan de notaris die daarvan een akte van depot opmaakt, de registratie bij de belastingdienst niet kan vervangen, ook al zou daarmee de strekking van de registratie evenzeer worden gediend. Onderdeel 1 faalt derhalve.
7
De stelling van onderdeel 2 dat het belang van de aanbieder van de akte om zelf de dag te kunnen bepalen waarop de vereisten voor een geldige verpanding zijn vervuld, vergt dat een stil pandrecht door middel van (het opmaken van) een akte van depot gevestigd kan worden, gaat m.i. evenmin op. Enerzijds heeft de aanbieder het tijdstip van registratie in de hand doordat de Hoge Raad heeft beslist dat daarvoor het aanbieden van de akte of een faxcopie daarvan ter registratie beslissend is. Zie HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 447 m.nt. WMK en 29 juni 2001, NJ 2001, 662 m.nt. WMK. Anderzijds kan hij blijkens art. 3:239 lid 1 daartoe een notariële akte laten opmaken, waarvoor registratie geen vereiste is. Met name gelet op dit laatste zie ik geen reden om, in strijd met de tekst en de strekking van de wettelijke regeling, de afwijkende weg van een notariële akte van depot te aanvaarden.
Onderdeel 3 heeft zoals gezegd geen zelfstandige betekenis.
CONCLUSIE
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Noot
1
Stil pand kan enerzijds worden gevestigd bij authentieke akte en anderzijds bij onderhandse akte en registratie daarvan bij de belastinginspectie. Zo blijkt uit art. 3:237 lid 1 BW voor pand op roerende zaken e.d. en uit art. 3:239 lid 1 BW voor pand op rechten op naam. Ook de op 1 oktober 2004 ingevoerde ‘stille’ cessie krijgt gestalte bij authentieke akte of bij geregistreerde onderhandse akte, zo bepaalt art. 3:94 lid 3 BW.
2
Vraag is nu in deze zaak of het stil pand op vorderingen op naam ook gevestigd kan worden bij een hybride van de zojuist vermelde twee varianten bestaande uit een onderhandse akte die gedeponeerd wordt bij de notaris, eventueel gevolgd door een notariële akte van dat depot.
3
De Hoge Raad beantwoordt deze vraag in navolging van het Hof en P G Hartkamp ontkennend.
4
Gelet op de argumentatie van de Hoge Raad valt aan te nemen dat zijn ontkennend antwoord ook de andere zojuist vermelde goederenrechtelijke rechtshandelingen geldt. Deze argumentatie van de Hoge Raad, die de vorm heeft van een afweging van argumenten — het gaat om de strekking van de eis van registratie resp. het belang van pandverkrijger om zelf de dag te bepalen waarop aan alle vereisten voor verpanding is voldaan — is ook op de andere zojuist vermelde rechtshandelingen interessant toe te passen.
5
Volgens eiseres in cassatie zou de eis van registratie uitsluitend bedoeld zijn ter vastlegging van de datum van verpanding en zou hieraan ook door een (notariële akte van een) depot van de onderhandse pandakte bij een notaris voldaan kunnen worden (aldus r.o. 3.3.1, 1e al.).
De Hoge Raad onderkent dat de eis van registratie in hoofdzaak bedoeld is om antedatering te voorkomen, maar voegt hieraan toe dat deze ook bedoeld is om een psychologische rem te vormen voor opmaking van valse akten (r.o. 3.3.2, 1e al.), dit onder verwijzing naar PG Inv. Boek 3, p. 1330 (bedoeld is kennelijk p. 1329–1330).
In het door de Hoge Raad aangehaalde HR 29 juni 2001 (Meijs q.q./Bank of Tokyo), NJ 2001, 662 m.nt. WMK werd nog overwogen dat het er in hoofdzaak om gaat dat de akte is totstandgekomen vóór de dag van registratie (r.o. 3.3.4). Thans refereert de Hoge Raad — zuiverder — niet aan totstandkoming voorafgaande aan de dag van registratie (zoals ook de PG t.a.p.) maar aan totstandkoming uiterlijk op de dag van registratie. De toevoeging van de psychologische rem ontbrak in het arrest Meijs q.q./Bank of Tokyo, maar viel al wel min of meer te lezen in het eveneens aangehaalde HR 14 oktober 1994 (Rivierenland/Gispen q.q.), NJ 1995, 447 m.nt. WMK, ook al refereerde de Hoge Raad hierin aan de strekking van de registratie volgens de Registratiewet 1970. Kortmann schrijft in zijn noot (JOR 2005, 20) de psychologische rem te betwijfelen, maar voegt er dadelijk aan toe geen psycholoog te zijn. Ik zie er iets meer in, maar moet eraan toe voegen ook al geen psycholoog te zijn.
Hoe dan ook, het is het duidelijk dat een depot bij de notaris zonder notariële akte op zichzelf geen recht doet aan de registratie-eis als men deze volgens de vermelde hoofd en nevenstrekking interpreteert. Een notariële akte van het depot doet wel recht aan de hoofdstrekking van de registratie-eis. M.i. doet die ook recht aan de vermelde nevenstrekking van de psychologische rem. Men hoeft geen psycholoog te zijn om te kunnen vaststellen dat de remkracht van registratie bij de inspectie in het algemeen niet sterker zal zijn dan de remkracht van een notariële akte. Belangrijker komt het nevenargument voor dat de P G sub 6 noemt: de doelmatigheid van eenheid van registratie. Ik zou dat minder belangrijk achten als de weg langs de notaris voor ‘stille’ verkrijging van goederenrechtelijke rechten overwegende praktische voordelen zou kunnen bieden. Daarover nu meer.
6
Volgens eiseres in cassatie zou bij gebreke van de door haar gekozen weg van een (notariële akte van een) notarieel depot van de onderhandse pandakte onvoldoende recht gedaan worden aan het in het Rivierenlandarrest onderkende belang van de pandverkrijger om zelf de dag te bepalen waarop aan alle vereisten voor verpanding is voldaan (r.o. 3.3.1, 2e al.).
De Hoge Raad oordeelt dat aan dat belang voldoende tegemoet wordt gekomen door a) het feit dat als dag van vestiging bij een onderhandse akte geldt de dag waarop de akte of een faxkopie daarvan ter registratie wordt aangeboden en b) het feit dat in plaats van de onderhandse akte een authentieke akte kan worden opgemaakt op een belanghebbende conveniërend tijdstip en dat tijdstip dan beslissend is voor de totstandkoming van het pand (r.o. 3.3.2, 2e al.). Eerstgenoemde route leek, laatstgenoemde route lijkt nog steeds goed begaanbaar.
Laatstgenoemde route, die van de authentieke akte, is duurder dan die van de registratie van een onderhandse akte, maar het gaat hier om de vergelijking van de kosten van een authentieke pandakte en die van een authentieke depotakte bij de notaris. Ik zou menen — al ben ik evenmin een empirisch socioloog — dat de kosten daarvan niet veel meer of minder zullen bedragen dan die van een pandakte.
Eerstgenoemde route, die van de registratie van een onderhandse akte, lijkt niet alleen het meest praktisch maar ook het minst kostbaar. Interessant is de wijze waarop de Hoge Raad en passant, andermaal in het voetspoor van zijn P G (sub 7), de twee aangehaalde arresten combineert. In het Rivierenlandarrest had de Hoge Raad al overwogen dat niet de dag van de registratie zelf maar de dag waarop de akte ter registratie aan de inspectie wordt aangeboden, beslissend is voor de totstandkoming van het pandrecht (r.o. 5.2). In het arrest Meijs q.q./Bank of Tokyo had de Hoge Raad al overwogen dat in plaats van registratie van het origineel volstaan kon worden met registratie van een faxkopie (r.o. 3.3.4). Nu blijkt dus dat de aanbieding bij de inspectie van een faxkopie ter registratie toereikend is.
7
Zo zou deze route van de registratie in de praktijk — afgezien van een novum dat ik tot het laatst bewaar — nog wel eens sneller kunnen zijn dan die van de notariële akte, want een fax kan men in principe gedurende alle dagen en uren van de week verzenden en doen ontvangen. Die ontvangst is ook hier natuurlijk weer beslissend. Voor de datum en tijd van ontvangst door de inspectie zou men bij gebreke van enige aanwijzing in de Registratiewet 1970 met bijbehorende Uitvoeringsbeschikking aansluiting kunnen zoeken bij hetgeen de Hoge Raad heeft beslist voor de datum en tijd van ontvangst van faxkopieën van rekesten ter griffie van een gerecht. Zie met name HR 16 februari 1996 (Staat/K), NJ 1997, 55 (HJS), bevestigd door HR 20 maart 1998 (G/De Nederlandse Antillen), NJ 1998, 548. Ik moge verder verwijzen naar mijn beschouwingen in WPNR 2001 (6444), nr. 5 met verdere vindplaatsen. Dit kan bijv. van belang zijn als men vreest voor een verpanding of soortgelijke handeling in het buitenland, die ter plekke op een werkdag verricht zou kunnen worden, terwijl het bij ons in Nederland nog geen werkdag is.
Zo zou het kunnen zijn, ware het niet dat de Belastingdienst inmiddels niet meer de registratie per fax aanvaardt. Naar ik begrijp, berust deze nieuwe praktijk op het Besluit Openstelling elektronisch bestuurlijk verkeer met de belastingdienst d.d. 27 april 2005, Stcrt. 2005, 87 (i.w.g. 11 mei 2005), dat aangeeft voort te bouwen op de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer d.d. 29 april 2004, Stb. 214 (i.w.g. 1 juli 2004). Een andere grondslag heb ik ondanks naarstig zoekwerk niet kunnen vinden. Het Besluit dat conform zijn naam strekt tot het binnen bepaalde grenzen aanvaarden van elektronische berichten van de burger aan de belastingdienst, maakt en passant onder 9.2 (eveneens binnen bepaalde grenzen) een einde aan het faxverkeer van de burger met de belastingdienst door het volgende te bepalen: ‘Gegeven het feit dat de fax technisch niet kan voldoen aan de vereisten voor vertrouwelijkheid en ondertekening wordt de fax niet opengesteld voor het verzenden van formele/vertrouwelijke berichten aan de Belastingdienst zoals voor het doen van aangifte en het indienen van (pro-forma) bezwaarschriften’. Een gevoelige slag voor de registratiepraktijk zou ik zeggen, waarvan men zich kan afvragen of deze wel door de beugel kan. De Wet elektronisch bestuurlijk verkeer zegt in elk geval niets over de fax.
Zou de Hoge Raad bij gebreke van de ‘faxroute’ tot een zelfde oordeel zijn gekomen? Ik denk het wel, gelet op de alternatieve route van de authentieke akte.